Belaste kerken

Bij de Hoge Raad is deze week een interessante procedure aangemeld over de belastingheffing van kerkgebouwen. Het intrigerende van de procedure is dat de rechter wordt uitgedaagd tot een oordeel op het terrein van de godsdienstuitoefening; een gebied waar hij zich liever verre van houdt.

In de afgelopen jaren heeft het de rechterlijke macht al veel hoofdbrekens gekost om op een nette manier de Satanskerk uit te sluiten van de fiscale privileges die kerkgenootschappen genieten. Bij de Satanskerk kwam het er vooral op aan een quasi-kerkgenootschap dat voor iedereen herkenbaar was als seksclub ook juridisch te ontmaskeren. Maar de rechtsvragen die nu voorliggen, gaan over de fiscaaljuridische kwalificatie van onderdelen van de roomskatholieke en protestantse eredienst.

De Gemeentewet bepaalt dat gebouwen die 'in hoofdzaak zijn bestemd voor de openbare eredienst' vrijstelling genieten van de onroerend-goedbelasting. De rechter die deze bepaling moet hanteren zal van de religieuze activiteiten van het betrokken kerkgenootschap moeten nagaan of zij tot de openbare eredienst behoren of niet.

Hoe zit het met koorrepetities, catechesatie, kerkelijk jeugdwerk en vergaderingen van de kerkeraad? Dat zijn geen onderdelen van de openbare eredienst, zo oordeelde de Haagse belastingrechter onlangs. Hij ontsnapte aan de vraag of bijvoorbeeld de biecht of de apologie als onderdelen van de eredienst moeten worden beschouwd. Ook werd hem de vraag bespaard of de kindercreche tijdens de zondagse kerkdienst tot een onderdeel van de dienst zou moeten worden bestempeld. In de toekomst zullen deze vragen zeker opkomen. Na aldus het religieuze kaf van het koren te hebben gescheiden, werd de inhoud van de betrokken ruimten bepaald. In de genoemde procedure bleek toen dat 57 procent daarvan voor de openbare eredienst in gebruik was. Bij dit artikel interpreteert men de de term 'hoofdzakelijk' als voor 60 procent. Het kerkgebouw viel dus net in de belastingheffing.

De betrokken kerk kan de oplossing van het probleem vinden door een van de bijzaaltjes in het kerkgebouw te bestemmen voor kleine kerkdiensten. Men komt dan net boven de 60 procent uit. Het is ondertussen wel bizar dat de belastingwetgeving niet alleen multinationals maar ook kerkbesturen op het pad zet van dit soort oneigenlijke opzetjes.

Voorlopig bewandelt het betrokken kerkbestuur (ook) een andere weg; het legt de zaak voor aan de Hoge Raad, onze hoogste belastingrechter. Het argument van het bestuur is dat de bestemming van een kerkgebouw een duurzame aangelegenheid is die niet jaar na jaar met een meetlat kan worden bepaald. Wie naar het gebouw kijkt, ziet in een oogopslag dat het voor de eredienst is gebouwd.

Om welk belastingbedrag het in de betrokken procedure gaat, is niet onthuld. Vermoedelijk gaat het om circa 5000 gulden per jaar. Totdat de Hoge Raad het laatste woord heeft gesproken, lopen alle multifunctionele kerkgebouwen in Nederland gevaar zulke belastingaanslagen te krijgen. Op voorhand lijken alleen de grote eeuwenoude kerkgebouwen zonder meer buiten schot te blijven omdat die evident voor de eredienst bestemd zijn.

Een rondvraag bij een aantal gemeenten leert dat er niet een is die de mogelijkheden om kerkgebouwen te belasten al benut. Wil men deze inkomstenbron aanboren, dan zullen de aanslagen het hoogst zijn in gemeenten die onroerend-goedbelasting heffen naar de zogenaamde oppervlaktemaatstaf. De meeste gemeenten binnenkort alle heffen belasting naar de waarde die de gebouwen hebben. In alle situaties is een onbevredigend aspect van het geheel dat het door de ongelukkige formulering in de Gemeentewet om een 'alles-of-niets-spel' gaat. Een kerkgebouw valt in zijn geheel binnen of buiten de onroerendgoedbelasting. Een meer genuanceerde situatie zou ontstaan als de wetgever kiest voor het vrijstellen van een kerkgebouw voor zover dat voor de eredienst wordt gebruikt. De beste oplossing zou nog zijn dat de belastingdienst van de hier anoniem gebleven gemeente de betrokken kerk die met slechts drie magere procentjes van de vrijstelling verwijderd is niet met het heilige vuur voor de kadi sleept.

    • Aertjan Grotenhuis