ALBANIE: GEEN SEKS, GEEN DRUGS, GEEN ROCK 'N ROLL

Over communistisch Albanie bestaat weinig ongekleurde lectuur. Je hebt de vaak lyri sche druksels van eerlijke of minder eerlijke stalinisten, die in de kleine Balkanstaat het paradijs menen, of wellicht meenden, te herkennen. Daar staan de werken tegenover van gevluchte Albanezen en hun verdedigers, die vooral het eigen politiek of etnisch gelijk nastreven. De beide categorieen geven maar een heel beperkt beeld van de werkelijkheid.

Mede daarom is het dit jaar verschenen boek van Elisabeth en Jean-Paul Champseix zeer welkom. Van 1982 tot 1988 beschikten zij, als lectoren Frans aan de universiteit van Tirana, over een uitstekende observatiepost. Zij kennen Albanees en zij hebben, met enige moeite weliswaar, het hele land kunnen bereizen. Hun nieuwsgierigheid werd in de hand gewerkt door een outcast-syndroom: zij hoorden vanwege hun gemis aan diplomatieke status niet echt thuis in de gemeenschap van minder dan driehonderd buitenlanders die in Albanie vertoeven. De Champseix waren voor hun sociale contacten dus haast volledig op autochtonen aangewezen. Dat gaf hen blijkbaar de aansporing een ontdekkingstocht te beginnen die nooit eerder was ondernomen, ook niet door journalisten.

Tot voor kort kwam de pers slechts bij wijze van hoge uitzondering het land in. Dat heb ik in het begin van de jaren zeventig zelf mogen ondervinden. Twee keer werd mijn aanvraag voor deelname aan een georganiseerde studiereis van twee weken afgewezen. Het verluidde dat aan journalisten nooit een toeristenvisum werd verstrekt. De procedure en selectie waren voor medialui heel anders, namelijk veel strenger. Zelfs mijn geheel opportunische lidmaatschap van 'De Vrienden van het nieuwe Albanie' een conditio sine qua non mocht niet baten. Dat het de derde keer toch lukte, is vermoedelijk uitsluitend te danken aan de voorzitter van de vereniging, die besefte dat hij in lengte van dagen met mijn hernieuwde aanvraag zou worden geconfronteerd, waardoor de interne discussie tussen voor- en tegenstanders van 'de journalistieke vrijheid' behoorlijk uit de hand dreigde te lopen.

Zo beschikte ik bij het lezen van dit boek over enig vergelijkingsmateriaal. Sommige zaken hebben bij de auteurs blijkbaar een minder pregnante indruk nagelaten dan bij mij zelf. Bijvoorbeeld de hallucinante entree van het land: onbeschroomde nieuwsgierigheid van de wachters bij de laatste Joegoslavische grenspost; de voettocht door het uitgestorven no man's land; het hek met de gewapende Albanese militairen, stuk voor stuk types waarbij de figuranten uit een verfilming van John Le Carre verbleken; de tweekoppige adelaar die als een danteske waarschuwing boven de ingang hangt.

WASBEURT

In mijn geval deden zich nog wat vestimentaire verwikkelingen voor. Mijn jeans werd, vanwege de toen gangbare brede broekspijpen als al te modieus en dus decadent ervaren. Het kledingstuk diende te worden verruild voor een 'jeans' local brand, een blauwe werkmansbroek die als een vod om mijn middel hing en die bij de eerste wasbeurt een volle tien centimeter bleek te zijn gekrompen. Ik had thuis, op bevel van de Vrienden, mijn lange haar en baard al af laten scheren. Dat bleek niet te volstaan. Ook mijn snor, die vanwege haar lengte de ideologische normen overtrad, moest worden gefatsoeneerd. Dat gebeurde met zachte dwang in een kapperszaak die een annex van de grenspost vormde. Ik moest er nog voor betalen ook.

