Galerie

Galerie Barbara Farber, Keizersgracht 265, Amsterdam. T/m 27 nov. Di. t/m za.13-18u. Perspektief, Eendrachtsweg 21, Rotterdam. T/m 24 november. Di. t/m za. 12-17u. Galerie Dionysus, Osseweistraat 6B. T/m 25 nov. Wo. t/m zo. 14-18u. Catalogus (Engels- of Nederlandstalig, 128 blz.) fl. 35, -.

Non-sculpture

Behalve de prijs, de naam van de maker, het formaat en de titel vermeldt een galerie op de prijslijst meestal ook het materiaal waarvan een kunstwerk is gemaakt. Bij een gewoon schilderij zegt dit niet zoveel over het kunstwerk: olieverf op doek is een tamelijk neutrale mededeling, het schilderij kan nog van alles voorstellen. Voor de nieuwe tentoonstelling bij galerie Barbara Farber in Amsterdam zijn de gegevens over het gebruikte materiaal veelzeggender. De informatie laat zich soms bijna lezen als de beschrijving van het kunstwerk. Bij 'Wagner' van de Franse kunstenaar Bertrand Lavier staat bij voorbeeld vermeld: 'painted spraygun' en dat is ook precies wat het kunstwerk is: een met dikke verfstreken bedekte elektrische verfspuit. De lijst bij het kunstwerk van de Duitser Eberhard Bosslet is indrukwekkender. Het werk 'Altlasten' werd vervaardigd uit 'compressed airpillow, compressed air bottle, controller unit, tire, fabric, grate.' Het noemen van de materialen voor het kunstwerk van Guillaume Bijl heeft men bij Farber achterwege gelaten: behalve papier en potlood werden hiervoor onder andere een archiefkast, een schildersezel, kapiteel, ansichtkaart, relief en nog veel meer gebruikt. Hier moet het woord installatie volstaan.

Behalve van Bijl, Lavier en Bosslet is op de tentoonstelling bij Farber ook werk te zien van de Argentijn Guillermo Kuitca, de Spanjaard Juan Munoz, de Portugees Cabrita Reis en de Amerikaan Vik Muniz, de Italiaan Giulio Paolini en de Nederlander Pieter Laurens Mol. Dit internationale gezelschap is samengebracht om de laatste ontwikkelingen op het gebied van de beeldhouwkunst te tonen. De tentoonstelling heet echter 'non-sculpture', waarmee men wil aangeven dat er in deze tak van kunst sprake is van een probleem: kan men nog wel van beeldhouwkunst, in het Engels van sculpture, spreken? Het woord objectkunst is volgens Farber niet geschikt, omdat daar de 'ruimtelijke installaties', zoals die van Bijl, niet onder zouden vallen. Als we naar de door de kunstenaars op deze tentoonstelling gebruikte materialen kijken, voldoet de term beeldhouwkunst inderdaad niet. Maar dat deed hij eigenlijk altijd al niet: een beeld kun je nu eenmaal alleen uit steen houwen, niet uit klei of metaal. Dat deze term voor driedimensionale kunst in zwang blijft, lijkt mij alleen daarom al niet zo erg. Het neutralere woord sculptuur heeft de term beeldhouwkunst ook nooit kunnen verdringen. Zelfs nu klei, metaal, buitenissige materialen en ready-mades gemeengoed zijn geworden lijkt een nieuwe naam niet noodzakelijk: de term beeldhouwkunst heeft juist het voordeel dat de geschiedenis van deze tak van kunst erin doorklinkt.

Historisch besef is bij de ene kunstenaar op de expositie duidelijker aanwezig dan bij de andere. Blijft een verfspuit een verfspuit als ik hem beschilder of wordt hij dan kunst, vraagt Bertrand Lavier. Kunst, luidt sinds Duchamp het antwoord (al deed hij het zonder verf).

Cabrito Reis, die voor het eerst in Nederland exposeert, is subtieler. Op twee spiegels, de bovenkant van twee lage tafeltjes, zette hij twee bruine maquettes van bergen. De ene maquette is gemaakt van slordig bruin geschilderd gips, de andere is een stuk van een boomstronk.

Duister en mooi is het werk van Pieter Laurens Mol, die in oktober zijn eerste solotentoonstelling in New York had (bij de Louver Gallery). Boven een openstaande koffer van heel dun metaal hangt aan een ketting een zwart-wit foto in een metalen lijst. De foto is een montagefoto van een huis en een in een deken gewikkelde man. In de koffer ligt vieze aarde vermengd met kiezelsteentjes en stroperige plakken teer.

Barbara Farber exposeert geen nieuwe stroming in de beeldhouwkunst. De meeste kunstenaars vertellen niets nieuws, maar stellen oude vragen op een goede manier opnieuw of maken iets moois en geheimzinnigs. De prijzen ontlopen elkaar niet veel: 26.000 gulden voor de verfspuit van Lavier, 20.000 voor de bergen van Reis, 36.000 voor de koffer van Mol.

Berlin-Berlin

Er bestaan in Nederland geen speciale galeries voor beeldhouwkunst. Wel voor fotografie. Een van de actiefste is Perspektief in Rotterdam, die ook een gelijknamig tijdschrift uitgeeft en lezingen en workshops organiseert. Dat Perspektief graag actueel is blijkt op de huidige tentoonstelling niet alleen uit het soort fotografie dat geexposeerd wordt, maar ook uit het onderwerp, Berlijn.

