Mijn leven als atoomspion

Het feit dat, naar de Binnenlandse Veiligheids Dienst heeft meegedeeld, een derde deel der in Nederland gestationeerde Russen als KGB-spion werkt, kan ik uit de eerste hand bevestigen. Niet alleen heb ik enige tijd intieme omgang met de KGB gehad, maar bovendien ben ik zelf spion geweest, atoomspion, om precies te zijn.

Het was op het breukpunt van de jaren zestig en zeventig. In de dagbladen waren enige verontrustende berichten verschenen over de Van Heutszcompagnie, de militaire sectie die in het bijzonder met bewakingsdiensten was belast. Bijvoorbeeld van de in Nederland opgeslagen atoomkoppen. Dit was geestdodend en frustrerend werk, zo had de sociaalpsychologie ontdekt, dat bij de desbetreffende soldaten op grote schaal leidde tot angstgevoelens, agressiviteit, zwaarmoedigheid, apathie en prikkelbaarheid. 'Het is helemaal nutteloos, volgens mij, die hele wacht', klaagde soldaat I. 'Je staat er en het heeft niks geen zin. In de eerste plaats komt er niks en kwam er iemand met kwaadwillige bedoelingen, dan sta je nog voor Jan Lul.' 'Soms sta je daar', klaagde soldaat II, 'en dan zou je gewoon willen dat het oorlog werd, dan had je tenminste wat te doen.'

Dat was dus een maatschappelijke misstand van de eerste orde die om een diepgaand journalistiek onderzoek vroeg. Om te beginnen diende te worden uitgezocht wat de geincrimineerde legerplaatsen waren, een gegeven waarover de autoriteiten hinderlijk geheimzinnig deden. Dus spoorde ik naar Utrecht, de plaats van vestiging van de Vereniging van Dienstplichtige Militairen, de organisatie die de affaire had aangezwengeld. 'Daar komen we wel achter hoor, hoor', sprak de dienstdoende langharige die met de publiciteitscontacten was belast. Hij greep de telefoon, mat zich een militaire blaf aan en belde systematisch de commandanten der diverse garnizoenen af. 'Hier luitenant X van de krijgsdivisie X te Y', zie hij. 'Ik wou even bevestigd krijgen of erbij u... ' Anderhalf uur later wisten wij precies wat wij wilden weten: de atoomkoppen lagen in de legerplaatsen Havelte, De Lier, Huis ter Heide, Schaarsbergen, Eefde, Leeuwarden, Vught, Breda, 't Harde en Keizersveer.

Een jaar eerder had ik kennis gemaakt met de heer B., de persattache van de Russische ambassade in Den Haag. Dat was een nogal grofstoffelijke man met zwetende handpalmen, die werkelijk nauwelijks wist waar ons vaderland gelegen was en mij verzocht om een elementaire introductie in de wondere wereld van de Nederlandse politiek. Wij maakten een lunchafspraak in het restaurant van hotel Victoria, onder de rook van het hoofdstedelijk Centraal Station. Daar bleek dat mijn informaties op een werkelijk vorstelijke wijze zouden worden gehonoreerd: met een kamerbrede gebakken tong, benevens een inleidend voorgerecht en een uitleidend nagerecht. De heer B. stelde zijn vragen, ik gaf mijn antwoorden. Inderdaad, bevestigde ik deskundig, de KVP was katholiek, maar de ARP was protestant, zodat een eventueel samengaan van de beide partijen ondenkbaar was. Zeker, een krant als Elseviers Weekblad moest als vrij rechts worden beschouwd. Een krant als Vrij Nederland was daarentegen vrij links, maar toch niet zo links dat het moest ik eerlijk zeggen veel waardering kon opbrengen voor het recente ingrijpen van de Sovjet-Unie in het dwarsliggende Tsjechoslowakije.

De heer B. rochelde nog een stukje vis naar binnen. 'Dat ziet u verkeerd', sprak hij.

Even later ontving ik via hem, namens het miljoenenkoppige Sovjet-volk, de uitnodiging om in Moskou deel te nemen aan de Internationale Conferentie over de Problemen van de Berechtiging van Nazi-misdadigers. Ik vloog naar de Russische hoofdstad en beleefde daar de tien verschrikkelijkste dagen van mijn leven. Mijn medecongressisten bleken allemaal neo-stalinistische hardliners te zijn met even beroerde standpunten. Dat schreef ik allemaal vrij onverveerd in mijn krant en het gevolg was dat de vriendschap met de heer B. ernstig bekoelde. Toch stond hij plotseling weer op de stoep, dit keer om met stijve mond (mijn congresverslag had zijn diplomatieke positie niet versterkt) zijn opvolger te introduceren. Het was de jongeman H., en hij hoopte dat ik hem, gegeven de ingewikkeldheid van de Nederlandse samenleving... Enfin, de jongeman H. en ik synchroniseerden onze agenda's. Ik had inmiddels trouwens al enige heimwee gekregen naar de gebakken tong in restaurant Victoria en bovendien was ik halfverhongerd en driekwartbevroren uit dat ellendige Rusland teruggekomen. Ja, sprak ik een paar dagen later, met de achteloze routine van een ingewijde, de KVP is katholiek en de ARP is protestant, Elsevier is nogal rechts, Vrij Nederland is daarentegen behoorlijk links en al orerende overwoog ik dat wij dit keer best, op rekening van Leonid Brezjnev, een cognacje bij de koffie konden nemen.

De dag van verschijning van het artikel over de atoomkopzorgen van Jan Soldaat spoorde ik naar Den Haag waar een kleine regeringscrisis was uitgebroken, zij het over iets geheel anders dan over mijn nucleaire kabouteronthulling. In het perscentrum Nieuwspoort trof ik toevallig mijn nieuwe relatie. Hoe ging het met mijn krant? Ongetwijfeld interessanter dan ooit? Ik overhandigde de Rus een exemplaar van de pasverschenen editie. Hij begon het stuk over die atoomkoppen onmiddellijk te lezen, met de studieuze aandacht van een schooljongen, en liet er zelfs zijn bier voor verschralen.

In het ochtendblad stond 's anderendaags een bericht over de Russische persattache H. te 's-Gravenhage, die met zijn auto in een Zuidhollandse greppel was gevonden, bij welke gelegenheid de politie een ANWB-kaart had aangetroffen waarop een aantal Nederlandse gemeentes waren omcirkeld. Het waren de gemeentes Havelte, De Lier, Huis ter Heide, Schaarsbergen, Eefde, Leeuwarden, Vught, Breda, 't Harde en Keizersveer. De volgende dag werd de jongeman H. als ongewenste vreemdeling op het vliegtuig naar Moskou gezet zelf heb ik, ondanks alle goede diensten, het Vaderland aller Arbeiders bewezen, nooit meer iets van de Sovjet-ambassade mogen vernemen.