Honderd jaar leven in Venetie

Zelfs wie veel reist, bevindt zich volgens Konrad toch altijd in een omgeving van slechts een paar vierkante meter. De meerwaarde van de reisschrijver is vooral dat hij kan schrijven, verder is hij gewoon een toerist als alle anderen. 'De schrijver bezoekt dezelfde plaatsen maar ziet meer.'

In ieder van ons schuilt een reiziger en een burgerman, een avonturier en een filister, een Oblomov en een Don Juan, een kluizenaar en een zeeman. Sommige schrijvers bezeilen onder duizend gevaren de verste kusten, anderen trotseren elke dag thuis duizend gevaren, en er zijn er ook die zich, lui genesteld in hun stoel, dit alles slechts voorstellen. Inderdaad, het schrijven van een reisverhaal is een vorm van reizen. De beschrijving van de route die je dagelijks naar je werk neemt hoeft als literaire prestatie niet onder te doen voor het relaas van een bezoek aan een exotische havenstad.

Op pad dus! Weg uit de dagelijkse sleur! De gedachte dat we niet overal zijn geweest waar we hadden kunnen komen en we niet alle eigenschappen hebben verworven die we hadden willen verwerven, is eenvoudig onverdraaglijk.

De mediterende meester kijkt gaarne de vogel na die het raam uit vliegt.

Met al onze zintuigen wijd geopend in een vreemde stad op ontdekkingsreis tegaan, is er iets boeienders te bedenken dan dat?

Tussen de vele verslaggevers en buitenlandse correspondenten ontdekte ik een paar tanige jagers. Behalve dat zulke lieden veel terreinkennis bezitten, verstaan zij ook geheime tekens, bij voorbeeld de taal der blikken.

Er zijn mensen die wijsheid verwerven zonder ooit hun dorp te verlaten, anderen worden wijs door meermalen de wereld om te reizen, maar de meeste mensen blijven verstoken van wijsheid, of zij nu in hun dorp blijven of voortdurend onderweg zijn.

Een goed verhaal behoeft: een reisroute met de bijbehorende bezienswaardigheden, de onzekerheid die de zwerver wacht, de mysterieuze inblazingen die hem bij een kruising in de juiste richting leiden en de ongelukken, risico's, dooltochten en avonturen waarmee elke reis gepaard gaat. De lezer wil in levensgevaar verkeren en op het nippertje gered worden.

Reisboeken, reisverhalen, reisrubrieken van kranten, reisjournalen en reisgedichten. Sommige daarvan lees ik alleen wanneer ik iets wil weten over een land, andere interesseren me ook als het betreffende land louter fictief is en alleen in deze teksten bestaat.

Al stap je van het ene voertuig in het andere, je omgeving blijft beperkt tot je eigen lichaam en de paar vierkante meter eromheen. Als je aankomt, wachten je een bed en een deken. Je neemt jezelf en je lichamelijke gewoontes overal mee naar toe.

Aardbol

Wat is de bijzondere waarde van de reisverslaggever in een tijd dat iedereen met weinig risico's en weinig moeite naar elke plaats van de aardbol kan reizen? Wat is zijn bijzondere waarde, als zovele anderen ook naar deze plaatsen toe gaan? Misschien alleen dat hij schrijver is onder de toeristen. Hij bezoekt dezelfde plaatsen maar ziet meer.

Als je van elders komt is elke plaats, althans de eerste dagen, exotisch. Elk mens leest waarschijnlijk graag een beschrijving van het land waar hij net is geweest.

De inboorling is geneigd te denken dat de buitenlander zijn land niet begrijpt doordat hij een buitenstaander is. De buitenlandse auteur zou daarop kunnen antwoorden dat de inboorling, juist doordat hij een insider is, zijn land niet begrijpt. De waarheden van objectieve buitenstaanders zijn zeer verhelderend voor vooringenomen insiders. Er zijn boeken die een land een spiegel voorhouden. Zo zijn Rusland en Amerika nooit nauwkeuriger beschreven dan in de boeken van twee Franse aristocraten: Tocqueville en Custine.

