Binnenlandse onlusten

Op een windstille avond aan zee de zon was een scherpe rode schijf, binnen zeventig seconden verdwenen nadat hij de horizon had geraakt, nu maakt hij het eiland dat overdag niet is te zien, tot prehistorisch silhouet, de hitte is geluidloos weggeblazen, het is nu zo warm als men zich het hiernamaals wenst, op het terras zitten de vrienden met wie men graag praat maar bij wie het niet opvalt als men er een uurtje het zwijgen toe doet - onder die paradijselijke omstandigheden die men, ter bevestiging van zijn tevredenheid, nog eens zit op te sommen, wordt de innerlijke stem waarmee men dat doet, onderbroken.

Het valt niet nauwkeurig te zeggen door wie of wat de onderbreking is veroorzaakt of uit welke richting afkomstig. Het is een zeer licht intermezzo dat men vroeger als een vluchtige begoocheling meteen zou hebben afgeschreven als men er al aandacht aan had besteed. Maar na jaren weet men wel beter. Men beseft dat ook, en heeft geleerd voor zichzelf te erkennen dat men het beseft: zo'n intermezzo wijst op niet goeds. Men zal het zich later nog herinneren. Dit intermezzo, niet langer dan een seconde, is in dit geval het teken van het lichaam aan zijn eigenaar dat er onaangenaamheden in het verschiet liggen.

Het zou goed zijn als de wetenschap meer aandacht aan deze intermezzi besteedde. Zoals ervaren volwassenen weten is het lichaam in een voortdurende dialoog met zijn eigenaar gewikkeld. Bij de gezonde, min of meer tevreden mens heeft deze dialoog de vorm aangenomen van een voortdurend gemompelde wederzijdse betuiging van tevredenheid. De eigenaar stelt het lichaam geen absurde eisen en geeft het een goede verzorging en in ruil daarvoor wordt hij door zijn lichaam op zijn wenken bediend.

Ieder initiatief tot een intermezzo in deze dialoog wordt door het lichaam genomen. Het weet, eerder dan zijn eigenaar, dat er onheil te verwachten is en onderbreekt, ten teken daarvan, de continuiteit in de dialoog. Er ontstaat een intermezzo dat de eigenaar niet kan begrijpen als hij het voor het eerst ervaart. In de loop van zijn leven leert hij dat hij zich op haperingen in zijn lichaam zal moeten voorbereiden.

Systematische bestudering van het waarschuwend intermezzo zou ons meer kunnen leren over de aard van haperingen, de tijd die er tussen waarschuwing en het manifest worden verloopt, en eventuele correlaties tussen soorten van waarschuwingen en bepaalde vormen van lichamelijk versagen. Wetenschappelijk onderzoek van het waarschuwend intermezzo zou misschien een bijdrage tot de preventieve geneeskunde leveren.

Drie dagen waren verlopen tussen het eerste intermezzo op die paradijselijke zomeravond aan zee en de terugkeer in eigen land. Het lichaam had niets bijzonders meer van zich laten horen, de eigenaar begon al te vermoeden dat het 'loos alarm' was geweest, of misschien dat niet, maar dan in ieder geval een klein malheur dat zonder zijn uitdrukkelijke tussenkomst was verholpen. Hij besefte wel dat, als de mens erin slaagt zich iets wijs te maken, het op dit gebied is - maar dan waande hij zich weer een uitzondering, en zo kwam hij als iedereen terecht in die gesloten cirkel van wijsmakerij.

Op de middag van de derde dag merkte hij zekere hinderlijke activiteit onder de kroon van een kies rechts onder achter. Bijna tegelijkertijd trok er een rilling omhoog, uit zijn lendenen over zijn rug naar de ruimte tussen zijn schouderbladen - een snelle rimpeling van het roerloos water als het voor het eerst beroerd wordt door de najaarswind. Die vergelijking schoot hem niet voor het eerst te binnen. Hij hield op met denken en doen en staarde naar zijn rechterhand die het nutteloos geworden gereedschap vasthield. Starend legde hij de weg naar huis af.

