Hoog tempo breekt Ritzen en Wallage op

DEN HAAG, 9 nov. 'Zo hard gelopen en toch nog zo ver te gaan'. Dat is de titel van een notitie van minister Ritzen en zijn staatssecretaris Wallage. Het had ook het motto kunnen zijn van hun begroting die deze week in de Tweede Kamer werd behandeld. De bijdragen van de onderwijsspecialisten in de Kamer wezen de afgelopen week allemaal in dezelfde richting: de bewindslieden willen te veel regelen in te korte tijd.

Zo deponeerde Ritzen al een rekening van 150 miljoen gulden bij de werkgevers, nog voor dat het overleg over een nieuwe verhouding tussen onderwijs en arbeidsmarkt goed en wel was begonnen. Toen vervolgens een storm van kritiek opstak van de sociale partners stelde Ritzen de rekening weer ter discussie, dit keer nog voordat de Kamer er aan te pas was gekomen. De parlementaire kritiek op de gang van zaken was unaniem.

Op zich kan een hoog tempo geen kwaad, vond de Kamer. Gemiddeld duurt het immers meer dan vier jaar voordat een onderwijswet is afgehandeld. Maar wanneer er ook nog veel wetten uit de vorige kabinetsperiode liggen die afronding behoeven de volwasseneneducatie, de wet op het hoger onderwijs, de basisvorming en andere dan is de tijd die resteert om eigen beleid te maken te gering.

Wil dat ooit lukken, dan moet natuurlijk de koers van het beleid duidelijk zijn. Dat is bij deze minister niet helemaal het geval, vond Ritzenspartij genoot Van Gelder. Nu de discussie over een fundamenteel onderwerp als een andere taakverdeling tussen overheid en bedrijfsleven is losgebarsten, wil hij dat de minister iets op papier zet over het beroepsonderwijs.

Ritzen heeft dit tot dusver bewust nagelaten, beducht voor loopgravenoorlogen om beleidsnotities. Was het zijn socialistische voorganger Van Kemenade met diens Contourennota niet ook zo vergaan? De Tweede Kamer maakte echter duidelijk dat, wanneer de minister prijs stelt op een goede relatie met het parlement, hij zijn plannen uitvoerig en helder op papier moet zetten.

Ritzen kreeg het deze week bij de begrotingsbehandeling ook nog op een ander punt moeilijk. Alle onderwijsorganisaties waren akkoord gegaan met het convenant over een verbetering van de positie van de leraren. De bewindslieden veronderstelden dat het parlement dan ook wel zijn zegen zou geven aan het akkoord. Daarin stond en passant ook vermeld dat de basisvorming, de schaalvergroting en nog meer controversiele maatregelen doorgevoerd zouden worden.

Hier vonden Ritzen en Wallage onder anderen de GPV'er Schutte tegenover zich. Hij vond dat de bewindslieden met deze afspraken de eigen verantwoordelijkheid van het parlement ongeoorloofd inperkten. Die boodschap moet voor de relatieve buitenstaander Ritzen meer nieuws hebben bevat dan voor de oude rot in het parlementaire vak die Wallage is.

De interventie van Schutte maakte tevens een eind aan de hooggespannen verwachtingen die rondom het verschijnsel convenant waren ontstaan. De bewindslieden lieten keer op keer weten dat de meerjarige afspraken waarin het hoger onderwijs bijvoorbeeld beloofd wordt dat het ontzien zal worden bij nieuwe bezuinigingen de broodnodige rust in het onderwijs zouden brengen en zo het vertrouwen tussen ministerie en onderwijs zouden herstellen. Schuttes nadruk op de eigen budgettaire verantwoordelijkheid van de Kamer maakte echter duidelijk dat, wanneer er zware tijden van nieuwe bezuinigingen aanbreken, het convenant nauwelijks bescherming zal bieden. De minister zei zelf ook al dat het hoger onderwijs bij bezuinigingen op dezelfde manier als andere sectoren zal worden aangepakt.

Ook vanuit het CDA kwam deze week harde kritiek op het tempo van de bewindslieden. A. Hermes (CDA) kritiseerde de aankondiging van Ritzen en Wallage dat de wet op de onderwijsverzorging (onder andere door de landelijke pedagogische centra) ter discussie wordt gesteld. In het regeerakkoord was toch vastgelegd dat die intact zou blijven in deze regeer periode?

Bovendien had Hermes nog iets anders ontdekt. Wallage had bij het goedkeuren van bouwplannen in het voortgezet onderwijs net gedaan alsof de basisvorming al een feit was. Er worden tegenwoordig vooral faciliteiten toegewezen voor grote scholengemeenschappen. Kwam daar niet eerst nog een apart debat over?

De kritiek op de bezuinigingen op 'toevallig net voor het CDA gevoelige zaken' zoals de kleine pedagogische academies waren slechts schoten voor de boeg. Tot nu toe is staatssecretaris Wallage in bijvoorbeeld zijn voorstellen voor de basisvorming zeer omzichtig omgesprongen met de belangen van het bijzonder onderwijs. Maar de uitkomst van de schaalvergroting in het onderwijs die in vrijwel alle plannen van de bewindlieden opduikt zal pas echt antwoord geven op de vraag of de klassieke schoolstrijd tussen socialisten en christen-democraten achter de rug is.