Kunnen de bijbelse verhalen over de omzwervingen van de aartsvaderen en de uittocht uit Egypte niet geinterpreteerd worden als reisverslagen, met de openbaring van de tien geboden als narratief hoogtepunt? Ook Jezus was voortdurend op reis, evenals Odysseus, Don Quichot, Gulliver, Candide en Faust! Als we deze lijn doortrekken, kan bijna elke vertelling als reisbeschrijving worden opgevat.

De veranderingen in Midden- en Oost-Europa hebben al heel wat auteurs van reisboeken naar dit deel van de wereld gevoerd. De bandrecorders en camera's kunnen steeds verder oostwaarts gaan. Het zou een interessant experiment zijn schrijvers en verslaggevers uit verschillende landen gezamenlijk een ontdekkingsreis te laten maken naar de landen in dat gebied die naar zelfstandigheid streven of opnieuw ontstaan. Zo'n onderneming zou ook een zekere socio-ethische betekenis hebben.

In de landen waar kort geleden de democratie werd gevestigd weten de mensen nog niet goed wat ze van zichzelf moeten denken nu alles wat ze tot nu toe verplicht waren te geloven opeens verouderd is. Ze zouden graag willen weten wie ze zijn, wat, te midden van alle veranderingen, hun onveranderlijke kern is. Het publiek is benieuwd naar zichzelf en vraagt om uitdagende typeringen. Zeg ons wie en wat we zijn, vragen ze de reiziger. Maar de reiziger moet vooral ook niet vergeten zijn eigen vooroordelen te toetsen aan de vreemde cultuur en aan de mening van zijn medeonderzoekers. Mogelijk houdt hij aan het gemeenschappelijk veldwerk zelfs vrienden over.

Heimwee

Het begin van zo'n vriendschap zou onze ontmoeting kunnen zijn in deze stad, waarheen een eeuwig heimwee dromers uit verre landen lokt. Venetie is immers de belichaming van de verbeelding en een toonbeeld van creativiteit.

Staande op de voorplecht van de motorboot geniet je van het uitzicht. Op de vierkante binnenplaats van sparren, omgeven door cirkelvormige heggen. Op de gang een Veronese. De Palladio-zaal, waar je plaatsneemt tegenover je gehoor. Achter in de zaal een zuilenrij en nog meer op de achtergrond de baai. De religies hebben zich via de zijderoute verspreid en nu reizen archeologen met het grote schip van de sultan van Oman opnieuw naar Madras en Shanghai om seminariums bij te wonen over de zijderoute. Je hebt deze wat kritische meditatie voorgelezen op een conferentie over reisliteratuur.

Een zwarte gondel glijdt door het smalle Venetiaanse kanaal. Je raam kijkt uit op donkere, schuimende golven. In het water een steiger tussen twee witgestreepte meerpalen. Een zware bruingroene poortdeur met een koperen klopper, de klink op ooghoogte. Als je van de ene kamer naar de andere loopt, kom je van de zestiende eeuw in de zeventiende en vervolgens in de achttiende.

In elk cafe smaakt de grappa naar meer en zijn de bezoekers vriendelijk. Water en steen, steen en water, en slechts hier en daar wat aarde. Je verplaatst je alleen te voet. Je zou hier een mummie worden, maar wel honderd jaar leven. Per Rialto. Per San Marco. Al lopend van plein naar plein en van steeg naar steeg, voel ik dat ik hier mijn hele leven zou kunnen wonen, dat ik hier, licht gezouten door het vochtige zeebriesje, langer met minder toe zou kunnen en behagen zou scheppen in mijn medemensen. Het klotsen van de golfjes, de voortdurende aanwezigheid van schoonheid en de continuiteit van de stadstaat hebben een weldadige uitwerking op psychische spanningen. Ik geloof dat de Venetianen hebben begrepen dat het leven maar kort is en we dus geen tijd hebben voor haatgevoelens. Alleen al het wandelen is hier de vrijheid zelf, want je kunt alle kanten op en hoeft je niet te bekommeren om verkeersborden, en als het een beetje meezit, ben je zo verdwaald. Elke Venetiaan aan wie ik vroeg of hij zou willen dat Venetie weer een aparte republiek werd, antwoordde bevestigend. Natuurlijk! Waarom moeten die Romeinen ons ringeloren? De herinnering aan zelfstandigheid gaat nooit verloren.