Tegen zijn huisgenoten hield hij de ontwikkelingen in zijn mond geheim. Dat kostte geen moeite; de kies kauwde alles mee, bijna alsof onder de kroon de gebruikelijke rust en orde heersten. De volgende morgen bleek dat de laatste fase van succesvol zelfbedrog te zijn geweest: de toestand was zo ingrijpend veranderd dat hij de tandarts belde voor een spoedconsult.

Wat verwacht een redelijk verlicht mens in het laatste decennium van de twintigste eeuw van zijn tandarts? Besluitvaardigheid die mogelijk wordt gemaakt door de onbarmhartigheid waartoe hij in staat wordt gesteld door de modernste middelen op het gebied van boren en verdoven. De tandarts duwde tegen de kies en mompelde: hij beweegt. Hij klopte erop, doet het pijn? Nee. Duwde opnieuw, nu met een haakje en begon een zijkant af te schrappen, tot onder het tandvlees. Dit deed pijn - geen pijn die op dat ogenblik normaal zou zijn geweest maar anders: het was een pijn met een extra van ziekte en beginnende angst.

Het trekken van een kies zal wel altijd, voor iedereen die is opgegroeid in de westerse beschaving met de maatstaven van westerse schoonheid en gezondheid, een trieste gebeurtenis zijn, afgezien van alle lichamelijke ongemakken waarmee zo'n extractie gepaard gaat. Hoe ouder met behoud van levenslust de patient, des te treuriger het wordt. Het trekken van een kies is een afscheid met het hoogste gehalte aan onherroepelijkheid, zoals het ontruimen van een huis waarin men lang heeft gewoond of het sterven van een oude hond zo'n afscheid is. De kies is meer: die heeft zijn eigenaar gekend toen hij nog kind was. De getuige van een halve eeuw zal binnen een minuut door de tandarts met zijn tang worden overweldigd. Nog niet! Genade.

Het lijkt me beter dat we even wachten tot die ontsteking is genezen.

Mij ook.

Iedere dag dat ze nog bij elkaar waren, hij en zijn kies was kostbaar.

Hier hebt u een recept. Halve minuut spoelen.

Hij bleef op de rand van de behandelstoel zitten en zweeg. Spoeldrank? Antibiotica! Die ontsteking schreeuwde om penicilline. Waarom gaf die man geen penicilline? Bang voor verre gevaren van horen-zeggen, bang voor een schrobbering. Hollandse schijterigheid.

Hij had een groot maar geen grenzeloos vertrouwen in de medische wetenschap. Alle wetenschap was beter dan onwetenschap. De grens lag daar waarachter hij het zelf beter wist: het schemergebied dat alleen voor de eigenaar toegankelijk is, waar hij de wetenschap van zichzelf beoefent, waar hij het kennismonopolie heeft van oorzaak en gevolg der mishandelingen die hij zich heeft toegediend, de empirie van het herstel, het vorderen der jaren, de naderende ouderdom, de statistiek van hoop en vrees.

Het was niet aan de orde. Nu een spoeldrank? Dat begon op homeopathie te lijken, kamillethee, warme doek om het hoofd, pepermuntzalf op de borst. Hij haalde de spoeldrank. De apotheek, in jaren niet in zo'n winkel geweest. Het zat er vol doodsbleke ziekenfondsers, achter de toonbank liepen dikke meisjes af en aan. De hele ruimte was gevuld met onheil en gewichtigheid. Het middel kostte vijftien gulden; voor de aandeelhouders van de spoeldrankenindustrie. Thuis spoelde hij en wist dat hij aan het begin van een onoverzichtelijke lijdensweg stond. Hij nam een aspirientje, ging op de divan liggen en viel in slaap.

