Zo fijn besnaard als heer Bommel

Remco Campert: Gouden dagen. Een vertelling. Uitg. De Bezige Bij, 131 blz. Prijs: fl. 24,50. Remco Campert is een fortuinlijke schrijver. Er zijn maar weinig schrijvers die zich in zoveel aangename respons mogen verheugen. Hij is niet alleen geliefd bij veel gewone, maar ook bij de meeste beroepslezers, en dat al vanaf het begin van zijn literaire loopbaan. Bovendien werd hij winnaar van de P. C. Hooftprijs in 1979 een paar jaar geleden als enige man onvoorwaardelijk toegelaten tot de door de Anna Bijns Stichting ingestelde vrouwelijke canon in de Nederlandse literatuur. Iedereen houdt, kortom, van Remco Campert.

Waaraan dankt hij zijn onweerstaanbaarheid? Het mag wat prozaisch klinken en misschien onbedoeld ook wat oneerbiedig, maar ik denk dat zijn werk vooral wordt gewaardeerd, omdat het zo weinig opruiend, zo on- of zelfs antirevolutionair is. Het is niet experimenteel en dus altijd eenvoudig te volgen. Het is mooi, want goed en helder geschreven. Het is lichtvoetig en dus niet bezwarend voor het geweten of het gemoed. Het is geestig en men hoeft niet bang te zijn voor een hinderlijke boodschap of een stichtend woord. Ik denk dat Campert appelleert aan een bij veel mensen levend gevoel dat het geen zin heeft om zich met man en macht tegen 'het leven', 'de wereld' of 'de gevestigde orde' te verzetten, maar dat men moet roeien met de riemen die men toevallig heeft.

Zijn oeuvre getuigt dan ook niet van overmoed, maar van gepaste bescheidenheid. De enige zekerheid die eruit spreekt is die van de macht van de verbeelding. Campert weet de wereld, hoe leeg, beangstigend, akelig en teleurstellend vaak ook, zo te beschrijven, dat er troost geput en behagen geschept kan worden uit alledaagse belevenissen, incidenten en ontmoetingen. Onder dat alledaagse kan nog heel wat onalledaagsheid schuil gaan, zoals vooral uit zijn krantencolumns blijkt, gebundeld in Tot zoens (1986), Eetlezen (1988) en Graag gedaan (1990). Als we hem mogen geloven, dan is er maar weinig voor nodig om kroegbezoekers, supermarktklanten, vakantiegangers en familieleden hun geremdheid en daarmee hun fatsoen te doen verliezen en zichover te geven aan zang, dans, drank of messetrekkerij.

Op de ongeremdheid van zijn personages legt Campert in het algemeen niet de nadruk. De afwijking van de norm wordt genoemd of gesuggereerd, waarna meestal het gewone leven zich herneemt. Zo besteedde hij bij voorbeeld in Somberman's actie (1985) veel meer aandacht aan de lethargie, de onzekerheid en het minderwaardigheidsgevoel van Somberman, een werkloze kantoorbediende, dan aan zijn anti-burgerlijke actie, een vergeefse actie bovendien. Het enige dat de ongelukkige Somberman nog overblijft zijn de goede herinneringen aan de weekeinden die hij als jongetje met zijn ouders in een vakantiehuisje doorbracht. Dat zijn nog steeds zijn enige 'gouden dagen', de dagen waarin hij gekoesterd werd en greep had op het leven.

Gouden dagen, Camperts nieuwe boek, lijkt een regelrechte tegenhanger van Somberman's actie, als zonneschijn na regen. Het is voor de verandering niet de wereld van tobbers, verongelijkten, werklozen, arme sloebers en andere kinderen van de rekening, die Campert ons toont, maar die van de welgestelden, de opdrachtgevers, de cultuurdragers. De naamloze memoiresschrijver die in Gouden dagen aan het woord wordt gelaten, is een buitengewoon gelukkig man uit een gegoed milieu, die bedaard kan toezien hoe zijn opa een 'oude kromgebogen knecht die niet meer voldeed, maar dat weigerde in te zien' op een kruiwagen laadt en hem in de berm buiten zijn landgoed deponeert, 'zaken die niemand plezier deden, maar die nu eenmaal moesten gebeuren.' Ook binnen zijn welvarende kaste is deze autobiograaf een buitenbeentje met zijn immer zonnige humeur en zijn onbedaarlijke plezier in het leven.

Het is eigenlijk een onmogelijke figuur die Campert geschapen heeft, een schrijver die niet schrijft uit artistieke overwegingen, maar eenvoudig omdat hij er 'vreugdevolle arbeid' in ziet en die er flink op los babbelt over zijn leven, zijn meisje Monique, zijn ouders, zijn kunstenaarsvrienden en zijn vele projecten.

Landhuizen

Gouden dagen is een gedurfde onderneming, of laat ik zeggen een gedurfd onderneminkje, want het verhaal heeft een bescheiden lengte. Campert stelt zijn trouwe lezers enigszins op de proef, want zijn memoiresschrijver is breedvoeriger, archaischer, sentimenteler en heel wat meer geneigd tot het noteren van cliches dan wij van Campert gewend zijn. De wereld die wordt opgeroepen is er een van oude landhuizen en 'contreien', van 'het koele lommer van hoge beuken' en prive-chauffeurs, van door klimrozen 'omrankte' voordeuren en trouwe bedienden. Een wereld die niet moet worden verward met de volkse wereld van winkelende vrouwen met 'bolle, verongelijkte toeten', die manden dragen 'waaruit preien, vissekoppen en breinaalden steken.'

Zo autonoom is de memoiresschrijver trouwens niet, of er valt wel iets van Camperts ideeengoed terug te vinden, zoals de aansporing aan de mensheid in Eetlezen om de voortplanting maar eens te staken. In de verfijnde wereld van de autobiograaf passen geen platvloerse handelingen, zodat er in zijn visie geen kinderen verwekt en dus ook niet gebaard worden. Als er een enkele keer toch een 'ziekte van zwangerschap' wordt geconstateerd, dan wordt het 'abces' operatief verwijderd. Kinderen (van uiteenlopende leeftijd) worden eenvoudig gevonden door hun ouders, in Parijs, in de ruines van een afgebrand huis in Oost-Europa of in een theater in New York.

Gouden dagen doet, door zijn sprookjesachtige allure, soms enigszins denken aan Wolf, de merkwaardige avonturenroman van Reve. Maar veel meer nog doet de figuur van de zondagsschrijver denken aan die andere heer van stand: Olivier B. Bommel, die net zo fijnbesnaard is en even huiverig voor het grofstoffelijke. Ook hebben zij gemeen dat zij, helaas, iets minder slim zijn dan hun geestelijke vaders, zodat zij er weleens tussen worden genomen.

Wie goed oplet en niet te snel heenleest over het verhullende gekakel van de autobiograaf, komt er namelijk achter dat bijna geen enkele van zijn veelbelovende projecten tot een goed einde is gebracht en dat het leven waarop hij terugkijkt waarschijnlijk nuttelozer en vergeefser is geweest, dan hij wel wil geloven. De vliegende brommer, een grootscheeps vredesinitiatief, de grootste klok ter wereld, een vaste oeververbinding tussen Dover en Calais, de wetenschappelijke expeditie naar de Afrikaanse Toeboeloes, al deze grootse plannen blijven steken in goede bedoelingen. Het enige project dat wel is geslaagd, is ironisch genoeg een konijnenfokkerij, met een natuurlijke aanwas van honderdduizend konijnen per week.