Grote kunstverzamelingen uit de zestiende en zeventiende eeuw; De hoorn van de eenhoorn

De Italiaanse kardinaal Alessandro Farnese vond zijn kunstverzameling zo mooi dat hij er in het klein nog een aanlegde, in een kast. De Engelse koning Karel I verzamelde behalve schilderijen van Titiaan en Raphael eskimotrommeltjes, in zilver gevatte struis- vogeleieren en een schoen van Hendrik VIII. Wat is er van de beroemde collecties geworden? Roelof van Gelder over de zwerftocht van kunst langs paleizen, universiteiten, ateliers en burgermanswoningen.

Christina Riebesell: Die Sammlung des Kardinals Alessandro Farnese. Ein 'studio' fur Kunstler und Gelehrte. Uitg. VCH Acta Humaniora. 347 blz. Prijs fl. 187,95. Jeffrey M. Muller: Rubens: The Artist as Collector. Uitg. Princeton University Press. 185 blz. en 140 ill. Prijs fl. 130,35. Arthur MacGregor (red.): The late King's Goods. Collections, Possessions and Patronage of Charles I in the light of the Commonwealth Sale Inventories. Uitg. Alistair Mc Alpine en Oxford University Press. 432 blz. Prijs fl.296,65. Antoine Schnapper: Le Geant, la Licorne, la Tulipe. Collections Francais au XVIIe siecle. Uitg. Flammarion. 415 blz. Prijs fl. 110,

HOEVEEL kunst kan een maatschappij verdragen? Die vraag wordt altijd gesteld in verband met eigentijdse kunst. Maar een overdosis oude kunst, dat komt ook voor. Toen in het vijftiende- en zestiende-eeuwse Rome de archeologische vondsten buitensporige proporties aannamen deed dit probleem zich voor. Wat te doen met die onmetelijke hoeveelheid bouwfragmenten, sculpturen, munten, gebruiksvoorwerpen? Opgraven? Verkopen? Opslaan? Vernietigen? Als het aan het Concilie van Trente had gelegen waren in elk geval de klassieke beelden uit het openbare straatbeeld verdwenen. Die heidense kunst bedreigde het ware geloof en was in veel gevallen aanstootgevend.

De contra-reformatorische geest van het Concilie had enig succes. Opgravingen werden afgebroken en veel openbaar opgestelde beelden verdwenen, dit alles tot groot verdriet van kunstenaars en geleerden. Kardinaal Granvelle was met het plan gekomen om heel Rome op te graven en verder te laten zoals het was. Er zou ook niets naar het buitenland uitgevoerd mogen worden. Rome zou een 'scuola universale' moeten worden: een groot leerzaam museum. Dit moet de eerste keer zijn geweest dat iemand het idee opperde van het 'beschermd stadsgezicht'. Het plan werd niet uitgevoerd. De iets jongere Alessandro Farnese, eveneens kardinaal, was evenmin gediend van die anti-klassieke houding. De schatrijke Farnese (1520-1589) had een passie voor kunst en breidde de al door zijn grootvader paus Paulus III en door zijn broer vermaard geworden collectie in hoog tempo uit. Hij liet het Palazzo Farnese voltooien en bracht daar zijn klassieke beelden, schilderijen, tekeningen, munten en penningen onder. Hij kocht op grote schaal en verleende ook opdrachten. Zo liet hij Titiaan naar Rome komen om de pauselijke familie te schilderen. Nog steeds getuigen deze indrukwekkende portretten van het klimaat van macht, geslepenheid en eruditie.

