Golfcrisis drukt resultaat van grootste oliemaatschappij ter wereld; Koninklijke/Shell is beetje in de rui; Omgerekend kost een liter benzine in de VS twee kwartjes

ROTTERDAM, 9 nov. De Koninklijke/Shell Groep is een beetje in de rui. Echt ernstig is dat niet, want bij een gezond pelsdier is de rui een tijdelijk verschijnsel. Het laat bosjes haren vallen, maar krijgt er een nieuwe, glanzende vacht voor terug.

Zoals bij meer energie-intensieve bedrijven heeft Saddam Hussein de resultaten van Shell sinds 2 augustus, de datum van de invasie van Koeweit, flink beinvloed. In het voorbije derde kwartaal steeg het nettoresultaat van het concern (tegenover dezelfde periode vorig jaar) enorm: van 652 miljoen Britse ponden tot 1.094 miljoen pond nu. Maar dat is eigenlijk een opgeblazen getal, een ruige vacht die uitvalt, want in die winst is de veel hogere waardering van de voorraden begrepen die louter het gevolg is van de sterk gestegen prijs voor ruwe olie.

De harde werkelijkheid voor Shell is anders. Zonder die voorraadwinst blijkt het resultaat met 28 procent gedaald: tot 480 miljoen pond sterling (ruim 1,8 miljard gulden) tegen 667 miljoen pond in het derde kwartaal van 1989. De beleggers op de Amsterdamse beurs hadden dat gisteren snel door, want de oliefondsen noteerden een verlies van 2,20 gulden per aandeel.

Wie denkt dat Shell als grootste oliemaatschappij ter wereld wel vaart bij de Golfcrisis, heeft het dus mis. In de oliebusiness is niemand zeker van een grote winst, ook al bestaat er een enorme vraag naar olieprodukten.

In die vraag zit meteen de kern van het probleem van Shell. Benzine en andere brandstoffen kunnen nog zo geliefd zijn bij automobilisten en luchtvaartmaatschappijen, ze moeten tegen een reele prijs kunnen worden verkocht. In Nederland en de meeste andere Europese landen lukt dat redelijk, omdat oliemaatschappijen hier wordt toegestaan het systeem van 'verantwoorde voorraadvervanging' te hanteren. Dat wil zeggen dat verkochte voorraden, die tegen de actuele prijs op de internationale markt weer moeten worden ingekocht, vervolgens aan de benzinepomp worden verkocht tegen een prijs per liter waarin de aankoopkosten zijn doorberekend.

In de Verenigde Staten en een aantal andere landen waar Shell actief is, wordt dat niet toegestaan of accepteert de markt die prijsverhogingen niet. President Bush oefende al kort na het begin van de Golfcrisis druk uit op de oliemaatschappijen om hun prijsverhogingen te matigen. Daardoor is de Amerikaanse automobilist vergeleken bij menige Europese weggebruiker verwend, nog afgezien van het veel lagere belastingbedrag dat hij op zijn brandstof betaalt. Een Amerikaan betaalt nu voor een gallon benzine (4,5 liter) gemiddeld zo'n 1,35 dollar, omgerekend 2,25 gulden.

Shell Oil, de Amerikaanse dochter van de Koninklijke bijvoorbeeld, moest door dat prijsbeleid een enorme klap incasseren: een halvering van de totale winst tot 113 miljoen dollar in het derde kwartaal van dit jaar vergeleken met dezelfde periode in 1989. Beperkt tot de sector 'downstream' (raffinage en verkoop van olieprodukten) werd een winstval van 106 miljoen naar 13 miljoen dollar in het derde kwartaal geboekt. Shell Oil is de grootste benzineverkoper in Amerika. De gemiddelde aankoopprijs voor ruwe olie steeg, omgerekend per gallon benzine, met 39 dollarcent, terwijl daarvan slechts 19 cent aan de pomp mocht worden doorberekend.

Voor de gehele Koninklijke/Shell Groep staat daar een winststijging met .. procent in de sector 'upstream' (oliewinning) tegenover, tot een totaal van 420 miljoen pond in het derde kwartaal. Dat had hoger kunnen zijn, want Shell had de pech dat drie van haar vier olieplatforms in de Noordzee, waar de beste olie wordt gewonnen, waren stilgelegd voor een grote onderhoudsbeurt juist in de periode dat Saddam Hussein zijn slag probeerde te slaan.

De maatschappij moest in het vorige kwartaal ruwe olie inkopen voor een prijs per vat die met 50 procent was gestegen. Dat betekende ook voor de sector chemie een gevoelig verlies van 74 miljoen pond Sterling, omdat de grondstoffen nafta en gasolie navenant in prijs stegen. De opbrengststijging voor het totale pakket aan olieprodukten in dollars per vat bedroeg echter slechts 30 procent. Shell moest hierop dus een verlies van 20 procent puntincasseren. Voor een deel is dat te verklaren uit de verliezen op verkopen zoals in de Verenigde Staten. Voor een ander deel komt het doordat de prijzen voor olieprodukten, die op de internationale markten worden bepaald, altijd naijlen bij de prijs voor ruwe olie.

Shell is daar extra gevoelig voor omdat het concern slechts een derde van de ruwe olie die nodig is om in de behoefte van de raffinaderijen te voorzien, zelf produceert. De rest wordt op de wereldmarkt gekocht. Bovendien verkoopt Shell ongeveer 35 procent van haar produkten via de benzinepompen. De overige 65 procent wordt geleverd aan luchtvaarmaatschappijen, scheepvaart- en grote industriele bedrijven, voor een prijs die op de naijlende produktenmarkt wordt bepaald.

Concurrenten als British Petroleum, Amoco en Atlantic Richfields hebben een groter aandeel in de oliewinning dan Shell, dat voor 38 procent actief is in die sector en 36 procent verdient in de raffinage en verkoop. Daardoor kwam het Nederlands-Britse concern wat minder sterk tevoorschijn uit het derde kwartaal. Daaruit volgt dat Shell bij een vreedzame oplossing van de Golfcrisis, die zal lijden tot prijsdalingen voor ruwe olie, het omgekeerde effect kan boeken: herstel van het winstniveau. Met een flinke dosis geluk heeft het concern in het voorjaar een nieuwe, glanzende pels.