DE APOCALYPS ALS PROVINCIALE FANTASIE

Vroeger was het in veel steden van ons land verboden over de Openbaring van Johannes te preken. Dat is niet onbegrijpelijk. Openbaring is het wildste boek van de bijbel. In woeste beelden worden de historische en kosmische catastrofes van het einde der tijden beschreven. De Vier Ruiters rijden uit over de aarde en brengen pest, oorlog, honger en dood. Afschrikwekkende monsters komen uit zee en worden bestreden door hemelse krijgers. De zon wordt zwart als een haren zak. Engelen gieten de Zeven Schalen der Gramschap leeg. Overal worden mensen omgebracht. De Grote Hoer op haar scharlakenrode beest is dronken van het bloed van de heiligen. De bozen, waartoe in ieder geval de politici en de kooplieden behoren, worden tijdens de stuiptrekkingen van de oude wereld op hun beurt afgeslacht. Een al te letterlijk begrip van deze teksten kon de openbare orde en rust diepgaand verstoren.

Vrij algemeen beschouwt men het soort geschriften waartoe Openbaring behoort als het geestelijk bezit van een onderdrukte minderheid. Juist omdat de leden van zo'n groep door de samenleving zijn uitgestoten en vervolgd worden, hebben ze al hun hoop gevestigd op een volledige omkering van de bestaande verhoudingen. Aan deze verwachting ontlenen ze hun volharding.

Wat bekend is over het ontstaan van Openbaring lijkt zo'n interpretatie te ondersteunen. De auteur zelf deelt mee dat het werk ontstaan is op Patmos, een eiland voor de kust van de Romeinse provincie Asia, het westen van het tegenwoordige Turkije. De tweede-eeuwse kerkvader Irenaeus vermeldt dat Openbaring geschreven werd onder het bewind van keizer Domitianus, aan het eind van de eerste eeuw. Die keizer wordt in kort na zijn dood gepubliceerde werken van Romeinse schrijvers als Tacitus, Suetonius en Plinius afgeschilderd als een wrede en bloeddorstige tiran, die zichzelf als 'heer en god' liet vereren. De vierde-eeuwse kerkhistoricus Eusebius ten slotte bericht dat onder Domitianus vervolgingen van christenen plaatsvonden.

De gangbare interpretatie van Openbaring luidt daarom als volgt. De christenen in Asia waren een onderdrukte minderheid, gerecruteerd uit de armere lagen van de bevolking. Tijdens het bewind van Domitianus namen de vervolgingen in hevigheid toe, omdat de waanzinnige keizer er op stond dat iedereen hem als een god vereerde. Vandaar dat de christenen kwamen tot zulke wilde verwachtingen van een gewelddadige toekomstige verandering. Deze traditionele uitleg wordt door Leonard Thompson in zijn dit jaar verschenen The Book of Revelation volledig verworpen. Hij probeert het oorspronkelijke publiek van Openbaring in zijn maatschappelijke context te plaatsen.

BEZADIGD

Asia was een van de welvarendste gebieden van het keizerrijk. Het proconsulschap van de provincie gold als de succesvolle bekroning van de carriere van een senator. In het gebied lagen honderden steden, waarvan de grootste tienduizenden inwoners telden. Asia was een van de belangrijkste kernen van het vroege christendom. Al in de jaren vijftig had de apostel Paulus er zending bedreven. Een groot deel van de vroeg-christelijke literatuur is gericht aan of verbonden met christelijke groepen in Asia. Dat geldt ook voor Openbaring. De eerste drie hoofdstukken van het boek bestaan uit brieven aan de christelijke gemeenten in zeven van de belangrijkste steden in de provincie: Ephese, Smyrna, Pergamum, Thyatira, Sardes, Philadelphia en Laodicea.

