Niet elke revolutie is mij een vliegreis waard; JAMES FENTON OVER OORLOG EN POEZIE

Op de Groningse manifestatie Herfstschrift spreekt James Fenton di 13 nov.(20.15u) in Het Kruithuis met Willem van Toorn. Hij treedt tevens op in het VPRO-programma Boeken (18-19u). Wo 14 nov. spreekt hij met Jan Donkers bij de Rotterdamse Kunststichting (20.30u). Vrij. 16 nov. bij de SLAA inAmsterdam. All the Wrong Places, uitg. Penguin, fl. 17,50. In het Verre Oosten, vert. Frank van Dixhoorn, uitg. Veen, fl. 34,90.

Voor zo ver James Fenton ergens woont, is dat in een niet al te vrolijke buurt in het noorden van Oxford. In de keuken, die eerder bij een boerderij lijkt te horen dan bij een huis in de stad, geurt het naar de lunch: lamskoteletten, spruitjes en aardappelen. De Filippijnse loge Ray keert de koteletten onder de gril met behulp van ivoren eetstokjes.

De loopbaan van James Fenton (41) is een curieuze mengeling van literatuur, politiek en reportage over oorlog en opstand. Tussen de gebeurtenissen door die het Verre Oosten op zijn grondvesten heeft doen schudden is hij literatuur- en toneelcriticus geweest, heeft hij twee opera's en een musical vertaald, zelf liedteksten gemaakt en gedichten geschreven. Een dichter in de revolutie, een leven in de studeerkamer en de jungle.

Fenton legt zich nu vooral toe op poezie en muziek, maar Azie is nooit ver weg. In januari gaat hij weer naar de Filippijnen, waar hij twee jaar als correspondent werkte. Hij helpt Ray nu met een boek over Filippijnse gastarbeiders in Japan, zoals hij eerder zijn Cambodjaanse tolk Someth May hielp een boek te schrijven over de afgrijselijke jaren in een heropvoedingskamp van de Rode Khmer. Hij was ook als adviseur betrokken bij de verfilming van de Cambodjaanse drama The Killing Fields.

De Filippijnen en Cambodja zijn samen met Vietnam en Zuid-Korea de landen waarover Fenton schrijft in All the Wrong Places: Adrift in the Politics of Asia. Over een periode van anderhalf decennium maakte hij er oorlog en revolutie mee soms van fluweel, vaker met bloed en traangas. Vanzelfsprekend zijn de wrong places van de titel de right places voor iemand die getuige bij de geschiedenis wil zijn. 'Ik wilde een oorlog zien en een stad zien vallen omdat... omdat ik wilde zien hoe zoiets was.'

'Toch heb ik er een handje van om echt in de wrong place te zijn, ' lacht hij. 'In 1968 verliet ik Praag een dag voordat de Russen binnenvielen. In 1980 werd de studentenopstand in de Zuidkoreaanse stad Kwangju neergeslagen een paar uur nadat ik vertrokken was. Op de Filippijnen werd ik tijdens de bestorming van Marcos' paleis ineens opgescheept met een gewonde man die notabene een huurling van het regime bleek te zijn! Met Oost-Europa zat ik er ook een paar keer naast. Vlak voordat de Muur viel kreeg ik van een krant het verzoek erheen te gaan, maar ik moest een poeziemanifestatie openen, er werd op me gerekend. Op de televisie zag ik de Muur met grote brokken tegelijk neerstorten. Paf, dacht ik, daar gaat mijn gave voor het juiste moment. Daarna ben ik toch naar Duitsland gegaan, tot het volgende poeziefestival en toen kwam de omwenteling in Tsjechoslowakije!'

Met zijn karakteristieke mengeling van politieke betrokkenheid en dichterlijke sensibiliteit maakt Fenton in zijn werk intens voelbaar 'hoe het is'. Het is spannend, zoals het moment dat hij achterop de eerste tank van de Vietcong springt die zich een weg baant naar het Zuidvietnamese regeringscentrum. Hetis meer dan eens bizar, bij voorbeeld wanneer hij zich ineens in de prive-vertrekken van het gevluchte echtpaar Marcos bevindt, waar hij op de vleugel Bach speelt en als souvenir een handdoek meeneemt met het monogram van Imelda. Vaak is het ook grappig, zoals wanneer blijkt dat de communistische guerrilla's in de Filippijnse jungle naar Rambo kijken op de video. 'En hoe vond je Rambo?' vraagt Fenton aan een van de soldaten. 'Super ongelooflijk!' is het antwoord.

