OR van BAT krijgt nul op rekwest

ROTTERDAM, 9 nov. De directie van BAT Nederland hoeft een opdracht aan adviesbureau Arthur D. Little, om te zoeken naar economisch haalbare alternatieven voor de met sluiting bedreigde Amsterdamse sigarettenfabriek, niet in te trekken. De ondernemingsraad van het bedrijf had de Ondernemingskamer van het gerechtshof in Amsterdam hierom gevraagd.

De OR wilde intrekking van de opdracht omdat daarin niet expliciet stond dat het bureau de afzetmogelijkheden in Oost-Europa moet onderzoeken. Volgens de raad heeft BAT goede kansen voor export naar Oosteuropese landen, maar laat het bedrijf die bewust liggen omdat de fabriek hoe dan ook dicht moet.

De Ondernemingskamer vindt de opdracht echter ruim genoeg geformuleerd om de internationale ontwikkelingen op de afzetmarkt aan bod te laten komen. De BAT-directie stelt in de onderzoeksopdracht dat het bureau Arthur D. Litlle de vrijheid heeft om 'alle economisch haalbare alternatieven kenbaar te maken'. BAT handelt dus niet onredelijk, zo heeft de kamer gisteren uitgesproken.

De directie van BAT heeft verheugd op de uitspraak gereageerd. Wel betreurt zij het dat de gerechtelijke procedure het voorgenomen onderzoek een half jaar heeft vertraagd.

De motieven voor sluiting van de fabriek in Amsterdam heeft de Ondernemingskamer buiten beschouwing gelaten. Volgens BAT is verplaatsing van de produktie naar Brussel nodig wegens de hoge produktiekosten in Amsterdam en te verwachten schaalvoordelen bij concentratie van de produktie.

De Ondernemingskamer verwacht dat het overleg over de sluiting de OR voldoende inzicht zal geven in de overwegingen die tot het voorgenomen besluit hebben geleid. De OR heeft meegedeeld zonodig opnieuw naar de Ondernemingskamer te stappen om de achterliggende informatie over de sluiting los te krijgen.

Het moederbedrijf van BAT, BATco in Londen, maakte een klein jaar geleden de voorgenomen sluiting bekend. De OR heeft het rapport dat daaraan ten grondslag ligt niet ter inzage gekregen.