De delicate nalatenschap van de god van hemel en aarde

Eeuwenoude Afrikaanse houtsnijkunst is zeldzaam. Vochtigheid en ongedierte verpulverden bijna alle gebruiksvoorwerpen en rituele objecten van de talloze stammen die dit werelddeel ooit bevolkten. Maar er is een beschaving, waarvan de kunstzinnige nalatenschap meer dan vier eeuwen heeft getrotseerd: Benin aan de Westafrikaanse kunst, in de Niger-delta, het huidige Nigeria. Het Rijksmuseum voor Volkenkunde in Leiden wijdt een interessante tentoonstelling aan het Benin-rijk met voornamelijk bruiklenen uit het volkenkundig museum van Wenen.

Het Benin-rijk bestond uit de gelijknamige hoofdstad en enkele honderden dorpen, gelegen op een zanderige vlakte in het regenwoud. Zoals bij de meeste oude beschavingen, de Inca's en de Azteken bij voorbeeld, hebben een mythische god en zijn zonen de hand gehad in de stichting van het vorstendom. De jongste zoon, Osanobua, werd de baas van hemel en aarde en de koningen die na hem kwamen zouden in hun ambities niet voor hem onder doen.

In werkelijkheid vestigden zich omstreeks het begin van onze jaartelling verschillende stammen op verschillende tijdstippen rondom de Niger. In de achtste eeuw verschenen de Edo ten tonele, zoals de oorspronkelijke bevolking in de omstreken van Benin zich noemde. Ze organiseerden een samenleving die aan de westerse middeleeuwen doet denken: met beroepsgilden, zoals die van de pottenbakkers, de wevers en de leerbewerkers, met kroniekschrijvers, met een hierarchie van hoge ambtenaren en met een vorst wiens zonen de uithoeken van het gebied onder controle hielden.

Later, van de 15de tot en met de 17de eeuw, leidden oorlogen tot aanzienlijke gebiedsuitbreidingen. Het rijk zelf werd gereorganiseerd. Rondom de binnenstad verrees een labyrint van wallen, met een totale lengte van vijf maal de Chinese Muur. De stad Benin zelf werd in tweeen gesplitst: een deel voor de Oba, de koning, zijn vrouwen, hovelingen en ambachtslieden, en een deel voor het volk. Uit de 15de eeuw stammen de eerste contacten tussen Portugese zeelui en het hof van Benin.

De Portugezen voerden niet alleen een levendige handel in slaven, ivoor en peper, koper en zeer begeerde blauwe kralen, maar lieten zich ook niet onbetuigd op het terrein van de zending. Als de Oba en zijn volk zich tot het katholicisme zouden bekeren, konden ze rekenen op vuurwapens en kanonnen, zo blijkt uit een brief. De verleiding was groot, maar de koning hechtte te zeer aan de 'heidense' cultus van voorouder- en begrafenisrituelen. En trots als hij was, liet hij zich niet voor het karretje spannen van die Portugese zakenlui.

Dat Benin niet zo maar een van de vele vreemde nederzettingen was, blijkt uit de beschrijving van de Hollandse arts Olfert Dapper in zijn 17de-eeuwse Naukeurige Beschryvinge der Afrikaensche Gewesten: 'Het Hof des Konings is verdeelt in veel prachtige Paleizen, huizen en vertrekken der hovelingen, en schoone en lange vierkante galderyen, ontrent zoo groot als de Beurs t'Amsterdam, doch d'een grooter, als d'ander, die op houte pylaren, rusten, van onderen tot bovenen met gegoten koper beslagen, daer op d'af-beeldingen hunner oorloghs-daden en velt-slagen gesneden staen'. De straten waren er zo breed als de Keizersgracht, schreef Dapper, en de stad Benin 'zo groot als Haerlem'.

Aan Dapper danken we ook een precieze tekening van een koninklijke Benin-optocht: de Oba, gekleed in luipaardvellen en gezeten te paard, wordt omringd door een schare muzikanten, dwergen en getemde luipaarden, terwijl achter hem een stoet van krijgers optrekt. In de verte doemen de wallen en de torens op van de Oba-paleizen, waar de koning tijdens het eten niet gezien mocht worden, want goddelijke personen hebben geen eten nodig om in leven te blijven.

In het voetspoor van Dapper verkenden nog meer Nederlanders de hete Niger-delta. Op de tentoonstelling liggen hun klachten over de muskieten ter inzage. Het moet er hels geweest zijn. Dat blijkt ook uit de gelijktijdige ervaringen van Britse expeditie; de meeste leden legden het loodje.