Apparatsjiks

In zijn keuken in Oxford vertelt Fenton, zeventien jaar na zijn eerste reis naar Indochina, dat meer dan nieuwsgierigheid alleen hem dreef. 'Ik had een aantal opdrachten voor journalistiek werk, maar ik wilde vooral de tijd vinden en afstand nemen om een lang gedicht te schrijven. De eenzaamheid van het reizen komt het dichten ten goede.' Het werd een verblijf van twee jaar.

Behalve als dichter en journalist reisde Fenton ook als fervente voorstander van de Vietcong af naar het land dat bezig was het juk van het post-koloniale imperialisme van zich af te werpen. Het mondde uit in een politieke crise de conscience. 'Als revolutionaire socialist wilde ik dolgraag dat de Vietcong zouden winnen en ik heb mijn leven geriskeerd om met ze in contact te komen. Ze hebben inderdaad gewonnen, maar toen werd het voor mij pas moeilijk. Moestik, omdat de Vietnamezen nu onder elkaar waren, dan maar accepteren dat ze de pers de mond snoerden, dat mensen spoorloos verdwenen, dat ze van het recht een schertsvertoning maakten? Ik kreeg een hekel aan die leugenachtige apparatsjiks uit Hanoi. Ze ontpopten zich als stalinisten. Het is tenslotte pas sinds de hereniging van Noord- en Zuid-Vietnam dat mensen zich in krakkemikkige bootjes op zee wagen om te ontsnappen.'

Hoewel Fenton tot de minst dogmatische vleugel behoorde van De Beweging, zoals hij het zelf noemt, veroorzaakten zijn reportages met alle twijfels en nuances toch een kloof tussen hem en zijn politieke makkers. 'Toen had ik pas het gevoel dat ik mijn werk goed deed. Als verslaggever moet je geen overwinningen voor de kameraden verzinnen.'

Wat denkt hij nu, een paar opstanden later? Overheerst de desillusie? 'Als al die revoluties je onbewogen laten en zonder littekens, dan is er iets mis.' Toch biedt de 'fluwelen revolutie' op de Filippijnen voor zijn gevoel een zeker tegenwicht aan het lot van Cambodja en Vietnam. 'Ik ben nog steeds pro-Cory, hoewel dat natuurlijk kan veranderen als ik er in januari naar toe ga. Een aantal jaren later ziet het er prozaischer uit, minder glanzend, dat is de aard van revolutie. Vrienden van mij zijn gedesillusioneerd over wat er met de Sandinisten is gebeurd in Nicaragua ik niet.'

De stukken in All the Wrong Places zijn literaire reportages, onverbloemd in de eerste persoon geschreven en met een oog voor detail dat Fenton zelf rechtstreeks toeschrijft aan zijn mentors: George Orwell, V. S. Naipaul, Graham Greene, Norman Lewis. 'Ik heb ooit een man zien sterven, en mijn eerste reactie was: zo gaat dat nou, let goed op, je mag geen detail missen.' Zo valt het hem tijdens de intocht van Vietcong in Saigon op dat er uitzonderlijke veel libellen rondvliegen. En temidden van het tumult in Manila vraagt hij zich af waar de kogels toch blijven die in de lucht worden afgeschoten. 'Ik hoorde niets over mensen die door al dat vallend lood gewond raakten.'

Pistool

Het schrijven over oorlog en opstand brengt gevaar met zich mee, en Fenton komt meer dan eens in levensgevaar. Daarover stoer doen is zijn stijl niet, zonder larmoyant te worden bekent hij regelmatig zenuwachtig te zijn, doodsbang zelfs. 'Ik ben niet moedig, ' zegt hij, 'wel roekeloos. Dat is een goed substituut voor moed als je je tenminste niet onderwijl laat opblazen.' Zoals in elke oorlog wordt ook hij geconfronteerd met gewetensvragen, bij voorbeeld wanneer een wanhopige Zuidvietnamese officier smeekt om hulp bij het ontkomen aan de communisten. 'Degenen die er voorkiezen naar het front te gaan, willen duidelijk van zichzelf weten hoe laf ze zijn. Maar de proeven waaraan ze zichzelf onderwerpen hier is een lijk, kun je ernaar kijken? zijn niets in vergelijking met de proeven waaraan ze ongevraagd worden onderworpen hier is een man op de vlucht die om jouwhulp vraagt, kun je hem in de ogen kijken?'