Thompson sluit zich aan bij recent sociaal-historisch onderzoek wanneer hij een nuchter, enigszins bezadigd beeld schetst van het leven van de vroegere christenen. De leiders van de christelijke groepen in Asia waren redelijk welvarende, onafhankelijke handwerkslieden. Ze reisden graag en veel. Ze waren financieel in staat gemeenten en rondtrekkende evangelisten te ondersteunen. Er waren slaven waren christen, maar we weten niet hoeveel. In ieder geval waren er ook slavenhouders lid van de kerk. De vroeg-christelijke schrijvers hebben de neiging de opvattingen van de laatsten over de juiste sociale orde te delen.

De wereld van deze kleinburgerlijke provincialen was niet vol conflicten of spanningen. Ze leidden een rustig leven, dat niet veel verschilde van dat van andere bewoners van de provincie. De economie maakte, zoals dat gaat, oplevingen en inzinkingen mee. De keizerlijke overheid handhaafde de openbare orde en hief belasting. Ook onder Domitianus was zij niet tiranniek.

Thompson onderneemt een vergaande rehabilitatie van deze keizer. Plinius, Tacitus en Suetonius hebben Domitianus afgeschilderd als een boosaardig mens en een tiran. Hij was gierig, wreed, achterdochtig, seksueel actiever dan een Romeins heer paste, bloeddorstig en waanzinnig. Zijn verhouding met zijn vader Vespasianus en zijn broer Titus, die voor hem keizer waren geweest, was gespannen. Hij haatte hen om hun edele en deugdzame karakters. Zij hielden hem op afstand en betrokken hem tijdens hun bewind niet bij het bestuur van het rijk.

CULTUS

Thompson wijst er op dat altijd wanneer deze beschuldigingen met behulp van niet-literaire gegevens munten of inscripties gecontroleerd kunnen worden, ze onjuist blijken te zijn. Een bijzonder groot bezwaar van de groep schrijvers rond Plinius was dat Domitianus aanspraak gemaakt zou hebben op de titel 'onze heer en god'. Maar in de lofprijzingen van Domitianus die door Statius en Quintilianus tijdens zijn leven geschreven werden, vindt men deze titels niet. Ook op de vele inscripties, munten en medaillons die uit zijn bewind bewaard zijn, treft men de uitdrukking nergens aan. Natuurlijk bestond er een keizerlijke cultus, met name in het oosten van het rijk. Maar er is geen enkel bewijs dat Domitianus daarin grotere eerbewijzen eiste dan zijn voorgangers of opvolgers.

De Romeinse schrijvers die het zwarte beeld van Domitianus schiepen, schreven onder het bewind van Trajanus. Trajanus had zijn hele carriere gemaakt onder Vespasianus en diens beide zonen. Maar met Domitianus was de Flavische dynastie aan haar einde gekomen, en het ontbrak Trajanus aan dynastieke legitimiteit. Hoewel hij dezelfde politiek voerde, liet hij zijn bewind afschilderen als een breuk met een eerdere, slechte tijd. Hij was daar niet origineel in. Augustus en Vespasianus hadden hetzelfde eerder gedaan.

In de tijd van Openbaring werden vervolgingen bovendien niet door de keizerlijke overheid georganiseerd. Waar we iets weten van vervolgingen, zijn ze het gevolg van lokale initiatieven van de stads- of streekgenoten van de christenen. Maar het belangrijkst is dat we eigenlijk heel weinig horen van vervolgingen. De meeste vroeg-christelijke literatuur gaat er van uit dat christenen vreedzaam met hun niet-christelijke buren samenwonen. Over het algemeen waren de christenen waarschijnlijk goed geintegreerd in de stedelijke samenleving.