In haar boek over de collectie van Allesandro Farnese beperkt Christina Riebesell zich niet tot het identificeren, tot het koppelen van de bewaard gebleven inventarissen aan nu nog bestaande objecten. Zij behandelt ook Farnese's activiteiten als archeoloog en reconstrueert hoe hij zijn bezit opstelde. Farnese had in samenwerking met de antiquaar Fulvio Orsini zijn paleis weloverwogen ingericht, waarbij hun een humanistisch vormingsideaal voor ogen stond. Zijn paleis moest een 'scuola pubblica', worden, een half openbaar instituut waar kunstenaars en geleerden de voorwerpen konden bestuderen. Riebesell maakt ook aannemelijk dat een tegenwoordig in Ecouen bewaarde kunstkast in het paleis heeft gestaan en dat deze kast, die van buiten door zijn architectonische vormen alle trekken van een miniatuurgebouw vertoont, de ziel van de verzameling is geweest. Zoals het Palazzo Farnese een museum van oude en contemporaine kunst was, zo bevat deze kast met zijn uitgelezen inhoud van munten, penningen, cameeen, kleine beelden, miniaturen en manuscripten, de essentie van de hele verzameling. Deze kast was een mikrokosmos.

NA DE dood van Alessandro Farnese raakte het paleis en de collectie in handen van een neef, die het paleis liet verbouwen en de collectie verplaatste, zodat de hele ordening verloren ging. De verzameling raakte verspreid, maar het is mogelijk dat in 1600 de dan 23-jarige Peter Paul Rubens nog delen van de Farnese verzameling in de oorspronkelijke opstelling heeft gezien. In elk geval heeft hij onderdelen van de collectie bewonderd. Zoals zovele Noordeuropese kunstenaars was ook Rubens over de Alpen getrokken om de klassieke en de eigentijdse kunst te bestuderen. Hij bleef er acht jaar, waarvan de meeste jaren aan het hof van de hertog van Mantua.

Ook Rubens is een belangrijk verzamelaar geweest en ook over zijn collectie is onlangs een studie verschenen. De Amerikaanse kunsthistoricus Jeffrey M. Muller heeft een uitgebreide catalogus gemaakt van al het beeldhouwwerk en alle schilderijen die Rubens in zijn bezit heeft gehad. Het merendeel daarvan is in het boek gereproduceerd. Een grote voorliefde voor de Italiaanse schilderkunst is onmiskenbaar. In de inleiding analyseert Muller de betekenis die deze voor de Nederlanden ongeevenaard rijke en gevarieerde collectie voor de schilder gehad moet hebben. De verzameling schilderijen, prenten, tekeningen en beelden in Rubens' huis diende in de eerste plaats als studiemateriaal voor hemzelf en voor zijn leerlingen. De bibliotheek bevatte alle relevante literatuur over schilder- bouw- en beeldhouwkunst. Daarnaast is het motief van beleggen aanwezig. Minstens zo belangrijk was een status verhogende motief. Rubens stamde uit een vermogend burgerlijk geslachten heeft zichzelf en daarmee zijn metier zover weten te emanciperen dat hij alle vorstelijke eerbewijzen kreeg die een kunstenaar zich maar wensen kon. Hij kon letterlijk kiezen tussen een positie als hofschilder in Madrid, Wenen, Praag, Londen of Brussel. Hij heeft aan vele hoven gewerkt, werd ingeschakeld als diplomaat, maar keerde altijd naar Antwerpen terug.

Toen Rubens in 1629 voor een politieke missie in Londen verbleef werd hij verbluft door de vele kunstverzamelingen die hij daar aantrof. In dit barbaarse klimaat, zo schreef hij, zover van de Italiaanse elegantie, had hij dit niet verwacht. Rubens' aanzien in de hoogste kringen wordt door dit Londense verblijf goed geillustreerd. Hij voerde onderhandelingen, bezocht uitgebreid de verzamelingen van grote kenners als Arundel en Buckingham en natuurlijk die van koning Karel I zelf, die in deze jaren in hoog tempo werd uitgebreid. De vorst gaf hem ook de eervolle opdracht tot de decoratie van Banqueting House.