Fenton laat zijn blocnote vaak ongebruikt in zijn tas, niet alleen omdat 'het te voorschijn halen ervan vaak hetzelfde effect had als het trekken van een pistool', maar ook omdat hij zich liever door de gebeurtenissen laat meeslepen. Saigon begint voor hem pas interessant te worden op het moment dat de andere journalisten en buitenlanders voor de oprukkende Vietcong op de vlucht slaan. Overigens merkt hij tot zijn verdriet dat Saigon vanaf het moment dat er geen Amerikanen meer zijn, voor zijn Amerikaanse opdrachtgevers een 'exclusief non-verhaal' is geworden.

Het heeft tien jaar geduurd voordat zijn reportage over de val van Saigon werd gepubliceerd. Net als de meeste andere stukken in het boek verscheen het in het Engelse literaire tijdschrift-in-boekvorm Granta. Zijn boek is opgedragen aan de oprichter van Granta, Bill Buford.

Fenton fulmineert tegen de beperkingen van kranten, tegen de dwangbuis van vorm en lengte, tegen het soort journalistiek waarbij de verslaggever de helft van zijn materiaal niet kan gebruiken omdat het verhaal anders te persoonlijk dreigt te worden. 'Ik heb zelf veel te veel tijd verspild aan het routinewerk in de journalistiek, aan nieuwssnippers. In 1978-'79 was ik correspondent in Duitsland. Het land zelf is heel interessant, maar achter het dagelijks werk zat geen groots thema. Tijdens de verkiezingen in Schleswig-Holstein dacht ik: prachtig, maar niet voor mij.

'Ryszard Kapuscinski heeft jarenlang voor het Poolse persbureau gewerkt. Stel je voor wat een hoeveelheid troep die man heeft moeten schrijven! Al die uren die hij aan het schrijven had kunnen besteden, maar die hij in treurige Afrikaanse postkantoren moest doorbrengen, wachtend op een verbinding met Polen!'

Is het niet toch ergens goed voor geweest, probeer ik, die snippers komen uiteindelijk toch samen in de grote reportages? 'Geloof dat maar niet,' zegt Fenton fel, 'dat is de sentimentele kijk op de zaak. Soms had ik als journalist het gevoel: dit is het, ik heb een echte baan. Maar is dichter zijn dan een onechte baan? Als je zeventig jaar oud wordt zul je met een beetje geluk honderd gedichten hebben geschreven die goed zijn, misschien dertig. Dat betekent dat je een groot deel van je tijd aan andere dingen zult besteden, en bovendien moet je in je onderhoud voorzien. De vraag is dus: welke andere dingen zijn de moeite waard? Jarenlang heb ik gevoel gehad: er gebeurt niets, ik schrijf niet. En met schrijven bedoel ik poezie.'

In de loop der jaren, al vanaf zijn studententijd in Oxford, zijn diverse van James Fentons gedichten en bundels bekroond, waaronder Memory of War en Children in Exile. Voor de krant The Independent schrijft hij sinds een jaar columns over poezie die bij de Arbeiderspers in vertaling zullen verschijnen. 'Ze gaan over de kunst van de poezie: niet het lezen maar het schrijven ervan.'

Hij wist op z'n achttiende al dat hij dichter wilde zijn, of beter gezegd: was. 'Het angstige was het niet weten of ik het kon. Het is juist dat niet weten dat je dwingt het volgende gedicht te schrijven. Sinds een jaar ongeveer bouw ik aan een corpus gedichten waarvan ik de kwaliteit steeds verder kan opvoeren. Het is net als een verzameling schilderijen: je koopt er een dat beter is en je doet er een weg.

'Gelukkig ben ik sinds kort financieel onafhankelijk, mede dank zij mijn medewerking aan de vertaling van Les Miserables voor de musical-versie. Nu schrijf ik alleen maar wat ik zelf wil. Ik mag geen tijd meer verspillen, de alibi van verkiezingen in Schleswig-Holstein gaat niet meer op.'