SYNAGOGE

De manier waarop de joden in Klein-Azie leefden, biedt waarschijnlijk de beste parallel voor de leefwijze van de christenen. De christelijke gemeenten daar hadden hun aanhang voornamelijk gerecruteerd uit de lokale joodse gemeenschappen en uit de heidenen die zich bij de synagoges hadden aangesloten. Deze joodse groepen stonden, zo blijkt uit opgravingen en inscripties, niet buiten of tegenover de stedelijke samenleving. De magistraat Julia Severa schonk bijvoorbeeld in de tweede helft van de eerste eeuw een gebouw aan de joodse gemeenschap van Acmonia voor een synagoge. Haar activiteiten in andere godsdiensten vormden voor de joden geen belemmering om de gift te aanvaarden. In de derde eeuw bekleedden, blijkens inscripties, joden de hoogste stedelijke functies. Ook van culturele vervreemding blijkt niets. Bij opgravingen van de synagoge te Sardes is de grote tafel gevonden die vermoedelijk het centrum van de eredienst was. Op de stenen platen waarop het blad rust zijn grote Romeinse adelaars afgebeeld, met bliksemstralen in hun klauwen. In het theater van Milete hadden de joden blijkens een inscriptie hun eigen rij stoelen.

Buiten Openbaring zijn er dus geen aanwijzingen dat de eerste-eeuwse christenen in Asia in benarde omstandigheden verkeerd zouden hebben. Leest men Openbaring zelf zorgvuldig, dan blijkt dat nergens concreet verwezen wordt naar een crisis waarbij instellingen buiten de kerk betrokken zijn. Zeker, de schrijver verwacht een grote vervolging door de buitenwereld, en in de visioenen zijn voldoende verwijzingen naar Rome en de keizers om aan te nemen dat hij deze verwachtte van de politieke instellingen van het rijk. Maar nergens wordt duidelijk verwezen naar vervolgingen in het heden of recente verleden.

Als het boek niet reageerde op een crisis, en zijn beoogde publiek niet tot de verworpenen der aarde behoorde, hoe verhield Openbaring zich dan tot de maatschappelijke werkelijkheid? Thompson begint het antwoord op deze vraag met een zorgvuldige literaire analyse van de opbouw van het werk. Het zwaarste argument dat hij daarbij ontwikkelt, luidt dat de brieven aan de zeven gemeenten in de eerste drie hoofdstukken zeer nauw verweven zijn met de visioenen over de eindtijd die het grootste deel van het boek uitmaken. De belangrijkste motieven, beelden en metaforen worden al in de eerste hoofdstukken geintroduceerd. De uitbundige schildering van de eindtijd is dus niet bedoeld om de lezer het heden te doen vergeten. Openbaring wil de wereld niet ontkennen, maar haar beter doen begrijpen.

HEMELSE WERELD

De aardse wereld van de christelijke gemeenten in Asia wordt door de banden tussen de brieven en de visioenen zowel in de ruimte als in de tijd uitgebreid. Het leven in het hier-en-nu wordt verbonden met de nieuwe tijd, die zal komen, en met de hemelse wereld, die hierboven is. Die hemelse wereld is niet radicaal gescheiden van de aardse wereld, want in de toekomst zullen ze in elkaar opgaan. Op vergelijkbare wijze is de toekomst niet de ontkenning van het heden. Nu al is de nieuwe wereld in de hemel aanwezig.

Openbaring nodigt de lezers uit om op een bepaalde manier naar hun wereld te kijken, eerder dan dat het hun objectieve maatschappelijke omstandigheden weerspiegelt. Ze moeten hun plaats in de samenleving interpreteren in het licht van de verbanden met de hemelse, toekomende wereld die in het geschrift worden onthuld.

De manier van kijken waartoe Openbaring uitnodigt, is scherp dualistisch en getuigt van grote vijandschap tegen de samenleving van Asia en tegen het Romeinse Rijk. Onder de keizerlijke administratie en de stedelijke cultuur gaan volgens de schrijver van Openbaring in werkelijkheid duistere machten schuil. Anders dan elders in de vroeg-christelijke literatuur bijvoorbeeld in de brieven van Paulus of de eerste brief van Petrus wordt in Openbaring elke erkenning van het Romeinse Rijk als een goddelijke orde verworpen.

