Het harde lot van een vergeten dichter

Vandaag is het 150 jaar geleden dat de dichter Willem Levinus Penning jr. werd geboren in Schiedam, de stad die hij later 'Zwartstad' zou noemen. Hij is een van de weinige dichters die de storm van de tachtigers hebben overleefd. Zijn eerste bundel werd door Willem Kloos van tafel geveegd, maar volgende bundels vonden ook bij hem een gunstig onthaal. In 1911 werd aan Penning de Nieuwe-Gids-Prijs voor poezie toegekend.

Een van de mooiste gedichten van Penning is 'Troosteloos':

Geen nacht brengt rust;

geen dag brengt hoop;

Een foltring is uw lot en 't mijne

Seizoenen komen en verdwijnen

Wat gaan ze ons aan? wat 's werelds loop?

Ten ergste helt onze eigen baan: ..

Doodmoe vindt ons het licht bij 't dagen,

En levensmoe bij 't ondergaan

Penning had alle reden om niet te vrolijk tegen het bestaan aan te kijken. De opgewektheid die uit een groot deel van zijn werk spreekt, staat in schril contrast met zijn biografie.

Penning werd op 10 november 1840 geboren uit een notabele, maar verarmde familie. Zijn vader was ambtenaar op de gemeentesecretarie. Op dertienjarige leeftijd moest de jonge Willem Levinus een betrekking zoeken. Hij werkte eerst op een notariskantoor en kreeg vervolgens verschillende baantjes als boekhouder, bij fabrieken en handelshuizen. In december 1879 trouwde hij met een achternichtje. Hun enige kind werd dood geboren. In 1882 kreeg hij steeds meer last van zijn ogen. Aan zijn literaire mentor Carel Vosmaer schreef hij: 'Hoe het met de oogen gaat? Het eene leest noch schrijft meer; en dit helpt het andere (dat altoos een niet meegeteld slecht oog is geweest) wat beter onderscheiden. Doch moet ik dan ook heel, heel dicht op het werk liggen, en dat geeft allicht congestie of vermoeit te veel. Hoefde ik geen kantoorwerk te doen, dat zou helpen.'

Zijn kantoorwerk moest hij eerst gedeeltelijk en in 1884 geheel opgeven. De kwaal werd steeds erger en zou hem in 1898 volslagen blind maken. Tot overmaat van ramp werd zijn vrouw, een 'borstlijderes', in 1893 ook hulpbehoevend. Zij was degene die hem tot dan toe steeds als lees- en schrijfhulp diende. Penning ging er zeer onder gebukt dat hij haar niet voldoende tot steun kon zijn. Het echtpaar ging inwonen bij een zuster van Penning die weduwe was.

Al in zijn jeugdjaren maakte Penning gedichten. Hij bleef dat doen, echter zonder ze te publiceren. Zelf vertelde hij dat hij, telkens wanneer zijn lessenaartje vol was, de boel verscheurde. Pas in de jaren zeventig begon hij op aandringen van een vriend in tijdschriften te publiceren. Hoe onzeker hij was, blijkt uit het gebruik van diverse pseudoniemen en uit de particuliere publikatie van zijn eerste bundel Gedichten in 1876. Hij stuurde de bundel aan vrienden, bewonderde letterkundigen en recensenten met het verzoek er niet over te schrijven.

Typerend is ook dat Penning steeds literaire mentoren heeft gehad. Zijn werk neemt ook steeds enigszins de kleur aan van die mentoren. Dat hij aanvankelijk een leerling is van Carel Vosmaer blijkt onder andere uit het incidentele gebruik van rijmloze verzen in vrij metrum. De cyclus Buiten 't menschengewoel bevat vijf vrije verzen die het strand, de zee en een storm beschrijven. Het zesde en afsluitende gedicht, 'Na den storm', bevat heel toepasselijk wel rijm en een vast metrum.

Penning moest zijn dichtwerk 'snachts doen en voor de pers gereedmaken. Zijn belangrijkste thema's waren aanvankelijk de natuur en de liefde. Conrad Busken Huet schreef hem in 1879: 'Uwe dichterlijke opvatting van het hollandsch landschap heeft mijn volle sympathie. Potgieter, daar ben ik zeker van, zou in uwe verzen smaak gevonden hebben.' Pennings officiele debuut, Tienden van den oogst (1883), omvat maar liefst 377 bladzijden. De tweede bundel, Schakeering (1886), krijgt ook lof van Kloos, nadat Albert Verwey de eerste bundel al had geprezen. Voor de publikatie van Schakeering moest Penning geld meebrengen bij de uitgever.

Albert Verwey wordt Pennings literaire steun en toeverlaat in 1897, als Penning ingezonden heeft voor het Tweemaandelijksch Tijdschrift. Verwey zorgt voor de publikatie en de correctie van zijn bundels. De meeste aandacht krijgen de bundels Benjamin's vertellingen (1898) en Tom's dagboek (gepubliceerd in 1910, maar reeds gereed in 1898). Deze bundels vormen een soort geromantiseerde autobiografie. Zijn beste bundels zijn echter Kamermuziek (1903) en Levensavond (1921). Hierin heerst vaak een sombere toon. Zonder terughoudendheid dicht Penning hier over het harde lot dat hem is toebedeeld.

Een gevolg van zijn blindheid was dat Penning voor het noteren van zijn werk afhankelijk werd van anderen. Zijn verzen werden in de loop van de tijd genoteerd door 'een paar dozijn personen van beiderlei kunne van verschillende leeftijd en ontwikkeling, van werkvrouw en naaister af tot ingenieur en dichter toe'. Een en ander was wel een uitstekende geheugentraining. De eerste tachtig bladzijden van Benjamin's vertellingen had hij in zijn hoofd voordat er een letter van werd opgeschreven. Hij herhaalde de verzen vaak hardop om ze niet te vergeten. Het dienstmeisje alarmeerde zijn vrouw eens met de uitroep: 'Luister nu zelf eens aan meneers deur: mijnheer heit 't weer, hij is niet goed in zijn hoofd!'

Door critici en literatuurhistorici zijn vele invloeden gesignaleerd die Penning zou hebben ondergaan. Vooral Poot, Staring en Potgieter worden vaak genoemd. Deze literaire voorbeelden doen al vermoeden dat Penning het de lezer niet al te gemakkelijk maakt. Dat geldt dan met name voor de meer verhalende gedichten. De directe lyriek van Kamermuziek vormt hierop duidelijk een uitzondering.

'Die meneer Penning is een rozige, marsepeinige grijsaard', tekende Jan Greshoff op uit de mond van P. C. Boutens. Tot het eind toe blijft Penning helder en is hij geinteresseerd in de moderne poezie. Bij zijn 70ste en 80ste verjaardag wordt hij gehuldigd. Deze laatste feestdag is volgens Jan Greshoff Pennings enige openbare hulde die niet belachelijk was en die geen aanslag was op de waardigheid van het dichterschap. Met name de ontroerende ontmoeting op deze dag van Penning en Verwey heugt hem.

Op 29 februari 1924 overlijdt Willem Levinus Penning in Rijswijk. Zijn poezie is verwaarloosd, klaagt Jan Greshoff al in 1933. De door hem voorspelde herontdekking van deze 'beminnelijke, innige, doorgloeide rijkdommen' is tot op heden uitgebleven.

NOP MAAS

Willem Levinus Penning jr. (1840-1924): 'marsepeinige grijsaard'