We hoeven ons hier niet meer te schamen; Gesprek met de Zuidafrikaanse schrijfster Nadine Gordimer

Dat kunst heel veel kan betekenen voor de toekomst van Zuid-Afrika gelooft de schrijfster Nadine Gordimer niet. Maar schrijvers kunnen wel bijdragen aan een nieuwe manier van denken. 'In een boek komen de valsheid en tegenstrijdigheden van een samenleving boven drijven.'

Na een verblijf in Europa keerde Nadine Gordimer terug naar het roerige Johannesburg, waar ze midden in het voortdurende gonzen van geruchten en meningen rond de liefdesaffaire van Alan Boesak ('hij had in elk geval het fatsoen kunnen opbrengen om zich niet te laten betrappen') belandde. In haar enorme tuin is niets te merken van onrust. Maar naarmate de wijken stiller, groener en luxer worden, stijgen de muren en worden de hekken steeds zwaarder, met bordjes die waarschuwen voor honden, burgerwacht, computer gestuurde alarmsystemen en gewapende nachtwakers.

Gordimer is optimistisch gestemd. Na een heel leven vechten voor verandering, als schrijfster en als activiste, geniet ze verdiend van de eerste overwinningen. Niet alleen in de politiek vinden er allerlei veranderingen en verschuivingen plaats. In Zuid-Afrika beinvloeden samenleving en cultuur elkaar in sterke mate. Daarom wordt er veel aandacht besteed aan het formuleren van een nationale (dat wil zeggen: zonder onderscheid tussen ras of klasse) identiteit en cultuur. Hoewel sommigen daar anders over denken, is Gordimer sceptisch over de mogelijkheden van de literatuur op dit gebied. 'Met name in een land als Zuid-Afrika, waar nog steeds het grootste deel van de bevolking geen boeken leest of kan lezen, zal een 'nationale literatuur' heel moeilijk te verwezenlijken zijn. Als er al gesproken kan worden van een nationale cultuur, dan moet dat een cultuur zijn die grotendeels voort komt uitde zwarte bevolking. En die legt de nadruk op andere kunstvormen dan literatuur; muziek, dans, vertelkunst, en alle artistieke uitingen die aan het dagelijks leven van de mensen zijn verbonden. Wat wel mogelijk is, en waar veel over gesproken wordt, maar te weinig wordt gedaan, is het schrijven in Afrikaanse talen. Totdat er op grotere schaal in Afrikaanse talen gepubliceerd wordt en er een publiek is dat deze boeken koopt en leest en leent van de bibliotheken, kun je eigenlijk helemaal niet spreken van een nationale literatuur.

'Men hoopt dat er een soort kruisbestuiving kan gaan plaats vinden in brede reculturele zin. In het theater is dat al aan het gebeuren. Toen zwarte mensen hun eigen toneelstukken begonnen te schrijven en op te voeren, voerden ze een nieuwe acteerstijl in, die door de uit Europa overgenomen toneelconventies heen brak. In stukken waar blank en zwart samen speelden, was het interessant te zien hoe de blanken beinvloed werden door deze minder ingehouden stijl van acteren, hoe ze meer gebruik gingen maken van lichaamstaal en zang en dans. Ze blijven nog steeds blank; ze zijn nog steeds beinvloed door mensen als Pinter en Beckett, maar het vindt zijn synthese in wat je 'nieuw Zuidafrikaans toneel' zou kunnen noemen; onderdeel van een echt nieuwe cultuur, omdat niemand de waarde ontkent van wat uit Europa afkomstig is, maar men zich wel de rijkdom van de inheemse cultuur realiseert en er gebruik van maakt'.

Instinct

Hoewel literatuur dus niet direct bij zal kunnen dragen aan een nationale eenheid, hebben schrijvers volgens Gordimer wel degelijk een maatschappelijke rol. Enkele jaren geleden schreef ze: 'Blanke schrijvers kunnen mogelijk een plaats in een toekomstige inheemse cultuur opeisen door zich te beroepen op de rol van katalysator die in hun kunstenaarschap besloten ligt'. Deze rol is niet uitgespeeld door de veranderingen die inmiddels hebben plaatsgevonden. 'Wij zijn in Zuid-Afrika zo lang geconditioneerd door onze verwrongen manier van leven dat het heel lang zal duren voordat er echt verandering komt in onze manier van denken. Schrijvers kunnen die verandering in gang zetten door de werkelijkheid te beschrijven, en zo de onderliggende waarheid bloot te leggen. In een boek komen de valsheid en tegenstrijdigheden van een samenleving boven drijven, niet omdat de schrijver een interpretatie van de werkelijkheid geeft, maar de lezer zelf. Non-fictie kun je zien als een interpretatie van de schrijver, maar bij fictie ligt dat anders, omdat je dan veel meer vanuit je instinct, je onderbewuste te werk gaat. Er gaan weliswaar keuzes vooraf aan het schrijven die een zeker innerlijk kader of een interesse kunnen weergeven, maar die zijn niet eenduidig. Ze kunnen voortkomen uit een politieke overtuiging, een bepaalde stemming, een gebeurtenis die je treft. Je bent schrijver; het overkomt je. Vanuit een heel scala van ervaringen worden personages geconstrueerd die aan de lezer worden voorgelegd. En de lezer interpreteert.'