Toen hij wakker werd was het donker, de rechterkant van zijn nek was gezwollen maar deed geen pijn en hij had koorts. Koud water liep langs zijn nek over zijn rug, hij lag gekromd als een ongeboren kind, een niet eindigende reeks schokken trof zijn lichaam, het leek hem alsof zijn constructie uit elkaar rammelde, zo had hij nog nooit koorts gehad. De koorts had hem opgesloten, buiten zijn lichaam bestond niets meer, de koorts was een roes.

Iedere zorgvuldige lezer van gezondheidsrubrieken in dagbladen en tijdschriften weet dat verhoging en koorts tekenen zijn van infecties. Het verschijnsel wijst erop dat het lichaam zich verweert; dat is algemeen bekend. Maar koorts heeft nog een andere functie. Terwijl het organisme zich met de moed der wanhoop te weer stelt, kan het geen inmenging of afleiding door zijn eigenaar gebruiken. Het moet volledig in staat worden gesteld om, geholpen door objectieve geneesmiddelen, zijn lot in eigen handen te nemen. Door de koorts wordt de eigenaar verdoofd, in andere sferen gebracht, ongeveer zoals het zou gebeuren als hij opium had gebruikt. Koorts zondert zijn bewustzijn af, begoochelt zijn waarnemingsvermogen, stelt hem in staat zich in zijn afzondering van de tastbare wereld om zich heen te koesteren. Als koorts te koop was, zou het als een gevaarlijke drug verboden zijn.

Een koortsaanval heeft een flardenstructuur zoals een wolkenlucht in een nacht bij volle maan. Opeens zag hij zichzelf. Het ging niet goed, hij moest de dokter bellen. Het antwoordapparaat verwees hem naar een vervanger. Hij liet zich brengen door een taxi, liep door een onbekende gang naar een onbekende spreekkamer, volgeladen met bibelots, bevolkt met opgezette dieren, behangen met ingelijste oorkonden. De onbekende geneesheer kneep in zijn nek, keek in zijn mond en zei: Ontsteking. Antibiotica. Hij greep pen en bloknoot en schreef het recept. Thuis slikte hij het wondermiddel. Morgen zou er weer een gewone dag aanbreken met een gewone nek, een gewone kies en het gewone leven dat tot nader order tot in de eeuwigheid zou duren.

De volgende dag was zijn nek dikker, de koorts was veranderd in een gelijkmatige bedwelming die hem bevrijd had van zijn belangstelling voor de normale gang van zaken in het dagelijks leven. Het was half negen, hij belde zijn eigen dokter. Kom maar langs, tussen een en half twee, zei die. Dat was over vier uur. Hij ging op de bank liggen, zijn gezicht naar het raam gekeerd, en begon naar de wolken te kijken.

Een gezond mens heeft veel of weinig tijd: dat wordt bepaald door het gestelde doel en het tijdstip waarop dat bereikt moet zijn. Als men 'veel tijd' heeft, of 'weinig' gaat men uit van de veronderstelling dat men - het toeval daargelaten - volstrekte zeggenschap heeft over zichzelf. Iedere eenheid van tijd heeft haar waarde: hoe dichter het doel is genaderd terwijl men nog veel 'te doen' heeft, des te kostbaarder de minuten en ten slotte de seconden. Een van de eigenschappen waaraan men de gezonde mens herkent is, dat hij haast kan hebben.

De zieke die door zijn kwaal is overmeesterd - dus niet eraan lijdt maar erdoor wordt beheerst - heeft deze zeggenschap over zijn eigen tijd niet meer. Zijn ziekte is zijn dictator die hem de persoonlijke waardering van zijn tijd (en natuurlijk nog veel meer dingen) heeft afgenomen. De ziekte als dictator gebruikt de tijd zonder aanzien der seconden, kent geen vroeger of later, heeft geen haast, is autonoom. Verbaasd, passief-nieuwsgierig of gelaten legt de zieke zich bij deze toestand neer.