' In Albanie mag je alleen opvallen in ijver voor het marxisme-leninisme en zijn grote leider Enver Hoxha, ' vatten de Champseix dit soort belevenissen samen. Onze koffers werden in ieder geval nauwgezet onderzocht op schadelijk geachte lectuur. Een reisgenoot zag zijn exemplaar van het Vlaamse weekblad Humo geconfisqueerd, omdat het op de cover de beeltenis droeg van de Spaanse communistenleider en 'revisionist' Santiago Carillo. Al die onprettige ervaringen, zo leer ik uit het boek, kunnen moeiteloos worden ondergebracht in de sektor Klein Leed.

Ik vond vijftien jaar geleden al dat onze officiele gidsen toch wel bijzonder schichtig deden, in acht genomen dat wij een selecte verzameling 'Vrienden' vormden. Ik lees nu wat meer over de sociale contacten, of beter het gebrek eraan. Het is Albanezen niet toegestaan in hun eentje met buitenlanders te praten. De aanwezigheid van een 'chaperon' moet burgers behoeden voor ideologische ontsporingen en het verklappen van staatsgeheimen. Studenten worden bijvoorbeeld streng in de gaten gehouden door de 'rode maagden', zoals de auteurs spottend schrijven. Het zijn jonge vrouwen die geschoold werden in het bewaken, bijspijkeren en terechtwijzen van collega's die wat al te openlijk een afwijkende mening kenbaar maken, in woord of daad.

En afwijkend is ongeveer elke eigen mening. Verbaal geweld is daarbij heel gewoon, ook in de Flete Rufe, de bliksemblaadjes. Deze pamfletten, met ongezouten kritiek op het gezag van een persoon of groep, worden door de ijveraars van Hoxha op openbare plaatsen uitgehangen. Ik kreeg ze altijd ongevraagd te zien in een school of bedrijf, met de toevoeging dat er ook kritiek op de leiding was. Dan werden we meegetroond naar het prikbord, daarop prijkten deze muurkranten. Wel bleef de vertaling altijd aan de vage kant. Nu verneem ik dat het pure terreur was, laster die niet zelden gevolgd wordt door broodroof, of erger. Gewone brieven worden in Albanie haast niet geschreven. Er hangen nergens postbussen en de brievenbesteller hoort niet bij het straatbeeld. In heel het land is maar een model telefoon te krijgen, een waarbij de afluisterapparatuur is ingebouwd. Geen wonder dat de schrik er goed in zit. Tijdens hun zesjarig verblijf zijn de schrijvers van dit boek nooit ergens op visite gevraagd. Zelf kregen ze, ondanks hun herhaalde invitaties, nooit iemand op bezoek. Veel te gevaarlijk, nog dezelfde avond ben je gesignaleerd.

ZELOTEN

De minste straf die je dan te wachten staat is de verplichte zelfkritiek. Noem het een biecht in het openbaar, veelal van zonden die nooit werden begaan. Ik was meegereisd met een groep Belgische maoisten. Althans, bij nader inzien bleek de groep te bestaan uit drie verschillende soorten zeloten van de Grote Roerganger. Ze wedijverden met elkaar in het toedekken van de Albanese werkelijkheid, voor mij en voor zichzelf. Zo was de regel ingevoerd dat per dag slechts een persoon vragen mocht stellen aan de woordvoerders van de diverse sociale geledingen die we bezochten.

De vragensteller werd de avond tevoren door een soort volksvergadering aangewezen, samen met de vragen zelf. Na een week was ik nog steeds niet tot interviewer gepromoveerd, en het zag er naar uit dat mijn kandidatuur systematisch terzijde werd geschoven. We bezochten een groot collectief landbouwbedrijf. Het ontvangstcomite verschafte deskundige uitleg. Volgens het lopende vijfjarenplan zou de produktie van aardappelen en katoen met tweehonderdtwintig procent stijgen, het aantal baby's met vijfenzeventig procent en het traktorenbestand zou worden vertienvoudigd. Geen kip bleef onbesproken, geen lek verborgen, het bruto nationaal produkt werd voor ons toegelicht tot op zeven cijfers na de komma.