Navelstreng

In 1981 kwam July's People (vertaald als 'July's mensen') uit. In deze roman is Zuid-Afrika gedompeld in een burgeroorlog die een einde maakt aan de blanke heerschappij. Het boek werd geschreven in de tijd dat er een politieke impasse heerste, die op allerlei fronten zijn weerslag had. In de literatuur kwam het onder andere tot uiting doordat in veel romans en verhalen een apocalyptisch thema werd aangeroerd. 'De mensen waren lamgeslagen, wisten niet hoe ze eruit moesten komen. We probeerden allemaal de dode huid af te stropen van het stervende Zuid-Afrika. Maar net als in het citaat van Gramsci, dat ik als motto heb gebruikt voor July's People ('Het oude sterft en het nieuwe kan niet geboren worden; in dit interregnum verrijst een grote verscheidenheid aan morbide verschijnselen') lag er ergens een nieuw Zuid-Afrika verborgen. We waren aan het worstelen met onze geboorte. Ik denk dat nu het nieuwe naar buiten gekropen is, hoewel de navelstreng nog verbonden is met het oude apartheidsysteem.

'Het was toen een heel neerslachtige tijd en een tijd van slechte voortekens. Schrijvers moeten, hoewel ze geen profeten zijn, wel over een uitzonderlijk observatievermogen beschikken, anders zouden ze niet schrijven. Door beter te observeren kunnen ze zien in welke richting een samenleving zich beweegt. En op dat moment zag het er echt naar uit dat we op weg waren naar een burgeroorlog. July's People is nu bijna een historisch werk, als je kijkt naar de feitelijke gebeurtenissen: het scheelde maar heel weinig of het was echt zo gegaan. Een van de dingen die me aanzetten tot het schrijven van July's People waren de blanke Portugese vluchtelingen die in de jaren '74-'75 vanuit Angola en Mozambique Zuid-Afrika binnen stroomden, in grote drommen busjes en auto's volgepakt met alle onbeschaamdheden van hun burgerlijke bestaan. En omdat dit van die heel gewone, blanke, burgerlijke mensen waren dacht ik in eens: mijn god, dit kan ook met ons gebeuren als we op dezelfde manier door blijven gaan. We zouden in hordes Johannesburg uitvluchten.'

Op de een of andere manier blijft het Zuidafrikaanse land, het landschap, bij veel (blanke) Zuidafrikanen een bijzonder, vaak tweeslachtig gevoel oproepen. In de eerste helft van deze eeuw speelde de 'farmnovel' of 'plaasroman' een belangrijke rol in met name de Afrikaner literatuur. Vanuit onzekerheid en een soort weemoed die met de industrialisatie gepaard ging, werd hierin een idyllisch beeld geschetst van het deugdzame leven van de boeren, dat het bestaan van de blanke kolonisten van legitimering voorzag. In 1974 schreef Nadine Gordimer The Conservationist (vertaald als 'De Milieubeheerder'), waarin eveneens de relatie tussen een blanke boer en zijn land wordt uitgediept, zij het nu met een heel andere intentie. 'De 'plaasroman' had tot doel het recht van de Afrikaner op het land aan te tonen. In die romans wordt de heroiek beschreven, het 'we-hebben-recht-op-dit-land-omdat-we-ervoor-geden-hebben'. Mijn benadering via Mehring, de hoofdpersoon in The Conservationist, was het tegenovergestelde: 'wij hebben geen enkel recht op dit land'.'