HET IS ironisch dat het schavot dat Karel I op 30 januari 1649 betrad, juist naast Banqueting House was opgericht. De koning zou de door Rubens geschilderde plafonds in zijn laatste ogenblikken hebben kunnen zien. De dood van de koning betekende ook het einde van de koninklijke verzameling. Vijf dagen na de executie trad een wet in werking die het complete koninklijke bezit moest inventariseren en te gelde maken. Hiermee zou niet alleen de gehate uiterlijke praal van de Stuarts verdwijnen, uit de opbrengst zou men ook de schulden van de koning kunnen betalen. Omdat die bezittingen over tientallen paleizen verdeeld verspreid waren, was deze inventarisatie geen sinecure. Toch was die binnen enkele maanden voltooid. Zij vormt de basis voor The late King's Goods, een voorbeeldig uitgegeven boek over Karels bezit. Na een helder overzicht van de traditie van vorstelijke collecties, behandelen verschillende specialisten in afzonderlijke hoofdstukken zowel de gebruiksvoorwerpen als de kunstvoorwerpen. Bij de schilderijen valt Karels Italiaanse smaak op. Met de noordelijke kunst had hij minder op. Hij schonk in elk geval met royale hand Durers, Holbeins en vroege Nederlanders weg. Wel gaf hij opdrachten aan barokke noordelingen als Rubens en Anthonie Van Dijck. Aan deze laatste danken we het voortleven van Karel I op de sigarenbandjes.

De opbrengst van de verkoop van Karels bezit ging allereerst naar zijn schuldeisers. In enkele gevallen mochten ze ook direct kiezen. Zo kreeg de hofloodgieter zijn rekening van 900 pond betaald in 400 pond cash en in 500 pond aan schilderijen. Aangezien hij verstandig genoeg ook een Titiaan uitzocht, zal hij zonder mopperen naar huis zijn gekeerd. Voor Engeland betekende deze verkoop een groot verlies. Weliswaar kochten ook Engelse verzamelaars uit de koninklijke collectie, maar veel raakte verspreid op het continent.

Het laatste hoofdstuk van The Late King's Goods bevat een rubriek 'Curiosities and Rarities'. Hierin staan objecten die wij nu zouden verdelen over etnografische, historische en natuurhistorische musea: een Indiase boog, een in zilver gevat struisvogelei, een eskimotrommeltje, een Chinese waaier, een schoen van Hendrik VIII, kortom een ratjetoe. Toch waren dit geen ondergewaardeerde objecten. Sterker nog, een van de duurste voorwerpen behoorde juist tot deze categorie en wel de hoorn van een eenhoorn. Het duurste object uit 's konings collectie was een Raphael die voor 2000 pond de deur uitging, twee doeken van Coreggio brachten elk 1000 pond op, maar dit waren uitzonderingen. De meeste schilderijen brachten daar maar een fractie van op, doorgaans ver onder de 50 pond. Het is dan ook tekenend dat juist de twee eenhoornhoorns op 500, respectievelijk 600 pond werden getaxeerd, een waarde die zij ontleenden aan hun vermeende magische en geneeskrachtige eigenschappen. Met behulp hiervan was het bijvoorbeeld mogelijk vergiftigingen aan te tonen.

MET ENIGE spijt constateren de samenstellers van The Late King's Goods dat Karel nooit een rariteitenkabinet heeft ingericht. Er waren Engelse verzamelaars die dat wel deden, maar op grote schaal kwamen die vooral op het continent voor: in Italie, Duitsland, Frankrijk en de Nederlanden. Het standaardwerk op dit gebied dateert uit 1908; daarna zijn wel bundels, deelstudies en catalogi over dit onderwerp gepubliceerd, maar een werkelijk fundamenteel nieuwe studie is Le geant, la licorne, la tulipe van de Franse kunsthistoricus Antoine Schnapper. Weliswaar handelt het over Franse rariteitenkabinetten, maar door de vele onderlinge contacten tussen de verzamelaars heeft dit boek een Europese waarde. Een Nederlandse vertaling zou welkom zijn.

Schnapper behandelt zeldzaamheden uit het rijk der natuur, over collecties daarvan, die een afspiegeling van die natuur probeerden te zijn, over de bezitters ervan, die op verschillende niveaus van geleerdheid de raadsels van die natuur probeerden te ontrafelen. Schnapper schildert een fascinerend beeld van de verbazing en de niet aflatende pogingen tot verklaring waarmee de curieux, zoals de eigenaars van deze kabinetten zich noemden, zich op hun objecten wierpen.