Liedjes

Een paar jaar geleden liet Fenton zich door Redmond O'Hanlon overhalen om mee te gaan naar de binnenlanden van Borneo. In zijn dolle verslag, Into the Heart of Borneo, laat O'Hanlon grote bewondering blijken voor de schijnbaar onbeperkte voorraad liedjes die de anders zo serieuze dichter in z'n hoofd heeft zitten. 'Ach, ' wuift Fenton het compliment weg, 'Redmond weet zo weinig van muziek, hij weet niet hoe gewoon dat is! Bovendien moest ik wel zingen in de Filippijnen, zij doen het zelf en verwachten het ook van een ander. Dan leer je je gene wel af.' Het zingen zat er toch al vroeg in: tot hij de baard in de keel kreeg zong hij jarenlang elke dag in de koor van zijn protestantse kerk.

Steeds meer gaat Fentons belangstelling uit naar het combineren van zang en performance-elementen met de poezie. 'Ik heb twee opera's vertaald, Rigolet toen Simon Boca Negra, en twee keer deelgenomen aan Poetry International in Rotterdam. Juist als je de teksten niet verstaat hoor je beter de muziek er in. Ik merkte dat veel dichters graag hun werk willen opvoeren, maar als ze gaan zitten schrijven ze voor de stille lezer. Daar zit een discrepantie tussen. We hebben te weinig acht geslagen op poezie als een performing art.'

Fenton had al eerder teksten geschreven op bestaande muziek; nu heeft hij zelf teksten geschreven en ze naar het National Theatre opgestuurd met de vraag of zij een componist erbij wisten te vinden. Eind deze maand gaat het geheel, met twee zangers en een piano, in premiere in de Petit Odeon in Parijs. 'Een Amerikaanse dichter zal eerder dan een Engelse dichter in de auto naar popmuziek luisteren, maar hij zal minder gauw elementen uit pop of cabaret in zijn werk gebruiken. Volgens mij heeft een dichter in Engeland een grotere vrijheid om grappig te zijn, om elementen uit de populaire cultuur te verwerken. Ik wil het scala aan idioom waar de dichter uit kan putten, groter maken. De aanval op de Selbstmarginalisierung van de poezie is geopend.'

Jacht

Na lange verblijven in Azie en Duitsland keerde James Fenton terug naar Engeland om er toneelcriticus te worden. Hij zegt: 'Na mijn eerste lange verblijf in Azie was ik vastbesloten om niet naar weer een nieuwe trouble spot te gaan. Je kunt verslaafd raken aan het gevaar: als niet de hele tijd de kogels je om de oren fluiten krijg je het gevoel dat er niets gebeurt. Een vriend van mij, een cameraman, is neergeschoten terwijl hij aan het filmen was, hij heeft zijn eigen dood gefilmd. Voor hem was dat een toepasselijke dood, maar ik wist dat ik zelf niets te maken wilde hebben met een dergelijke jacht op moeilijkheden. Voor mij moest de situatie meer te bieden hebben dan gevaar alleen.'

Toevallig was hij in Azie op vakantie toen de Koreaanse studenten in opstand kwamen. Het bloed kruipt waar het niet gaan kan en toen de Sunday Times opbelde of hij niet even een kijkje kon nemen voor een mooie feature was hij met een natte vinger te lijmen. De volksrevolutie in de Filippijnen een aantal jaar daarna kon hij evenmin laten schieten; dat leidde tot een verlijf van maar liefst drie jaar. Trekt de Golf-crisis hem niet? 'Nee,' is het stellige antwoord. 'Vergeet niet, in de meeste oorlogen die ik heb verslagen had 'de andere kant' niet veel substantieels om naar 'mijn kant' af te vuren. In Irak en Saoedi-Arabie is dat nu anders.

'Als ik een uitnodiging had gekregen om met een task force naar de Falkland-eilanden mee te gaan had ik die zeker aanvaard: ik had graag de Britten oorlog zien voeren. Ik wil wel bij de hereniging van Noord- en Zuid-Korea zijn, die zeker voor het einde van deze eeuw zal plaatsvinden. Ik ben kieskeurig, ik vlieg niet zo maar af op de eerste de beste revolutie. Ik ben veel weggeweest, maar dit is thuis en dat heb ik altijd geweten. Eigenlijk ben ik een huismus.'