Gordimer beschouwt The Conservationist als een van haar meest geslaagde romans. 'Als je in Zuid-Afrika schrijft heb je altijd te maken met het probleem dat je van alles moet gaan uitleggen ook aan Zuidafrikaanse lezers! over politieke achtergronden en sociale verhoudingen. Maar je kunt in een roman geen voetnoten gebruiken, en ik heb er een gruwelijke hekel aan als de verteller zich er steeds tussen wringt. In The Conservationist wordt echter niets uitgelegd. Geen enkele wet wordt met name genoemd. Ik heb gewoon gedacht: 'de lezer kan de pot op. Als ze niet weten waar ik het over heb, dan is dat jammer'. Toch is het mijn taak om de lezer over dat wat hij niet begrijpt heen te tillen zodat hij het twee bladzijden verderop wel begrijpt. Het is niet gemakkelijk om dat zonder enig didactisch gebruik van de vertellende instantie te doen, maar ik denk dat het me gelukt is.'

Vogeleieren

Het ei is in The Conservationist een belangrijk motief. 'Nadat ik het geschreven had zag ik dat het symbool van het ei en de betekenis ervan in het boek steeds terugkeren. Het is misschien omdat ik het zelf altijd iets mysterieus en wonderlijks gevonden heb om ergens op het land te lopen en dan zo'n bescheiden en koppig stukje leven te vinden: vogeleieren zijn zo kwetsbaar, maar ze zijn er gewoon. Het heeft ook te maken met wat J. M. Coetzee in Leven en Wandel van Michael K zo mooi uitbeeldt met die pompoenen die op de grens staan tussen leven en dood, en waar Michael K zijn bestaan omheen bouwt. Het zaad, het ei; het zijn oeroude symbolen van continuiteit en overleving.

'Het is ook rond de eieren dat de hypocrisie van de boer zich openbaart, bij voorbeeld als hij de zwarte kinderen wegjaagt die met de eieren van parelhoenders spelen, omdat hij bang is dat ze ze kapotmaken. Maar wat maakt hij zelf op een ander vlak niet allemaal kapot? Het is ook zogemakkelijk om te zeggen: 'ik hou van Zuid-Afrika; het is zo'n mooi land'. Maar anderzijds denk ik dat de mensen die hier geboren zijn echt van het land houden, en dat we zo langzamerhand kunnen ophouden ons daarvoor te schamen. Men heeft jarenlang gedacht dat die liefde een ontkenning van de realiteit was, van het andere werkelijke zijn, van de mensen van wie het land is of was.'

Dergelijke problemen van perspectief en recht van spreken spelen ook mee in de discussies rond het milieu. 'Voor de bevrijdingsbeweging is de strijd, het verwerven van de vrijheid zo'n groot probleem, dat niemand wil horen dat wee en Zuid-Afrika zullen erven dat meer en meer vervuild is geraakt. Als mensen lange tijd in sloppenwijken gewoond hebben willen ze niets horen over vervuiling. En je kunt het ze niet kwalijk nemen. Maar het is tragisch dat het tot zo'n discussie moet komen. Zuid-Afrika is een geindustrialiseerd land en er zou heel wat tegen de vervuiling gedaan kunnen worden, maar de grote bedrijven werken alleen maar tegen. En als je het in een politieke beweging ter sprake brengt wordt er logischerwijs gezegd: 'Eerst moeten we zorgen dat we aan de macht komen. Daarna kunnen we ons met het milieu bezig houden'.'

Politieke problemen en verhoudingen, maar ook menselijke relaties zijn in Zuid-Afrika vaak veel gecompliceerder en minder eenduidig dan voor buitenstaanders op het eerste gezicht lijkt. In een vrij recent verhaal van Gordimer: What were you dreaming? speelt een blanke Zuidafrikaanse vrouw een bemiddelende rol tussen haar Europese gast en een Zuidafrikaanse 'kleurling' die zij als lifter meenemen. 'Er is een enorme kloof tussen die vrouw en die Brit, van wie men, omdat hij uit Europa komt en blank is, juist zou verwachten dat hij haar zou begrijpen. En op het moment dat er iemand bij komt die weliswaar een andere huidskleur heeft, maar net als zij Zuidafrikaan is, dan blijkt er tussen hem en de vrouw een onuitgesproken wederzijds begrip te bestaan: zij weet precies wie hij is, ze kan hem plaatsen en kent haar eigen positie, haar betuttelende houding ten opzichte van hem. Ze weet ook dat hij een toneelstukje voor haar opvoert, dat hij denkt dat hij met zijn houding van giechelende onderdanigheid blanke mensen een plezier doet. Dat weet ieder eendie hier woont. Maar die Europeaan begrijpt er absoluut niets van.'

    • Gitte Postel
    • Eva Venter