Ik vroeg hoeveel mensen in dit stadje lid waren van de communistische partij. Er viel een betekenisvolle stilte. Dit was duidelijk een foute vraag, gesteld door de verkeerde persoon. Naast en voor me steeg het afkeurend gemompel van mijn landgenoten op. Vanachter de tafel in de grote vergaderzaal kwam het antwoord: ' Dat weten we niet.' Nonsens, riep ik terug. In mijn dissidentie werd ik gestijfd door een verbeten kaaksbeenkramp vanwege een week lang de kiezen op elkaar gehouden. Na enkele minuten van volslagen verwarring volgde intern beraad. Herhaaldelijk kon ik het woord journalist opvangen. Er kwam zowaar een cijfer uitgerold: vijfentwintig procent.

Dat vond ik redelijk hoog, maar uit het boek van de Champseix blijkt dat ik ronduit belazerd werd. Volgens de jongst beschikbare cijfers bedraagt het percentage partijleden in het hele land minder dan vijf procent. Ik begrijp nu ook wat ze verborgen wilden houden, namelijk het absoluut elitaire karakter van de CP. In de Sovjet-Unie is het onderscheid tussen partij en staat minimaal, maar in Alabanie is het nonexistent. De partij is het bestuur. Dat staat zo in artikel 3 van de grondwet. De partij van de Arbeid is de enige leidinggevende macht van staat en maatschappij'. Minder nog dan in andere dictaturen kan hier sprake zijn van 'het souvereine volk'. Het politbureau is de Olympus. De partijbonzen leven in luxe in een heuse Verboden Stad en hebben geen enkel contact met het plebs dat zich aan hun voeten beweegt. Om de grote groep gesloten te houden heeft zich niet, zoals in andere Oostlanden een nomenklatura ontwikkeld, nee, in Albanie worden kaders op een puur nepotistische wijze 'gekozen'. Volk nodig? Je trekt gewoon een nieuw blik grootooms en achterneven open. De Rode Aristocratie, noemen de auteurs het ironisch.

GESCHIEDVERVALSING

Deze ironie is in het hele boek aanwezig. Ze is niet zwaar op de hand, het wordt nooit lukraak schelden. In elke zin worden feiten aangedragen. Toch is 57 Boulevard Staline ook weer geen encyclopedie of vraagbaak geworden. De feiten worden steeds geanalyseerd en in een kontekst geplaatst. Zo is er bijvoorbeeld veel aandacht voor de geschiedvervalsing en het daarbij horende identiteitsverlies, twee aspecten die grotendeels de lijdzaamheid verklaren waarmee drie miljoen Albanezen zich nu al veertig jaar lang onderwerpen aan een corrupt en uitgehold systeem, waarin de eredienst van Enver Hoxha nog steeds centraal staat.

Met zijn krap driehonderd pagina's bestrijkt het boek merkwaardig veel facetten van de Albanese samenleving. Zoveel zelfs dat men rustig van een gedegen monografie kan spreken. De situatie van etnische minderheden als Grieken en zigeuners; het vreugdeloze atheisme; de verkapte hongersnood; de breuk met Joegoslavie, de Sovjet-Unie en tenslotte China; de alomaanwezigheid van de Sigurimi; Kosovo; de Christa Wolf-achtige situatie van succesauteur Kadare; het verpauperde seksleven; je krijgt de (ongetwijfeld valse) indruk dat elk kantje van deze samenleving is belicht.