De Nederlandse kunstenaar Fons Brasser wordt al jaren gefascineerd door de S-Bahn, de stadstrein van Berlijn. Door de Berlijners wordt de S-Bahn, die tot 1984 geheel door Oost-Berlijn werd geexploiteerd, ook wel de Geisterbahn, de spooktrein, genoemd. In 1984 kocht West-Berlijn na jaren onderhandelen het westelijke deel van de S-Bahn en begon met de restauratie en het weer in gebruik nemen van de gesloten stations. Dat men nu ook met de S-bahn weer door heel Berlijn kan reizen, is op de foto's van Brasser nog niet te zien. Ze zijn tussen 1983 en 1986 gemaakt.

Brasser, die bij andere grote projecten vaak vanuit rare hoeken fotografeert, heeft zich bij de S-Bahn ingehouden en een gewoon perspectief gebruikt. Hij fotografeerde 58 stations in West-Berlijn, steeds van buiten en van binnen. In de galerie zijn ze zo opgehangen dat men de stations van een lijn in de juiste volgorde ziet.

Wat men ziet is troosteloos. Gras en onkruid tussen de rails en in verschillende stadia van verval verkerende stations. De naamborden versterken het effect. Mooie namen als Sonnenallee of Kollnische Heide stemmen weemoedig, historische namen als Hohenzollerndamm of Spandau roepen gruwelijke geschiedenis op. Per stuk of per tweetal zijn de foto's een beetje saai. Samen, en met de geschiedenis van trein, stad en land in het achterhoofd, vormen ze een mooi document.

De tweede exposant in Perspektief is de Duitse fotograaf en tentoonstellingsmaker Joachim Brohm. Hij fotografeerde in 1986 en 1987 plekken in Berlijn, die door documentaire fotografen al honderden malen zijn vastgelegd. Brohm deed het echter in hele tere kleuren, onscherp, vaak vanuit een vreemde hoek of van heel dichtbij. Soms is deze mooimakerij heel flauw, zoals bij een close-up van de Muur met voor in het beeld een verdord plantje, waarvan het bruin fraai contrasteert met de rode graffiti. Toch heeft zijn methode af en toe succes, het meest bij zijn foto van een deel van de Brandenburger Tor. Dat deel ziet eruit als een fabriekspijp en in het bleke blauw ernaast vliegt een vogel, die in deze omgeving meteen een adelaar wordt.

Hoe verschillend het werk van deze twee fotografen ook is, het roept toch een beetje hetzelfde gevoel op: beklemming, weemoed en nieuwsgierigheid naar de toekomst. Hoe zien de plekken die zij fotografeerden er over een paar jaar uit? Voor een duidelijk antwoord op die vraag lijkt de methode van Brasser me eerder geschikt, foto's als die van Brohm werken alleen als we de plekken al kennen.

De foto's van Brasser kosten per stel 400 (PE-papier) of 600 gulden (barietpapier) (prijs van de hele serie in overleg met de kunstenaar); de foto's van Brohm 1150 (40 x 50 cm) of 2900 (70 x 100 cm) gulden.

Hotel Fantasia

In de Osseweistraat, een afbraakstraat in Rotterdam, staat sinds kort eenhotel. Het heeft 44 kamers en werd ontworpen door de jonge architect Willem Timmer. De 44 kamers zijn ingericht door voor het merendeel jonge, onbekende kunstenaars, voornamelijk uit Nederland en Europa. Het project, waaraan drie jaar is gewerkt, kostte in totaal ongeveer 60.000 gulden, waarvan 42.000 gulden werd betaald door het ministerie van WVC.

Men kan in het hotel niet slapen. Twee kamers worden geheel gevuld door een paar schoenen, in een andere stappen struisvogels rond, kamer 8 wordt in beslag genomen door twee enge ijzeren stapelbedden en kamer 11 is gereserveerd voor een souvenir uit Italie, het blauwe licht van Assisi.

Dat men in het hotel niet slapen kan, komt echter niet door de ingrepen van de kunstenaars. Het hotel is er gewoon veel te klein voor. Het staat in galerie Dionysus en het is maar vijfeneenhalve meter lang. Dat ik toch even net gedaan heb alsof het om een echt hotel ging, komt doordat de organisatoren wilden dat de hoteltentoonstelling over een bepaald onderwerp ging: de perceptie van ruimte, voor deze gelegenheid toegespitst op de betekenis van het begrip schaal in de beeldende kunst.

Het is een interessant onderwerp en in de catalogus heeft men zijn best gedaan het uit te werken. Maar als je voor het hotel staat en de kamertjes in kijkt, zie je niet dat de kunstenaars zich nu speciaal om de perceptie van ruimte of om de schaal hebben bekommerd.

Het grappige is dat dat er niet veel toe doet. In het fraaie hotel is genoeg te zien. De meeste kunstenaars hebben, denk ik, hun eigen onderwerp voor deze keer op de kleinere schaal toegesneden, al is dat niet zeker omdat ik hun andere werk meestal niet ken. De dingen waarmee men de kamertjes vult doen echter bij de meeste deelnemers andere preocupaties dan de perceptie van ruimte vermoeden. Het gevaar van het kleine formaat is dat de kunst snel iets kneuterigs kan krijgen, maar dat hebben de meeste kunstenaars wel weten te vermijden.

De tentoonstelling zal volgend jaar waarschijnlijk in Antwerpen en Londen te zien zijn. Daarna wordt het hotel afgebroken, tenzij men een koper vindt.