DE BARRE WERKELIJKHEID VAN HET STRAFRECHT

Op 20 juli 1969 staat slager E. met vrouw en dochter in de auto voor een gesloten spoorwegovergang te Oosthuizen. In de verte nadert de trein van Amsterdam naar Enkhuizen. Plotseling wordt E. aangereden door een personenauto die hem met een vaart van zeventig kilometer per uur achterop rijdt. De auto van de familie E. schuift de overweg op. De trein is nu zo'n honderdvijftig meter weg. De slager springt uit zijn auto, haalt vrouw en dochter eruit en wordt geraakt door de trein. Hij raakt zo ernstig gewond dat zijn voet moet worden afgezet zijn loopbaan als slager is voorbij. Hij kan niet meer langdurig staan. Degene die hem aanreed, betoogt voor de rechter dat de slager zelf verantwoordelijk is voor het letsel omdat hij niet op tijd de overweg heeft verlaten, terwijl daar wel de gelegenheid voor was. Was de aanrijder de oorzaak van het letsel of alleen van de aanrijding?

Op 8 september 1960 moet de ervaren operatiezuster B. bij een operatie assisteren. Zij krijgt opdracht een andere zuster een ampul novocaine voor een verdoving aan te reiken. Ze geeft een flesje aan waaruit tweemaal een naald wordt gevuld. De chirurg injecteert de patient. Enige ogenblikken later overlijdt de patient aan, zo blijkt, adrenaline vergiftiging. De operatiezuster reikte namelijk geen novocaine aan, maar adrenalini hydrochloridum. Zij zegt wel het etiket van het flesje te hebben bekeken, maar de betekenis ervan niet tot zich te hebben laten doordringen. Zij meent dat er geen sprake is van 'grove onoplettendheid', zoals justitie haar verwijt, maar van een gewone menselijke fout. Was er sprake van schuld?

Op 26 juli 1979 neemt de achttienjarige G. een extra dosis heroine en cocaine en steekt zijn grootmoeder dood. Hij zegt tegen de rechter zijn grootmoeder alleen met schreeuwen te hebben willen laten ophouden. Tijdens het misdrijf zou hij aan een paranoide psychose hebben geleden, veroorzaakt door cocainegebruik. Was er sprake van opzet?

Strafrecht is de kunst van het objectiveren van menselijk handelen. De kluwen van gebeurtenissen die tot een delict hebben geleid legt de strafrechtjurist onder een microscoop. Het passen en meten begint: welke handelingen gingen vooraf aan de gebeurtenis. Welke verwachtingen en bedoelingen speelden daarbij een rol. Onder welke omstandigheden vond de daad plaats. Aan wie (en hoe) verwijtbaar is de gebeurtenis. Wat is de achtergrond van de verdachte. Hoe past dat in de wet en de jurisprudentie.

OVERMACHT

Auteur Jeanne Doomen legt in haar recent verschenen De hollende kleurling. Het Nederlands strafrecht in negen verhalen door natuurgetrouwe beschrijvingen van de barre werkelijkheid de structuur van het strafrecht bloot. Het boek is een kruising tussen een spannend leesboek en een anatomische atlas. De indeling is die van ieder strafrechtelijk compendium. Systematisch worden opzet, schuld, ontoerekeningsvatbaarheid, noodweer, overmacht, causaliteit, poging, medeplegen en bewijs behandeld. Maar dat doet ze op een manier die iedere leek tot de verbeelding zal spreken.

Het is het handigste en meest actuele strafrechtboekje dat nu op de markt is. Met een paar uur lezen is een vrijwel complete tour d'horizon van strafrechttheorie en praktijk gemaakt. En in tegenstelling tot het gemiddelde handboek over strafrecht wil je dit nog uitlezen ook. Achter de droge dossiers van de strafrechter gaan immers absurde drama's schuil. Varierend van de man die tijdens een echtelijke ruzie een pantoffel gooit en zo zijn vrouw doodt omdat ze een 'eierschaal'-schedel blijkt te hebben, tot de verdachte die ondanks ontucht met een baby en een twaalfjarig jongetje vrijuit gaat omdat de officier van justitie in de dagvaarding de verkeerde gemeente heeft genoemd.

De hollende kleurling maakt bovendien aanschouwelijk hoe de rechter het wetboek van strafrecht voortdurend bijbuigt omdat de werkelijkheid weer net iets fantastischer of misdadiger is dan vorige eeuw werd gedacht. Ook is zichbaar hoe de samenleving andere eisen is gaan stellen. Dat blijkt bijvoorbeeld uit de ontwikkelingen rond de voorbereidingshandelingen. In de jaren dertig oordeelde de Hoge Raad nog dat andermans keuken volleggen met in benzine gedrenkte lappen en een gaspistool opstellen bij wijze van ontsteking, geen strafbare poging tot brandstichting inhoudt. Er was pas sprake van voorbereiding als de daad ' naar de regelen der ervaring zonder enig nader ingrijpen van de dader zelf tot brandstichting leidt', vond de Hoge Raad. En aangezien eerst nog de haan van het gaspistool overgehaald moest worden was dat niet het geval. Daar was de dader niet aan toegekomen, omdat de buren door de benzinestank de straat op waren gestroomd.