Record

Het is verleidelijk om grondig in te gaan op de exotische avonturen van die Europese ontdekkingsreizigers. De doorwrochte en zorgvuldig vormgegeven catalogus biedt genoeg materiaal. Maar daar gaat deze tentoonstelling niet over. Olfert Dapper maakte hierboven al melding van het 'gegoten koper', en het is deze vaardigheid waar het Benin-volk zijn reputatie aan te danken heeft: aan de bronzen pilaren-reliefs en 'koningskoppen'. Een van deze bronzen koppen bracht vorig jaar op een Londense veiling 4,3 miljoen gulden op: een absoluut record voor een etnografisch stuk.

Datzelfde bronswerk was in 1897 te voorschijn gekomen in de lemen magazijnen van het koninklijk paleis. De stukken lagen er onder een dikke laag stof en vuil, zo meldde een Britse strafexpeditie. Een vorige Britse expeditie was tot bijna de laatste man uitgemoord en dat is de Oba en zijn volk in 1897 flink betaald gezet. De oorlogsbuit van 2.400 voorwerpen dook later op bij Britse particulieren en het British Museum, maar ook, via de kunsthandel, in volkenkundige musea, zoals Leiden en Wenen. De Berlijnse collectie ging tijdens de oorlog grotendeels verloren.

Over de betekenis van de bronzen koppen, waarvan Leiden zowel vroege als recente exemplaren laat zien, zijn deskundigen het oneens. Een krijgstrofee, een symbool van rijkdom en gezag, een herinnering aan de gestorven koninklijke voorouder? De meeste koppen dragen van onderlip tot schouder een hoge kraag van (bronzen) koralen en een platte muts van gevlochten kralenkettingen. Met offerbloed mens en dier werden veelvuldig op bronzen voorouderaltaren geofferd hield men de magische kracht van de kop regelmatig op peil en bovenop de kruin plaatste men een bijna twee meter hoge, geraffineerd bewerkte olifantstand. Latere, 19de-eeuwse exemplaren zijn niet alleen groter, grover en opzichtiger versierd, ze kregen ook aan weerszijden rechtopstaande 'vleugels'.

Op de reliefplaten, die de houten palen van het paleis van de grond tot de nok bedekten, portretteerden de bronsgieters 'de adel van Benin', Europeanen, muzikanten en dieren, zoals krokodillen, luipaarden, slangen, ibissen en moddervissen. De meeste hoogwaardigheidsbekleders droegen koraal, luipaardtanden en een pronkdolk. Heldhaftig krijgersvolk, dat het ergste doet vrezen over de wijze waarop de eerste Britse expeditie aan zijn einde kwam.

Ivoor

Dat de ambachtslieden een vooraanstaande plaats in de paleishuishouding innamen, sterker nog, op straffe des doods alleen voor de Oba mochten werken, laat zich indenken. Want behalve dat delicate bronswerk, waarbij 'de methode van de verloren wasvorm' werd toegepast, wisten ze met de precisie van een diamantslijper de mooiste zoutvaten ter wereld te maken. Daartoe diende het ivoor, een koninklijk materiaal bij uitstek. De olifant had nu eenmaal aanvoerderskwaliteiten en wijsheid en hij bereikte bovendien een hoge leeftijd. Welke koning kon deze eigenschappen ontberen?

In Leiden zijn enkele virtuoze voorbeelden van ivoor-snijwerk uitgestald: van de eerder genoemde, druk gedecoreerde zoutvaten tot luipaardkoppen en hoorns. Tot de topstukken behoren twee 14de-eeuwse, bijna levensgrote, bronzen hofdwergen, plastisch en naturalistisch vormgegeven heertjes, die als goochelaar en acrobaat ooit de vorst amuseerden. Hoewel het heel vroege gietwerk nauwelijks is vertegenwoordigd, geven de latere stukken, de sieraden, klokken en andere ceremoniele voorwerpen tezamen met die waardevolle Nederlandse documenten een redelijk compleet overzicht van een voor vele tot nu toe ontoegankelijke beschaving.

Met de verbanning van de Oba in 1897, die per Brits schip werd afgevoerd, is geen definitief einde aan de Benin-cultuur gekomen. Oba Akenzua II ziet er op een foto uit 1959 niet zo veel anders uit dan de 17de-eeuwse Oba met wie Dapper kennismaakte. Men giet er ook nog steeds brons, voor de toeristenindustrie, wel te verstaan. Maar een eigentijdse souvenir in de Leidse vitrine rechtvaardigt maar een conclusie: de bronsmeesters zijn uitgestorven.