Steel niet van jezelf; De intuitie van architect Melnikov

Arthur Wortmann (redactie): Melnikov. The muscles of invention. Uitg. Van Hezik-fonds 90 Rotterdam. Prijs fl. 45, - In 1938 werd de architect Konstantin Melnikov (1890-1974) met pensioen gestuurd. Hij was toen pas 48 jaar, een leeftijd waarop voor veel architecten het echte grote werk nog moet beginnen. Maar Melnikov leefde in de Sovjet-Unie en zijn werk was samen met dat van zijn jongere collega Ivan Leonidov het belangrijkste doelwit van de socialistisch-realistische kritiek op de moderne architectuur. Hij werd beschuldigd van 'burgerlijk formalisme' en zou verder niets belangrijks meer bouwen.

Juist voor Melnikov was dit een zware straf. Anders dan veel van zijn tijdgenoten hield hij niet van 'papieren architectuur' en kon hij pas iets ontwerpen als hij een opdracht daartoe had. Ook aan theoretiseren had hij een hekel. Hij gruwde van de opvatting van de constructivisten dat het ontwerpen van gebouwen een objectieve, wetenschappelijke bezigheid was. (Omgekeerd vonden de constructivisten Melnikovs gebouwen afschuwelijk.) Bij het ontwerpen vertrouwde Melnikov helemaal op zijn intuitie. 'Scheppen is een mysterie dat niet kan worden ontsluierd, ' zei hij ooit.

In de jaren twintig, de hoogtijdagen van de moderne architectuur in de Sovjet-Unie, was Melnikov de meest succesvolle architect van zijn land. Met zijn paviljoen van de Sovjet-Unie voor de Wereldtentoonstelling in Parijs in 1925 werd hij beroemd en terug in Moskou bouwde hij in een paar jaar tijd vijf arbeidersclubs, vier garages en zijn eigen huis. Elk gebouw had weer een andere vorm Melnikov 'wilde niet van zichzelf stelen' en was steeds het resultaat van lang zoeken en proberen. In zijn schetsen is te zien hoe willekeurig en zonder enige systematische methode zijn ontwerpen tot stand kwamen: uit vaag gekrabbel onstaat langzaam maar zeker een soort abstract-geometrische compositie en tenslotte een gebouw.

Helaas ontbreken deze schetsen in het onlangs verschenen, in het Engels geschreven Nederlandse boek Melnikov, the muscles of invention. Ook de meeste van zijn niet uitgevoerde projecten, die een groot deel van Melnikovs oeuvre uitmaken, zijn niet in het boek opgenomen. Misschien ligt dit aan de berucht moeilijke zoon van Melnikov, Viktor, die vrijwel alle tekeningen van zijn vader bezit en ze niet graag uit handen geeft. Maar dit excuus kan niet gelden voor de foto's van de gebouwen, waarvan meer dan de helft aan het eigen huis van Melnikov is gewijd. Dat is ondanks het unieke karakter van Melnikovs huis een overdreven aantal, zeker als verschillende van de andere uitgevoerde ontwerpen onbreken.

Ook de vijf artikelen geven geen compleet overzicht van het werk van Melnikov, hoewel ze zijn geschreven door gerenommeerde auteurs. Het gedegen maar enigszins plichtmatige openingsartikel van Otakar Macel gaat over het werk van Melnikov tot 1934 en zijn positie in de Russische architectuur van toen. Hans van Dijk sluit met zijn stuk aan op dat van Macel en behandelt in het kort het latere werk van Melnikov. Hij laat bij voorbeeld zien dat Melnikovs ontwerp voor een complex woningen voor arbeiders van de Izvestia uit 1935 niet onbewoonbaar en 'formalistisch' was zoals tegenstanders beweerden, maar juist goede plattegronden bevatte.

De twee volgende artikelen zijn nauwelijks de moeite waard. Overbodig en vervelend is het stuk van Wim van den Bergh, dat bestaat uit een gefingeerde dialoog over het huis van Melnikov. In navolging van het huis, dat uit twee cilinders bestaat, heeft Van den Berg zich gesplitst in twee helften, Wim en Vdb, die elkaar in onbegrijpelijkheid proberen te overtreffen. Alleen wanneer Van den Bergh (of Wim) zich beperkt tot een saaie beschrijving van het huis, is de tekst te volgen.

De Russische kunsthistoricus Strigaljov probeert de lezer ervan te overtuigen dat de nooit gepubliceerde autobiografie, waaraan Melnikov tot zijn dood werkte, vol diepzinnige gedachten over architectuur staat. Overtuigend is zijn stuk niet: de citaten klinken, hoewel sympathiek, nogal banaal. Catherine Cooke omschrijft Melnikov in het vijfde en meest prikkelende artikel van het boek dan ook als een simpele geest die zijn leegheid wilde verbergen met pseudo-filosofische gebazel. Haar bijdrage is vooral een reactie op het pompeuze hoofdstuk in de verder prachtige monografie van Frederick S. Starr uit 1978, waarin hij beweerde dat Melnikovs werk voortkwam uit een preocupatie met de dood. Onzin, vindt Cooke: Melnikov was niet meer met de dood bezig dan elke andere kunstenaar die hoopt dat zijn kunstwerken van eeuwig belang zullen zijn. Eigenlijk vindt zij Melnikov niet zo'n goede architect. Zijn blinde vertrouwen op zijn intuitie was precies zijn zwakke plek. Het ontbrak hem aan discipline, schrijft zij, en als hij wat minder eigenzinnig was geweest en zich wat meer had aangetrokken van de kritiek van zijn collega's zou hij betere ontwerpen hebben gemaakt. Met deze provocerende conclusie eindigt het boek. Helaas kan die niet door de lezer worden gecontroleerd omdat, zoals gezegd, een groot deel van Melnikovs ontwerpen ontbreken. Gelukkig is voor een beter overzicht nog altijd Starrs monografie verkrijgbaar.