DE DIKKE MAN (SLOT)

De Oudere Maar Daarom Niet Minder Aangename Dame rekende af. 'Zullen we dan maar?' zei ze tegen De Dikke Man.

'Nog even', zei deze, op onverhuld wanhopige toon.

'Wij zijn de allerlaatsten', zei De Oudere Maar Daarom Niet Minder Aangename Dame, 'ze kijken ons gewoonweg de tent uit.'

'Kan me niks schelen', zei De Dikke Man bokkig, terwijl er zweetdruppels op zijn voorhoofd verschenen.

'Wat is er dan?' vroeg De Oudere Maar Daarom Niet Minder Aangename Dame, nu enigszins geprikkeld.

'Wat moet ik?' riep De Dikke Man uit, 'ik bedoel ik sta helemaal alleen. Niemand vertegenwoordigt mij. Waarom vang jij me niet op? Jij bent toch een professionele, algemeen erkende en gewaardeerde agent, oftewel eedzjunt.'

'Kom maar mee', zei De Oudere Maar Daarom Niet Minder Aangename Dame kordaat. Ze stond kwiek op en De Dikke Man volgde, bijkans automatisch, haar voorbeeld.

ik

sta

op

gespannen voet

met

de

hele

stad

dichtte hij.

Het motregende.

'Dus jij wilt ook al niet mijn eedzjunt worden', zei De Dikke Man.

'Ben je dronken of zo?' vroeg De Oudere Maar Daarom Niet Minder Aangename dame.

'Dat ook', zei De Dikke Man, 'maar wat is dit voor een krankjoreme wereld, waarin iedereen maar dan ook iedereen zijn zaakjes door de een of andere nitwit laat behartigen? O, sorry.'

'Je hoeft je helemaal niet te verontschuldigen', zei De Oudere Maar Daarom Niet Minder Aangename Dame, 'het is ook krankzinnig. Maar het heeft te maken met die idioot hoge bedragen die vandaag de dag aan jan en alleman betaald worden.'

'Wanneer stort deze schijnwereld in elkaar?' vroeg De Dikke Man.

'Ik weet het niet', zei De Oudere Maar Daarom Niet Minder Aangename Dame.

'Ik wil niet meer', zei De Dikke Man.

'Hier is 't', zei De Oudere Maar Daarom Niet Minder Aangename Dame. 'Tot ziens.'

'Je laat me hier zomaar staan?' vroeg De Dikke Man.

'Ja, hoor', zei De Oudere Maar Daarom Niet Minder Aangename Dame. Ze gaf De Dikke Man een bemoedigend tikje op het hoofd, en verdween in haar huis.

Hoe lang had hij door de stad gelopen? Hij was doorweekt van de regen, had hoofdpijn, en tot overmaat van ramp trad het ontnuchteringsproces in werking. Ik moet even niet meer drinken, ik ga ab-so-luut naar huis, nam hij zich voor.

'En deze zeventiende-eeuwse gevel ', hoorde hij een bekende stem zeggen.

Daar liep De Eeuwig Ondergedoken Vriend, die een groep kennelijk buitenlandse toeristen door nachtelijk Amsterdam leidde. De toeristen stonden in een halve cirkel om hem heen, terwijl hij oreerde. De Dikke Man keek hem recht in het gezicht.

De Eeuwig Ondergedoken Vriend gaf De Dikke Man een knipoog.

'Waarom doe je dit; waarom kom je hiervoor je huis uit?' vroeg hij, alleen zijn lippen bewegend.

De Eeuwig Ondergedoken Vriend antwoordde, geluidloos: 'Omdat ik mezelf van deze resten wil overtuigen.'

'Begrepen', zei De Dikke Man, zeer zacht.

En hij liep snel de gracht af, richting huis.

Hij deed het licht niet aan, stommelde door de donkere kamer, en luisterde zijn antwoordapparaat af.

'Dit is Klaas', hoorde hij zijn chef zeggen, 'je bent ontslagen, goede vriend. Op staande voet. Zeg maar dag met je handje tegen de WW. Mensen zoals jij kunnen we in deze harde wereld van het televisievermaak niet gebruiken. Wie denk je wel dat je bent? Wat stel jij eigenlijk voor? Jij, met je roemruchte verslaggeversverleden wat is er van je over? De journalistiek is veranderd, mijn beste. Het zijn niet langer de semi-intellectuelen als jij die de dienst uitmaken. We kunnen lieden als jij gemakkelijk missen. Dronken romantici daar maak je geen hoogwaardig televisie-amusement mee.'

De Dikke Man schakelde het antwoordapparaat bruusk uit.

'En wie denk jij wel dat je bent, stompzinnige klootzak', zei hij tegen de echo van Klaas' stem, die in zijn hoofd galmde. 'Ik heb jou '

Hij zakte op de vloer. 'Mijn god', zei hij zacht tegen zichzelf, 'tot welk niveau laat ik mij nu verlagen?' Zijn hand vond het knopje van de machine. 'Misschien ontmoeten wij elkaar nog eens', besloot Klaas zijn tirade.

'Pappie', klonk het stemmetje van zijn vijfjarige zoon, 'pappie jij bent niet oud, pappie, jij bent jong en oud.'

Hij krabbelde moeizaam overeind.

Ik moet nu naar bed, wist hij, even alles, alles vergeten.

Hij strompelde naar het keukengedeelte, en rukte twee, drie kastjes open. Eerst leegde hij een vol pak muesli op het aanrecht, en at de vlokken met zijn handen op. In de koelkast vond hij een halve fles cola zonder prik, en dronk die tot de bodem toe leeg. Daarop rukte hij een pot appelmoes open, en at daarvan een kwart. Met trillende vingers probeerde hij een pak aardappelchips te openen; het lukte hem niet. Zweet stroomde langs zijn rug, over zijn gezicht. Hij ontkurkte een fles wijn, en dronk een paar slokken ervan. Daarna haalde hij een pan koude aardappelen van het gasstel, en at twee, drie, vier van de papachtige knollen. Vervolgens danste hij wel een minuut op de zak chips.

Ik

ben

niet

weg

ik

ben

gezien

dichtte hij.

Hij wankelde zijn slaapkamer binnen, en strekte zich op het dekbed. Het koele textiel bracht hem enigszins bij zinnen. En met die onvermurwbare zak chips tegen zich aan geklemd, viel hij in een diepe slaap.