Na vier uur naar de wolken te hebben gekeken, stond hij op, trok zijn jas aan en liep naar zijn dokter. Over 'vervreemding' is veel geschreven zonder dat de lezer van dat alles de overtuiging krijgt dat de auteurs het met hun definities of fenomenologische precisie-grepen bij het rechte eind hebben. Vervreemd zijn is: zich op de verkeerde tijd in de verkeerde toestand op de verkeerde plaats bevinden. Spijbelaars, overspeligen en onlangs gepensioneerden zijn helden van de vervreemding. Ze zijn dissonant in hun decor. Het decor is niet alleen de achtergrond die de held zijn relief verleent. De achtergrond maakt ook voortdurend deel uit van zijn innerlijk beeld waarop hij zichzelf ziet als geheel met zijn decor, zodanig dat het decor tot zijn persoonlijkheid hoort. Vervreemd zijn is ook: op een koude heldere najaarsdag met koorts, de kraag van de jas op om een sterk verdikte nek te verbergen, vroeg in de middag op weg te zijn naar het spreekuur van de dokter.

De dokter kneep in zijn nek. Ja, zei hij, het is hard en dik. Het lijkt me dat die kies eruit moet. Zal ik de tandarts voor je bellen?

Ja.

Hij liep naar de tandarts. De naald van de verdoving, de tang, een zacht gekraak. Geklemd in de tang werd zijn kies in zijn blikveld gehouden, een bloederig stompje afgeleefd gebit. Hij keek zonder belangstelling.

De hoogste tijd was het, zei de tandarts.

Jaja.

Hij liep naar huis; een gat in zijn kaak, door een tampon gedempt. De nazorg werd voorlopig aan de patient overgelaten. Voor hij naar bed ging verwisselde hij de tampon en slikte de wonderpil. Penicilline had al miljoenen het leven gered. Morgen zou hij wakker worden en weer beginnen waar hij drie dagen geleden was gebleven.

Om een uur of vier moest hij eruit, keek in de spiegel van de wc en zag dat hij een onderkin had gekregen die tot zijn adamsappel reikte. Hij drukte erop: hard. Hij dronk een glas water: dat deed pijn. Hij nam een aspirine. Meer pijn. Hij verslikte zich in het laatste korreltje en brak uit in een hoestbui die hem het gevoel gaf dat zijn onderkaak uit elkaar scheurde. Het gaat niet goed, mompelde hij toen hij weer onder de dekens lag. Nog vier uur.

's Ochtends had de onderkin zich verder ontwikkeld tot een ei-vormig aangroeisel dat meteen onder zijn kin begon en bij betasten een zelfstandige indruk maakte. Hij kon zijn mond niet meer ver genoeg open doen om er een beschuit door te schuiven. Vloeibaar voedsel, melk, yoghurt. Hij belde zijn dokter, keek vier uur liggend naar de wolken en meldde zich op het spreekuur. De dokter ging recht voor hem staan, betastte het ei en zei: Het is hard. Ik zal de kaakchirurg bellen.

Ja.

De kaakchirurg kon hem de volgende dag om twaalf uur in het ziekenhuis ontvangen. Behalve om op bezoek te gaan had hij de laatste twintig jaar geen ziekenhuis betreden. Een mijlpaal. In het etmaal voor de ontmoeting met de kaakchirurg nam het ei niet in omvang maar wel in hardheid toe. Het ontwikkelde zich tot een onafhankelijk iets dat binnen zijn vel zich een plaats had veroverd en daar deed wat het wilde.

Niet bekend

De gevaren van buiten zijn nog niet verslagen maar de vijand is herkend en wordt bestreden. Vervuilers worden veroordeeld en gaan achter slot en grendel, gifbelten worden opgeruimd, gevaarlijke hondenrassen tot uitsterven gedwongen, waanzinnige automobilisten met spreuken van de overheid tot beter inzicht gebracht, de koude oorlog is afgelopen en het risico van de atoomdood bestaat niet meer. In de buitenwereld is de Verlichting in opmars.