In 1951 nam de Hoge Raad hiervan afstand. Een rivaal die 's nachts bij zijn vriendin inbrak om haar man te vermoorden, werd toch wegens poging tot moord veroordeeld. Hij was van plan geweest de man eerst bewusteloos te slaan en hem daarna aan het gas te leggen. Maar na een klap met een hamer werd de echtgenoot wakker; de dader schrok en vluchtte. Was dat nu een poging tot 'gasmoord'? De Hoge Raad vond van wel er was sprake van een moord in twee fasen. Als de man inderdaad bewusteloos was geraakt, dan had de rivaal hem vast ook aan het gas gelegd, zo werd geredeneerd.

HANDBOEIEN

Het ziet er naar uit dat de arm van het strafrecht in de komende jaren zich verder naar voorbereidingshandelingen zal uitstrekken. Ook hier speelt op de achtergrond een praktijkgeval. In april 1986 parkeerden twee mannen vroeg in de morgen hun gestolen auto met valse kentekenplaten bij het Grenswisselkantoor in Bladel. Ze droegen een dubbele laag kleding, hadden een dubbelloops jachtgeweer bij zich, een imitatiepistool, touw, handboeien, tape en pruiken. De mannen wachtten totdat de bankbediende arriveerde. De motor draaide; de een zat voorin, de ander lag plat op de achterbank. Maar toen de bankbediende het kantoor naderde, draaide hij zich om en liep weg. Hij had de auto herkend en vertrouwde het niet. Een dag eerder stond dezelfde auto er ook al. De politie werd gewaarschuwd; er ontstond een wilde achtervolging en de mannen werden aangehouden.

De Hoge Raad oordeelde echter dat er geen sprake is van een strafbare poging tot een roofoverval. Bankovervallers moeten volgens het hoogste rechtscollege een gedraging hebben verricht die ' naar haar uiterlijke verschijningsvorm moet worden beschouwd als te zijn gericht op de voltooiing van dat voorgenomen misdrijf'. Met andere woorden ze hadden uit hun auto moeten komen en iets moeten doen waardoor het leek of ze de bank wilden overvallen. Stilzitten en geparkeerd staan, omringd met alle parafernalia voor het misdrijf, is niet voldoende.

Dergelijke jurisprudentie drijft de politie tot wanhoop en de minister tot wetswijziging. Hirsch Ballin heeft aangekondigd een wetsvoorstel in te dienen dat handelingen ter voorbereiding van 'kennelijk in vereniging te plegen zware misdrijven, zoals overvallen of brandstichting' strafbaar stelt.

De politie beperkt zich nu in de praktijk vaak tot het 'stukmaken' van misdrijven waarvan de voorbereiding wordt ontdekt. Dat wordt meestal gedaan om de beoogde slachtoffers niet nodeloos in gevaar te brengen. Een bekend geval is de poging tot ontvoering van een notaris. De politie trof in 1982 een bekende crimineel aan die in een welvarende buurt aantekeningen stond te maken. De groep waartoe de verdachte behoorde, bleek een boerderij te hebben gehuurd en was doende daarin een kamer te isoleren. Daarop werden de verdachten op het politiebureau uitgenodigd en vertelde de rechercheurs hen wat zij wisten. De groep splitste zich en later werd ontdekt dat ze nieuwe misdrijven voorbereiden. Ook daar werden ze tegen gewaarschuwd door de politie. Op die manier begeleidt Justitie dus criminelen bij het voorbereiden van misdrijven door ze tijdig te waarschuwen worden ze onwillekeurig geattendeerd op de fouten die ze hebben gemaakt. Ongestraft zoeken ze dan een nieuwe klus.

PRIVACY

Maar aan het strafbaar stellen van voorbereidingen zitten ook haken en ogen, constateert Doomen in haar boek. Bij Justitie wordt gespeeld met de gedachte om het 'voor handen hebben' van voorwerpen, vervoermiddelen en gegevens (notities, opnamen) die zijn bestemd voor een misdrijf, strafbaar te stellen. Daarmee wordt de macht van de overheid flink uitgebreid. Wie een scherp mes in huis heeft, kan al tot verdachte worden bestempeld en doel van een justitieel onderzoek worden. Het is een van de weinige plekken in het boek waar de auteur stelling neemt: ' Wanneer we hechten aan onze privacy moeten we die kant niet op.' De Hoge Raad zou minder strak-objectief de handelingen van de misdadige plannenmakers moeten beoordelen, meent zij. Als er meer gewicht wordt toegekend aan de bedoeling waarmee jachtgeweer, tape, boeien en pruiken zijn meegenomen dan kan een verdere uitbreiding van de reikwijdte van het strafrecht achterwege blijven.

Daarmee is precies de grens van het strafrecht aangegeven. De rechter kan rationaliseren en objectiveren wat hij wil, zolang de uitkomst in de ogen van de samenleving maar niet onredelijk is. Want uiteindelijk is de vraag wat misdaad is toch een subjectief oordeel.

De oplossing van de drie casussen

De aanrijder heeft het letsel veroorzaakt omdat 'naar algemene ervaringsregels' dit gevolg voorzienbaar was. (Sinds 1978 geldt overigens een ander criterium: kan het letsel redelijkerwijs worden toegerekend aan het gedrag van de dader.)

De operatiezuster draagt 'grove schuld' omdat zij door haar opleiding en ervaring het risico had moeten kennen.

Er is sprake van voorwaardelijk opzet: de verdachte wist dat hij bij druggebruik last kreeg van waanvoorstellingen maar bracht zich willens en wetens in die toestand.