Geluk

'Geld bleek in de familie in meer dan voldoende mate aanwezig te zijn. Waar het vandaan kwam wist [mijn vader] niet; zolang als mijn ouders zich konden herinneren en datzelfde gold voor opa en oma was het er geweest. Het was als de lucht en het water, men vroeg niet waar ze vandaan kwamen, men had er het genot van.'

De held van Remco Camperts Gouden Dagen laat het de lezer terloops op pagina 52 weten en daarmee verklaart hij een van de geheimen van het menselijk geluk zoals dat degenen die er ontvankelijk voor zijn, zelfs in deze eeuw nog ten deel kan vallen.

'Al een jaar of vier, ' zegt de schrijver zelf, in een vraaggesprek met Guus Vleugel in de Haagse Post (26 okt), 'liep ik rond met het plan iets te gaan schrijven over iemand die alleen het geluk kent, maar ik wist bij god niet hoe dat zou moeten. Uitsluitend gelukkig zijn kan waarschijnlijk alleen iemand die geen rekening houdt met de gevoelens van anderen en dat deed mijn hoofdpersoon dan ook niet. Het zou gewoon een liberale oude meneer worden, en ik dacht: ik zie wel wat er met hem gebeurt.'

De held van Campert is geen liberale oude meneer, althans niet iemand die op hoge toon en met klappen van de wandelstok de rojen mores wil leren en die als zodanig in de beperkte Nederlandse politieke sociologie past. Hij is wel zeer Nederlands gebleven, waarschijnlijk voorbeeldig vaderlandslievend en trouw aan Hare Majesteit, maar ook zo internationaal of misschien beter: cosmopolitisch als men ongeacht zijn geboortegrond kan zijn. Daarbij is hij, binnen de grenzen van de moderne tijd, vrijwel tijdloos. Als Gouden Dagen geillustreerd was, zou het voorzien zijn van een grote hoeveelheid zwart-wit kiekjes met kartelrand, misschien een door Jan Sluyters geschilderd portret (hoewel? teveel parvenu om het in memoires af te drukken) en een staalgravure waarop de held met zijn trouwe dragers in het oerwoud.

Brengt ons dat nader tot het antwoord op de vraag wat geluk is? Nee. Op z'n hoogst kunnen we zeggen dat er allerlei vormen van geluk zijn. Een daarvan bestaat uit zorgeloosheid, gepaard aan gelijkmatigheid met de overgeerfde vaardigheid en het talent om zich niet te vervelen. Daarvoor moet je in staat zijn, zoals Campert zegt, geen rekening te houden met de gevoelens vananderen. Wie gelukkig is maar te zwak, wordt in minder dan geen tijd door zijn naaste en verdere omgeving gechanteerd, gepolitiseerd en weldra in het al even gelijkmatig gezeur van alle dag gelijkgeschakeld. Tegenover het met vanzelfsprekende vaardigheid gehandhaafde kapitalistengeluk is de Nederlandse beschaving onverdraagzaam. Het scheelt niet veel of het brengt de politie op de been.

Het begrip geluk behelst een van de grootste vraagstukken in de Nederlandse literatuur. (Het andere is 'dramatische handeling'). 'Doe maar gewoon, dan doe je al gek genoeg, ' citeert Campert in zijn vraaggesprek de beproefde Nederlandse wijsheid. 'Een vreselijk idee, een ramp voor het Nederlandse volk. Karel van het Reve kan mooi schrijven, maar bij bepaalde van zijn theorieen denk ik: ik ga liever bollen pellen. Dat zuinige gedoe, het regent en de pendule tikt, en oom zegt: stel je niet aan jongen.' Zo is het. Als je goed naar die nationale oom luistert, zul je nooit een groot belang krijgen in de Kanaaltunnel, op zoek gaan naar de bronnen van de Orinoco of tot diep in de nacht met je kunstenaarsvrienden in het Parijse restaurant over de nieuwe tijd twisten.

Tegenover het geluk van de Gouden Dagen het bestaan voorzien van alles wat het hart niet alleen begeert maar waarop het van nature aanspraak maakt, het leven zonder tragiek zich gewoon afspelend in de hoogste sferen dat is een vorm van gewoonheid die er bij ons eenvoudig niet in wil. We moeten ons niks verbeelden, dat is niet voor ons weggelegd. Tegenover iemand die aan een stuk door gouden dagen beleeft nemen degenen die de Nederlandse beschaving beheren bij voorbaat een verdedigende, op zijn best een ironische, op zijn slecht steen kifterige houding aan. Het is Pavlov op zijn diepst geworteld.

Je doet er niets aan, behalve dat je je op z'n tijd ervan verzekerd kunt houden dat de Deltawerken hun eigen kracht en poezie hebben. Wie het liefst pindakaas op z'n boterham heeft, hoeft niet per se van het geluk te worden uitgesloten al is het dan een ander dan dat van de gouden dagen.