De schrijver van Openbaring wil zijn lezers scherpe grenzen laten trekken. Zijn eigenlijke tegenstanders zijn waarschijnlijk geloofsgenoten die niet zulke scherpe grenzen trekken. In de brieven aan de zeven gemeenten worden vooral de christenen die zich aanpassen bij de heidense omgeving vermaand. De wereld van de ware christen wordt geschetst als een boosaardige plaats, vol onheil en beproeving. Pas in het lijden en de vervolging komt de ware gemeenschap met Christus tot stand. Alleen wie lijdt en vervolgd wordt, heeft volgens de schrijver van Openbaring echte kennis. Maar dat is een ideaal en geen werkelijkheid.

Om het scherpe dualisme van Openbaring te begrijpen, is het helemaal niet nodig aan te nemen dat het beoogde publiek van de schrijver ook in werkelijkheid ernstig vervolgd werd. Openbaring is een openbaring: het werk pretendeert over een geheel eigen kennis te beschikken, die berust op een direct goddelijk ingrijpen. Die kennis week volledig af van het openbare, vanzelfsprekende weten dat door iedereen gedeeld werd.

Een groep die georganiseerd is rond zo'n van de algemeen aanvaarde waarheden afwijkende kennis wordt in de kennissociologie een 'cognitieve minoriteit' genoemd. De positie van zo'n groep is niet comfortabel. Alleen al het feit dat de meerderheid de waarheidsclaim van de groep niet serieus neemt, laat staan deelt, zorgt ervoor dat de wereld een bedreiging is en als zodanig waargenomen wordt. Kortom, volgens Thompson biedt het feit dat de schrijver van Openbaring een zeer van de openbaarheid afwijkend geheel van gedachten aanhing, voldoende verklaring voor zijn uitbundig gewelddadige visioenen van een laatste en uiteindelijke strijd tussen de wereld en de gelovigen.

KOSMOPOLITISCH

De normale organisatievorm voor een kennisminderheid is de sekte. Maar Thompson wijst er op dat de interpretatie van de wereld die Openbaring biedt een alomvattend karakter heeft. De horizon van Openbaring wordt gevormd door het Romeinse Rijk, dus door de hele beschaafde wereld. Als men dit al een sektarisme kan noemen, is het een kosmopolitisch sektarisme. Het is niet nodig aan te nemen dat dit gedachtengoed gedragen werd door een aparte sociale groep. Het kan ook parasitair geweest zijn, als minderheidsstandpunt levend binnen een grotere gast-organisatie. Zoiets vermoedt Thompson uiteindelijk voor de sociale basis van Openbaring. Wellicht waren rond dit gedachtengoed enkele huiskerken binnen de grotere christelijke gemeenschappen van de steden van Asia georganiseerd. Misschien ook leefden deze gedachten alleen bij individuele christenen, die niet apart binnen de grotere christelijke gemeente georganiseerd waren.

In ieder geval is het niet nodig om aan te nemen dat Openbaring alleen aantrekkelijk kon zijn voor een vertrapte, onderdrukte groep. Ook later is de populariteit van het werk nooit beperkt gebleven tot de vervolgden. Het heeft altijd geestelijke behoeften van rijke en arme, domme en slimme christenen kunnen bevredigen. Het taalgebruik en de beelden uit Openbaring zijn zeer krachtig. Ze bieden, voor wie zoiets wil, de mogelijkheid de hele wereld te begrijpen. Men kan het werk ook gebruiken om afstand te nemen van de bestaande orde en daarop kritiek uit te oefenen. In het hele werk klinkt de toon van de absolute zekerheid van de echte ziener. Het werk is zeer wel in staat om de verveling van het dagelijks bestaan te verdrijven, door alles onderdeel te laten zijn van een groot drama, een avonturenroman op kosmische schaal. In de loop der eeuwen is het werk, om dit soort redenen, aantrekkelijk geweest voor alle mogelijke soorten mensen. Het oorspronkelijke publiek hoeft, zoals Thompson opmerkt, niet minder divers geweest te zijn.