Schnappers boek is zelf een welgeordend rariteitenkabinet, waarin we lezen over amber en ivoor, over bezoarstenen en de roos van Jericho, over fossiele zeeegels en paradijsvogels. Hoe werden deze materialen gevormd, waar leefden deze wezens, waar kwamen ze voor, hoe oud waren ze, welke heilzame werking ging er van uit? Bij de behandeling van deze curiosa volgt Schnapper zoveel mogelijk de onderverdelingen die de zeventiende-eeuwer maakte: dierlijk, mineraal en plantaardig. Maar overeenstemming bestond daarover allerminst. Viel een koraal nu onder de planten of de gesteenten? Was een fossiel, een steen die door een speling van de natuur de vorm van een vis of een plant had gekregen, of was het in oorsprong echt een vis of een plant geweest? Omdat Schnapper de verzamelaars en hun discussies in zijn studie betrekt, is dit veel meer dan een boek vol rariteiten. De lezer krijgt een goed beeld van de obsessies der geleerden, obsessies die direct met religie, filosofie, geschiedenis en geneeskunde samenhangen. Hoe kon men zich het ontstaan van een fossiel voorstellen als de aarde niet ouder was dan 6000 jaar? Hoe kon men bewijzen dat de eenhoorn bestond? Zij die eraan twijfelden, brachten altijd naar voren dat nog nooit iemand zo'n dier gezien had. De voorstanders brachten daar steevast tegenin dat Amerika, voor dat het door Columbus was ontdekt, wel degelijk aanwezig was.

DE VIER hier besproken boeken zijn in dezelfde periode geschreven en verschenen. Ze getuigen van een verhevigde belangstelling voor smaakgeschiedenis en voor een type ideeengeschiedenis dat niet zozeer uitgaat van geschreven teksten, maar veel meer van de iconologische waarde van objecten en de rangschikking daarvan. De literatuurlijsten van deze boeken verwijzen niet naar elkaar, maar impliciet kruisen de auteurs elkaars pad. Of liever gezegd, de hoofdpersonen doen dat: het hele legertje van verzamelaars, kunstenaars, geleerden, kunstagenten, diplomaten en toeristen, dat in de onderhavige periode, van ongeveer 1550 tot 1700 in Europa op pad was. Zij opereerden als bezoeker, koper, tussenpersoon of onderzoeker en duiken in deze vier studies telkens op.

Maar eerder nog zijn het de begeerde voorwerpen die als hoofdpersonen gaan werken. Schilderijen, sculpturen, stenen, preparaten en muntverzamelingen kan men volgen op hun rusteloze zwerftocht. Nu eens vinden ze onderdak in een paleis, dan weer worden ze verkocht en zorgzaam vervoerd naar een villa, een universiteitsgebouw, een atelier of een burgermanswoning.

De wisseling van eigenaar en dus van plaats en wijze van exposeren geeft ook aan, hoezeer de waardering voor de voorwerpen is veranderd. Of het nu objecten uit de natuur of de kunst betreft, de waardering veranderde onder invloed van ontwikkelingen in kunst, wetenschap en politiek. Zo daalde de waarde van de hoorn van de eenhoorn toen zijn faam op een fabeltje bleek te berusten. De hoorn van dit zeldzame dier, met zijn onuitputtelijke geneeskrachtige werking is tegenwoordig gedegradeerd tot een ordinaire narwaltand in een stoffig hoekje van een oudheidkamer. De bewondering voor een portretreeks van Europese vorsten, hetzij geschilderd, hetzij op penningen of in grafiek, verdween, toen die vorsten hun belang verloren hadden. In het beste geval behoedt de roem van de schilder zo'n portret voor het depot. In het moderne museum, dat openbaar is en niet meer verkoopt, eindigt de biografie van menig kunstwerk.