Neem nu het seksleven. De klassieke communistische pudeur is in Albanie welhaast fundamentalistisch te noemen. Natuurlijk wordt de homofiele medemens op het rechte pad gezet; maar tien jaar strafkamp is toch wel een heel drastische therapie. Contraceptie en abortus zijn verboden. Overspel wordt bij de wet beteugeld en dan denk je al gauw dat de vrouw wel zwaarder zal worden gestraft dan de man. Zo is het maar net. De grenzen van de taboes zijn verlegd. Op het platteland wordt de hoofdstad als een oord des verderfs ervaren. Oudere mensen waren geschokt toen ze vernamen dat niet het losbollige Italie, maar de eigen zender Tirana De drie musketiers op het publiek had losgelaten. Die film bevat een paar scenes waarin wat ouderwets geknuffeld wordt.

Ook culinair gesproken blijven de Albanezen aangewezen op hun honger. Ongeveer alle voedingswaren zijn op de bon of worden minder dan mondjesmaat aangevoerd of ontbreken geheel. De Champseix arriveerden in de herfst van 1982. Na enkele dagen viel het hun op dat in heel de hoofdstad geen zangvogel te bekennen was. Grappend vroegen ze enkele collega's of ze het vogelbestand misschien hadden verorberd. Grimmige zwijgzaamheid. Enige tijd later stelden ze de vraag anders: hoe maken jullie vogel klaar? Gebraden in de pan, luidde het prompte antwoord.

VROLIJKHEID

Niet enkel de Italiaanse, maar ook de Joegoslavische en de Griekse televisie worden druk bekeken. Merkwaardig genoeg leidt dit niet tot een betere kennis van de Umwelt. In 1984 geloofden studenten van de universiteit steevast dat de Griekse kolonels nog steeds aan de macht waren. In Albanie woont een Griekse minderheid die naar schatting van de auteurs tussen de vijftig-en de honderdvijftigduizend mensen telt. Anders dan je zou verwachten, wordt deze minderheid heel voorkomend behandeld. Ze heeft eigen dorpen, die onmiddellijk te herkennen zijn aan de netheid en de vrolijkheid die er heersen. Er wordt onderwijs in het Grieks verschaft en het scheelt geen haar of in het atheistisch paradijs worden weer orthodoxe kerkdiensten gehouden. De Albanese leiders hebben de Griekse 'monarcho-fascisten' altijd meer gevreesd dan de Joegoslavische Titoisten. Toch is er de afgelopen jaren een spectaculaire toenadering met Athene tot stand gekomen. De dooi is wederzijds. Papandreou heeft bij gelegenheid zelfs de lof van Albanie gezongen, Melina Mercouri is er op bezoek geweest. De verslechtering van de relaties met Joegoslavie, naar aanleiding van Kosovo, is zeker niet vreemd aan de plotse vriendschap met het Griekse broedervolk.

Er staan geen foto's in dit boek. Het is ook bijzonder moeilijk fotograferen in dit land van schuwe mensen, waarin elke verdorde heg als een staatsgeheim wordt beschouwd. ' Het beroemdste cliche is 'de groepsfoto van leraars en leerlingen van het lyceum te Gjirokaster' (waar Hoxha school ging - JC). De eersten zitten, de tweeden staan achter hen opgesteld. Er ontbreken ten minste twee leerlingen, zij zijn vervangen door getekende bakstenen. Uit verstrooidheid of nalatigheid heeft de censor vergeten de voeten weg te halen, waarvan het aantal dus merkelijk te hoog ligt.' Champseix weet er niet bij te vertellen wat het lot van de censor was.

Na twee weken verblijf werd onze eigen uittocht indertijd ernstig gehinderd door een vriendin die weigerde haar filmrolletje in te leveren. Ze zou militaire doelwitten hebben gefotografeerd. Bij nader inzien bleek ze te zijn 'ontmaskerd' door een lid van onze eigen groep. Hij was erachter gekomen dat zij sympathieen had voor de 'sociaal-fascisten' in Moskou. Het werkt dus snel, de paranoia als middel tot machtshandhaving.

Jef Coeck is journalist; 57 Boulevard Staline. Chroniques albanaises door Elisabeth en Jean-Paul Champseix (312 blz., La Decouverte 1990, f53,75 ISBN 2707119393