Sloffen voor de deur; Gert Loschutz over een vlucht uit de DDR

Gert Loschutz: Flucht. Uitg. Luchterhand. 198 blz. Prijs fl. 28,90. 'Kijk niet om', zei mama op de ochtend van het vertrek, maar de avond ervoor had ze iets heel anders gezegd. De avond ervoor, toen ik al sliep, toen ze mij wekte, toen ze zei: 'Kleed je weer aan.' Toen we de straat opgingen, door de voortuin. Op de nachtelijke straat zei ze: 'Kijk. Prent je alles goed in want je zult het niet terugzien.' '

De volgende morgen vluchten de moeder en haar zoontje uit de DDR naar West-Duitsland. Bert Loschutz (1946) beschrijft in de roman Flucht hoe deze vlucht een draai geeft aan het leven van Karsten Leiser. Voor zijn verhaal kon de in 1957 naar de Bondsrepubliek gekomen Loschutz uit eigen ervaringen putten.

De vlucht van het gezin Leiser vindt plaats na een 1-meiviering in de jaren vijftig; de Koude Oorlog is nog maar net begonnen en het leven in de voormalige DDR zal, weten we nu, nog bijna veertig jaar bepaald worden door leugen en bedrog. Voor het jongetje, Karsten Leiser, speelt dit geen rol; de stille, hem vertrouwde wereld waar hij gelukkig was wordt hem ontnomen. Hij moet voortaan wonen in een land waarvan zijn vriendjes hem hebben verteld dat het helemaal niet bestaat: 'Het westen is neongroen, het is een voorstelling.'

Precies een jaar na de vlucht overlijdt Karstens moeder. Elk jaar op deze lentedag zal hij zich de vlucht herinneren in combinatie met de dood van zijn moeder. Later zal hij als schrijver van reisverhalen de ene grens na de andere overschrijden. Die reizen hebben het karakter van een bezweringsritueel dat de eerste grensoverschrijding als het ware ongedaan moet maken.

Loschutz presenteert Leiser in deze geslaagde roman als een onuitstaanbare intellectueel die ongeduldig met zijn vingers op tafel begint te roffelen wanneer een ander hem iets over zijn eigen jeugd wil vertellen en over zijn eigen 'Heimat'. Leiser is er allang achtergekomen dat je dat landschap met jezelf meedraagt; het is een plaats die je in een echte atlas niet kunt vinden. Daarom vindt de oudere Karsten Leiser geen troost in de recente eenwording van Duitsland. Een bezoek aan zijn geboortedorp zou hem waarschijnlijk van alle illusies beroven die hij kon koesteren zolang de grenzen van de DDR onverbiddelijk gesloten bleven. In zijn herinnering blijvende straten van het dorpje 'leeg, alsof er juist iemand de hoek om is gegaan'. Er hangt altijd wasgoed aan de lijn en er staan sloffen bij de deur van de buren. De mensen hoeven niet gezien te worden, dat was al zo in Karstens jeugd en dat is altijd zo gebleven.

Het boek is geconstrueerd als een aaneenschakeling van herinnerings flarden. Grappig vond ik vooral Leisers Italiaanse belevenissen. In Rome probeert hij tevergeefs het koffertje te 'verliezen' dat hij al op zijn vlucht met zich meedroeg. Hij laat zijn koffertje in de voor Duitsers 'heilige' Via del Corso staan, waar een inscriptie aan een verblijf van Goethe (1786) herinnert, die destijds van een vlucht uit het hem benauwende Duitsland een educatieve reis maakte. Een woedende menigte stort zich op Leiser omdat men hem voor een terrorist aanziet die een bomaanslag wil plegen. Zelfs al werpt hij zijn koffer in zee, altijd weer zal hij worden terugbezorgd. Het verleden laat zich niet in een hoek drukken, het landschap van vroeger vertroebelt nog altijd de blik op de wereld van nu.