Maar geen beschaving zonder bijgeloof. In ons eigen organisme ontstaan nieuwe vatbaarheden; in andere werelddelen zijn onbekende besmettelijke ziekten in ontwikkeling, men ziet films waarop astrale wezens hun eieren leggen in de mens die aan de ontembare parasiet ten onder gaat.

De kaakchirurg was een kleine man met een montere oogopslag en vastberaden bewegingen. Hij betastte het ei. Het is hard, zei hij. We zullen het eens nader bekijken. Hij leidde hem naar een kamer vol Japanse apparatuur en twee beeldschermen, besmeerde wat hij 'de zwelling' noemde met een soort gelei en begon de oppervlakte af te tasten met een instrument dat geluidsgolven uitzond en weer ontving. Op het scherm ontstond een beeld van een maanlandschap, met donkere putten en bergachtige formaties, met dit verschil dat alles in lichte beweging was.

Het is niet een geheel. We gaan er nog niet in snijden, zei de kaakchirurg. Hij schreef een recept voor een grote hoeveelheid antibiotica. Die avond stapte de patient in bed vervuld van nieuwe hoop: half herboren zou hij ontwaken en een etmaal later helemaal herboren.

De volgende dagen gingen voornamelijk heen met de bestude ring van het ei. Gaandeweg ontwikkelde hij daarvoor bepaalde methoden: de visuele met behulp van spiegels en vaste punten op de muur, de tastende met zijn vingertoppen en de inwendige waarbij hij de voortgang van de belemmeringen in de omgeving binnen zijn huid noteerde. Een en ander leidde hem tot de conclusie dat hij door zijn ei langzaam werd gesloopt. In de tijd die hij niet aan zelfstudie besteedde, keek hij naar buiten, naar de boomtoppen en de wolken en niet naar de huizen, zich zodoende verzekerend van de illusie dat hij zich in een zeer ruime wereld bevond.

Hij verveelde zich niet; het nieuwe leven had hem van minuut tot minuut in beslag genomen. Maar op de derde dag werd deze nieuwe regelmaat verstoord. Boven zijn adamsappel ontwikkelde het ei een puntige formatie die in de groei een kleur tussen groen en geel aannam. Hij belde de kaakchirurg. Misschien moeten we er in snijden, zei deze. Kom morgen om twaalf uur. Morgen!

Na dit gesprek werd hij voor het eerst sinds hoe lang geleden in beslag genomen door zijn oude tijdsbesef. Het was natuurlijk niet zo met hem gesteld geweest dat hij zijn ei had gezien als een toevoegsel dat hij tot zijn laatste snik met zich mee zou moeten dragen, maar hij had ook gemerkt dat zijn voorstellingsvermogen niet toereikend was om zich een overtuigend beeld van een andere oplossing te vormen. Het woord 'snijden' had plotseling een illusie doen ontstaan, het vooruitzicht op een leven met onbeperkte bewegingsvrijheid. De uren die hem van de afspraak scheidden, verliepen zeer traag.

De kaakchirurg zag er zo betrouwbaar uit als hij zich een kaakchirurg kon wensen. Hij had een lange groene jas aan, een groen kapje op en een masker voor zijn neus en mond. Twee assistenten droegen gereedschappen aan. Er heerste een toegewijde drukte in de operatiekamer. De geneesheer praatte onverstaanbaar in zichzelf.

Er werd een groene lap met een gat over zijn gezicht gelegd; het gat precies boven het ei. Hij hoorde de kaakchirurg bevelen geven: verdoving, scalpel, verband, scalpel. Daar voltrok zich de verlossing van het kwaad. Het ging anders dan hij zich had voorgesteld. Het kwaad sprong niet met een dikke straal tevoorschijn. Hij voelde hoe het langzaam langs zijn nek liep en werd opgedept. Hij had het willen zien. Het bleef onzichtbaar. Terwijl het verdween, verspreidde zich de zoete stank van de vergankelijkheid en drong door tot diep in zijn neus.

    • S. Montag
    • Overpeizingen 570