Verdwenen in een droom; Rudiger Safranski over Rousseau, Kleist en Nietzsche

Rudiger Safranski: Wieviel Wahrheit braucht der Mensch? Uber das Denkbare und das Lebbare. Uitg. Carl Hanser. 209 blz. Prijs fl. 50,40 Een Chinees schilder heeft jarenlang in barre afzondering aan een enkel schilderij gewerkt. Als het klaar is nodigt hij de paar vrienden uit die hij nog heeft. Wat zien ze? Een park; een smal paadje leidt door een wei naar een huis op een heuvel. Als de vrienden uitgekeken zijn is de schilder weg. Ze staren naar het schilderij. 'Daar wandelt de schilder over het pad de glooiende heuvel op, (...) wuift nog een keer en verdwijnt, behoedzaam de geschilderde deur achter zich sluitend.'

Deze parabel van het verlangen naar een geestelijk tehuis is te vinden in het boek Wieviel Wahrheit braucht der Mensch? Rudiger Safranski (1945), die al eerder een schitterende biografie over Schopenhauer schreef (Schopenhauer und Die wilden Jahre der Philosophie, Uitg. Rowohlt. Ned. vert. Uitg. Tirion), volgt dit keer met veel begrip de eenzame zoektochten van Rousseau, Kleist en Nietzsche. Een voor een bedenken zij constructies die hun isolement naar een hoger filosofisch plan moeten tillen, maar die toch niet kunnen voorkomen dat zij aan die eenzaamheid te gronde gaan.

Hoewel Jean-Jacques Rousseau een zuivere inborst meent te bezitten, voelt hij zich volgens Safranski pas echt gelukkig wanneer hij zijn zelfbewustzijn uitschakelt. En ofschoon hij de materialistische maatschappij maar verwerpelijk vindt, verwacht hij dat elk lid van die maatschappij in wezen net zo nobel is als hij zelf. Zijn voorstelling van de volonte generale, de gemeenschappelijke wil waaraan iedere burger dient te gehoorzamen, blijkt niets anders dan een kolossale uitvergroting van Rousseau's geidealiseerde Ik. De grote filosoof is zo beducht voor de vreemdheid en vrijheid van zijn medemensen dat hij het contrat social schijnbaar een vrijwillig karakter verleent: suggererend dat elke burger dat verdrag uit eigener beweging aangaat legt Rousseau hem in feite zijn wil op. Hij voelt zich door vijanden belaagd en trekt zich steeds meer uit de wereld terug: 'Rousseau is op weg inzichzelf te verdwijnen.'

Heinrich von Kleist vindt zelfs in zijn innerlijk geen geborgenheid meer; slechts een gruwelijke leegte treft hij er aan. Rede, wetenschap en hogere idealen alles lijkt op een afgrond gebouwd. Wat rest is de fantasie. Als Kleist eerst Henriette Vogel en dan zichzelf doodt, volgt hij daarbij een gedetailleerd scenario. De verbeeldingskracht heeft over het levengezegevierd.

De domineeszoon Friedrich Nietzsche ontwikkelt een 'tweede natuur': 'het blonde beest', de meedogenloze 'Herrenmensch' oefent meer aantrekkingskracht op hem uit dan het brave, zwakke jongetje dat hij ooit geweest moet zijn. Het 'spel', aanvankelijk nog als remedie tegen de zinloosheid van het bestaan, vervangt hij door machtsfantasieen. Zijn eigen werk begint hem te beklemmen; de waanzin die spoedig volgt komt haast als een verlossing.

Intolerant

Achter Safranski's ogenschijnlijk nogal onsamenhangende verzameling essays gaat een zorgvuldig bouwplan schuil. Aan de hand van bovengenoemde denkers schildert de auteur hoe een al te fanatieke en geforceerde visie tot intolerantie en razernij kan leiden. Vervolgens stapt hij met zevenmijlslaarzen door de geschiedenis van de zijns- en godsleer heen, om bij de pervertering van de metafysica door de nazi's uit te komen. Droegen Griekse wijsgeren zoals Socrates nog bewust bij aan het behoud van een maatschappij waar zij middenin stonden, in onze eeuw voorziet Sigmund Freud de ondergang van 'de cultuur' door uitbarstingen van onderdrukte driften. Hitler schept het beeld van de 'Arier' die het 'avondland' moet redden uit de klauwen van 'de jood'. Goebbels, die overal niets dan 'verscheurdheid' en 'ontwrichting' bespeurt en naar een symbiotische gemeenschap hunkert Goebbels is, in de woorden van Safranski, bereid 'alles te vernietigen wat een dergelijke geborgenheid in de weg zou kunnen staan', eerst met woorden, later ook met daden.

Hoe men zonder geborgenheid kan leven tracht Safranski in het laatste deel van zijn betoog aan te tonen, dat geheel aan Franz Kafka is gewijd. Kafka, weet Safranski, houdt zich staande dankzij zijn ironie; hij is wijzer dan zijn personages. Alsof de toneelschrijver Kleist geen ironie zou bezitten! In Kafka herkent Safranski zijn eigen idee dat waarheid altijd afhankelijk is van diegene die haar zoekt. Je kunt waarheid niet vinden ('finden'), je kunt haar slechts verzinnen ('erfinden').

Rudiger Safranski's waarheidsbegrip heeft iets heel vrijblijvends. We mogen filosoferen zoveel we willen, als we het de anderen maar niet opdringen, hoor je hem denken. We mogen lezen wat we willen, zolang we ons het geschrevene maar niet toeeigenen. Een onmogelijke eis wanneer men waarheden leest die zo fraai en dwingend aan het papier zijn toevertrouwd als in het hier besproken werk.