Kritiek

Sinds Jac Heijer niet meer kritiseert is het landschap nog kaler, onvruchtbaarder en ongastvrijer geworden. Neem bij voorbeeld het net uitgekomen Theaterjaarboek. In een artikel wordt tegen het lijsttoneel en het daarmee veronderstelde illusionisme gepredikt (alsof dat een tweeeenheid zou moeten zijn) en in een volgend artikel wordt een pleidooi gehouden voor het illusionisme. De schrijver wil zich mee laten sleuren door het gebodene. Via film wil dat lukken, want men gebruikt minder woorden.

Bij het toneel, bij uitstek het medium van het woord, althans dat betoogt de schrijver, lukt dat meegesleept worden niet. Dus, vervolgt hij, geen repertoiretoneel maar wel onsamenhangende beelden, die, stelt een volgende schrijver, de onsamenhangendheid van de wereld dekken. Dan wordt het weer meeslepend. En dat allemaal omdat de ideologieen begraven zouden zijn. De wereld is niet meer in samenhang te schetsen. Dus alsjeblieft geen inhoud meer, geen maatschappijkritiek. Dat is de teneur. Niet meer nadenken en uitsluitend met z'n allen naar Discordia, Art en Pro en Toneelgroep Amsterdam. Daar wordt het raadsel van de wereld bevestigd en uitvergroot en de kunstschrijvers kunnen achter hun tekstverwerker het raadsel en de versplintering nog eens haarfijn uitleggen. Voor deze kruimellieden lijken De Muur en het socialisme precies op tijd te zijn ingestort.

Achteraf beschouwd speelt men het spel van de jungle overtuigend. Een goede voorstelling van een nieuwe toneelgroep wordt razendsnel tot ijkpunt verheven. Vervolgens wordt dat punt met geweld en veel woordenstroom in stand gehouden, de dan al niet meer zo nieuwe groep wordt cultgezelschap. Langzaam wordt het allang niet meer zo nieuwe gezelschap in een verstikkende omhelzing van ijzeren appreciatie gewurgd. 'Wat jij doet, moet en zal goed!' Dat de aanbedene al wat verslapt door de knelling ontgaat de critici. Als het slachtoffer tenslotte gestikt is, wordt het lichaam opengereten, al het verteerbare wordt uit het scharminkel gegrauwd. Het karkas wordt uit elkaar gereten en de overblijfsels in dat steeds onguurder landschap gedumpt. Daar blijven ze liggen. Vergeten en gehoond. Zelfs het rottingsproces komt niet opgang. De overblijfsels produceren in dit heilloze klimaat van verzuring endioxine niet eens meer de humus voor de opvolgers. Zo wordt door theatercritici en kunstschrijvers in dit land alle regenwoud gekapt. Er blijft geen bewoner over en wie niet meer kan vluchten pleegt zelfmoord. Alleen Hans van den Bergh blijft bestaan. Niet omdat hij zo goed is, maar omdat hij zijn leven lang zo consequent reactionair is gebleven. Godzijdank, er zijn twee lichtpuntjes: Hanna Bobkova en Gerben Hellinga.