Een afkeer van draaideuren

De Britse politicus Tam Dalyell, een Labour-veteraan die al meer dan 25 jaar in de backbenches van het Lagerhuis zit, vertelt in zijn biografie van zijn collega en vroegere leermeester Richard Crossman hoe deze hem bij hun eerste ontmoeting in 1963 (een sollicitatiegesprek) doorzaagde over zijn politieke opvattingen over Israel. Dalyell wilde Crossmans Parliamentary Private Secretary worden en werd nog voor hij zijn thee had kunnen drinken op de gewetensvraag getracteerd of hij tegenover Israel wel 'goed' was. 'Je bent niet-jood, betekent dat dat je antisemiet bent?' Dalyell was op die vraag niet voorbereid en nam enige bedenktijd, maar voelde zich ook ietwat beledigd. 'Hoe moet ik weten dat je geen antisemiet bent als ik het je niet zou vragen?' zei Crossman op een toon van vanzelfsprekendheid. 'Bijna alle niet-joden zijn antisemiet.' Dalyell had zich niet door dat onheilspellende begin heengeslagen als hij niet uit eigen ervaring in Israel had geweten dat Crossman daar min of meer als een held werd beschouwd, een van de weinige Engelse politici die in dat land niet werden gerekend tot de 'verraders van de joodse zaak'. De meeste Engelsen spraken (volgens Golda Meir) altijd met een dubbele tong tegen joden en Arabieren, maar Crossman had zich daaraan nooit schuldig gemaakt.

Nadat ze elkaar beter hadden leren kennen (later zouden ze boezemvrienden worden) had Crossman bekend dat hij die ongerechtvaardigde en agressieve examenvraag van Chaim Weizmann had overgenomen. Weizmann (eerste president van de staat Israel) had Crossman dezelfde vraag gesteld. 'Ben je antisemiet?' Crossman had er niet om heen gedraaid en geantwoord: 'Natuurlijk'. Van dat moment af, zei Crossman altijd, dateerde hun vriendschap. Volgens Crossman geloofde Weizmann dat een niet-jood die zijn latente antisemitisme ontkende of loog of zich zelf wat wijs maakte. Weizmann had het liefst te maken met niet-joden die zich van hun 'onbewuste' vooroordelen tegen de joden bewust waren zonder zich in hun gedrag daardoor te laten beinvloeden.

Dalyell betwijfelt of Weizmann (die Crossmans enige politieke idool was) op dit punt niet tot slachtoffer van mythevorming was gemaakt. Enige twijfel lijkt op zijn plaats: Crossman had een romantische visie op de geschiedenis en hij was zo gefascineerd door Weizmanns mozaische leidersrol dat hij geen onderscheid maakte tussen diens literaire en diens werkelijke functie. Dalyell zegt er niet helemaal zeker van te zijn, maar hij houdt er in elk geval rekening mee dat Crossman (die begin jaren zeventig overleed) de neiging had zijn oudste anekdotes aan te dikken.

Waarom vertelt een biograaf zo'n verhaal dan? Omdat het, zoals Dalyell het motiveert, Crossmans hartstocht voor het jonge Israel en vooral zijn rol als een vast steunpunt van Israel in een altijd zwalkende en doorgaans dubbelhartige Engelse Midden-Oostenpolitiek illustreert. Het jonge Israel (van 1948) was de constante factor in het politieke liefdesleven van Richard Crossman. De staatkundige verwerkelijking van het zionisme beschouwde hij als de meest opwindende en de meest waardevolle persoonlijke ervaring in zijn bestaan en de bijdrage die hij daaraan had geleverd was het enige dat voor hem blijvende betekenis had. Zijn levensbeschrijvers (behalve Tam Dalyell ook Anthony Howard, wiens biografie vorige week verscheen) concluderen beiden met

iskenbare ironie dat Crossman briljant, maar inconsistent en arrogant zich eigenlijk alleen in de kwestie-Israel altijd van zijn volkomen integere kant heeft laten zien.

Van de twee biografen, die beiden collega's van hem waren (Crossman was ook enige tijd hoofdredacteur van het anti-imperialistische weekblad The New Statesman), heeft Dalyell hem psychologisch het scherpst getekend. Interessant is de ontwikkelingsgang die Dalyell van Crossmans bekering tot het zionisme schetst: toen hij in 1946 in de Amerikaans-Engelse commissie werd benoemd die de regering moest adviseren over de oplossing van de kwestie-Palestina, was Crossman voor het zionisme een onbeschreven blad, ofwel een Engelse politicus zoals ze in Jeruzalem op dat ogenblik alle Engelse politici zagen: onbetrouwbaar en pro-Arabisch. Crossman begon met meer sympathie voor de Arabische aanspraken op Palestina dan voor die van de zionisten.

Dat was ook een van de gronden geweest waarop de minister van buitenlandse zaken Ernest Bevin hem had benoemd, denkend dat hij daarmee een pion in de commissie had. De hele idee van een 'Joods nationaal Tehuis' vond Crossman een wespenest waar Engeland de handen van af moest trekken. Bovendien stelde hij zich op het standpunt dat Engeland zich tegenover de Arabieren meer verplicht had dan tegenover de zionisten, die naar zijn mening niet uit Europa moesten weggaan.

Zijn bekering kwam na een aantal hoorzittingen en een rondreis die de Palestina-commissie langs de opvangkampen van ex-concentratiekampslachtoffers en door het Midden-Oosten maakte, waar de Arabieren hun zaak verknoeiden door niet aan de verhoren mee te werken. Die ommezwaai voltrok zich vooral toen hij werd geconfronteerd met de honderdduizenden Displaced Persons in Europa, maar het beslissende zetje kreeg hij van een antisemitische verspreking van Bevin, die ontsticht was over de berichten dat Crossman in de commissie 'om' was gegaan en hem plompverloren de vraag stelde of hij zich soms had laten besnijden. Een bezoek aan Jeruzalem, waar hij in 1946 voor het eerst van zijn leven kwam, deed de rest. Volgens Anthony Howard raakte hij daar verliefd op het land en op de joodse bevolking die het tot bloei had gebracht.

De sympathie die Weizmann en de zijnen voor Crossman hadden is ook heel goed verklaarbaar: in de commissie, waar hij zich door zijn scherpzinnigheid onderscheidde en waar hij de politicus met de meeste invloed was, maakte hij zich sterk voor de belangrijkste zionistische wensen. Hij sleepte de aanbeveling voor honderdduizend joodse inreisvergunningen voor Palestina met steun van de Amerikanen door de commissie heen en zette in het Lagerhuis en in The New Statesman zijn oppositie tegen de regering voort toen Bevin zijn vroegere toezegging aan de commissie verzaakte en de joodse immigratie in Palestina aan banden legde.

Crossman bleef zijn levenlang een ere-zionist, maar hij gaf zijn Israelische vrienden nooit de illusie dat zij van de Engelse politiek enig voordeel zouden kunnen verwachten. Tijdens zijn ministerschap in de kabinetten-Wilson pleitte hij ervoor Israel de waarheid te zeggen en ervoor uit te komen dat Engeland nooit wapens aan Israel zou leveren zodra de Engelse oliebelangen in gevaar kwamen. Ook in dat opzicht was hij consistent en stemde eerlijkheidshalve liever met de pro-Arabische vleugel mee dan met de draaideuren uit zijn partij.

Anthony Howard, Crossman, The Pursuit of Power, Jonathan Cape, London, 1990.

Tam Dalyell, Dick Crossman, A Portrait, Weidenfeld and Nicolson, London, 1989.