Een lichtmast met een gedachte; experiment met pleinen en parken in Barcelona

Hoe is het mogelijk dat Barcelona een paradijs is van stadsvernieuwing en architectuur en in Amsterdam het ene afschuwelijke plan na het andere wordt uitgevoerd? Zijn wij zulke wildemannen? Max van Rooy reisde naar Spanje en vergaapte zich aan wat 'het Barcelonese experiment' wordt genoemd: nieuw ingerichte pleinen en parken, aantrekkelijke promenades en het Olympisch dorp, groots maar niet onbescheiden.

Tegenwoordig heeft alles kwaliteit, goede kwaliteit, slechte kwaliteit, geen kwaliteit, of kwaliteit tout court. Gaat het slecht met een bedrijf, dan is het waarschijnlijk dat de kwaliteit van het management te wensen overlaat. Je hoort vaak dat het met de kwaliteit van het parlement in ons land even bedroevend is gesteld als met de kwaliteit van het politieke debat. Over de kwaliteit van de kunstkritiek wordt links en rechts schamperend gesproken. Het werk van Vincent van Gogh, daarentegen, is van onbetwiste kwaliteit en om dat aan te geven wordt het drieletterwoord 'top' voor het woord kwaliteit geplaatst.

Kwaliteit is het stopwoord van de jaren negentig, het wonderwapen dat ongegeneerd op alle fronten, ook de niet-commerciele, wordt ingezet.

'Een beleid gericht op het bevorderen van architectonische kwaliteit laat zich niet van de ene op de andere dag van de grond tillen.' Deze zin, van het kaliber 'We zullen deze verliesgevende tent eens even uit het dal fietsen', staat te lezen op de voorpagina van een van de vele publikaties die de laatste tijd door de overheid zijn uitgebracht als prelude op de Nota Architectuurbeleid. Al jarenlang hebben de ministeries van Vrom en WVC deze nota in de pen en al jarenlang staat hij op het punt te verschijnen, zo ook nu. Het schijnt dat de V van Vrom, de weinig stimulerende afdeling Volkshuisvesting, hardnekkig weet te voorkomen dat er van dat punt wordt afgestapt, richting openbaring wel te verstaan.

Mocht dit ooit geschieden, dan zullen we te weten komen wat architectonische kwaliteit volgens de overheid nog meer is dan gewoon waardevolle architectuur en zullen we te weten komen hoe de overheid zich voorstelt die felbegeerde architectonische kwaliteit te bewerkstelligen.

Wel weten we al, dat de architectonische kwaliteit nauw zal moeten aansluiten bij, of misschien zelfs een geheel vormen met 'ruimtelijke kwaliteit', het sleutelbegrip in de 4de Nota Ruimtelijke Ordening, die in maart 1989 is verschenen.

Ruimtelijke kwaliteit, weer zo'n toverwoord dat wordt uitgesproken alsof het de gewoonste zaak van de wereld is. Iedereen schijnt te weten wat ermee wordt bedoeld, tenminste als je het gemak opmerkt waarmee het wordt gebruikt. Wat dat betreft is het net als 'sociale vernieuwing'. Alle politici hebben er de mond van vol, maar vraag je naar de betekenis, dan doemt er een veld vol mist op, in plaats van een helder panorama.

Wandelaar

Wie de vage theoretische begrippen architectonische kwaliteit en vooral ruimtelijke kwaliteit van hun sluier wil ontdoen, moet naar Barcelona. In deze stad voltrekt zich het architectonisch en stedebouwkundig wonder dat bekend staat als het Barcelonese experiment.

Net als Amsterdam is Barcelona een stad voor voetgangers en het experiment valt het beste lopend te volgen. Etappe-gewijs komt de wandelaar dan tot de gevolgtrekking dat het gevoelige deel van het stadsvernieuwings-experiment zo virtuoos, zorgvuldig en liefdevol is uitgevoerd, dat dit deel van het experiment met de waardering 'geslaagd' nog ernstig tekort wordt gedaan.

Vanaf 1979, toen Barcelona een ander, socialistisch stadsbestuur kreeg, werd een lange reeks van kleine en minder kleine architectonische en stedebouwkundige ingrepen verricht, vooral in de vorm van nieuwe, of opnieuw ingerichte pleinen en parken. Zo werd ruimte gemaakt op plaatsen waar de stad te vol, te verstopt was geraakt. En omdat de nieuwe pleinen en parken stuk voor stuk met grote toewijding zijn ontworpen, met een evenwichtig gevoel voor intimiteit en ruimtelijke allure, is de stad doordrenkt geraakt van een nieuwe architectonische cultuur.

Op de aantrekkelijke ontwerptekeningen van de nieuwe stadsdelen is duidelijk te zien dat in de plattegrond de meeste verbeeldingskracht is gestoken. De pleinen kennen amfitheater-vormige geledingen en een uitgekiend, ingehouden patroon van niveau-verschillen. De parken en parkjes zijn uitgevoerd met een transparant, geometrisch beplantingspatroon. Het openbare meubilair en de voorzieningen zijn in de meeste gevallen bescheiden van aard, eenvoudige banken, lantaarnpalen, strakke pergola's en metalen voetgangersbruggen, een muziekkoepeltje. Soms wordt een zwaar accent gebruikt zoals de enorme stalen constructivistische lichtmast op La Placa da de la Palmera, een plein dat door twee gebogen betonnen wanden van de Amerikaanse kunstenaar Richard Serra in twee helften is verdeeld. De lichtmast beschijnt 's avonds het kale, vlakke gedeelte waar wordt gevoetbald door jongens uit de buurt die vol staat met troosteloze flatgebouwen. Die lichtmast verwijst naar het hoge, koude licht van een volwassen voetbalstadion, en de andere helft van het door Serra gescheiden plein is met lage ingredienten en begroeiing voor toeschouwers en wandelaars ingericht. Die sculpturale lichtmast staat er dus niet zo maar, is niet zo maar hoog en constructivistisch vormgegeven. In die lichtmast zit een gedachte verscholen en daarom is hij zo verschillend van de onbeschofte, mateloze lichtmasten van een Amsterdams stadsvernieuwings-project, de Nieuwmarkt. Wat een verschil met de pleinen in Barcelona, deze enorme, ongearticuleerde stenen vlakte met randen van goedkope ketelmuziek die niet alleen de auto's tegenhouden, maar ook de mensen sterken in hun weerzin dit onavontuurlijke gebied te betreden.

In Barcelona wordt de stadsvernieuwing uitgevoerd als een subtiele, goed gemotiveerde en trefzekere guerrilla. In Amsterdam, maar ook in Den Haag heeft de stadsvernieuwing het karakter van een vernietigingsoorlog waarbij grove wapens, als intimidatie en arrogante veronachtzaming van de historische omgeving niet worden geschuwd. Zijn de kruitdampen opgetrokken, dan blijkt de illusie van een nieuwe architectonische cultuur dezelfde weg te hebben genomen. Vervlogen.

Kijk in Amsterdam naar het nieuwe Casino-gebouw bij het Leidseplein, ongetwijfeld de verrijking van een cultuur, maar een andere dan de architectonische. En inspecteer in Den Haag het frontgebied Spuikwartier. De oorlog is daar weliswaar nog lang niet afgelopen, maar je hoeft niet te wachten tot de kruitdampen zijn opgetrokken om te kunnen vaststellen dat hier noch een architectonische- noch een stedebouwkundige cultuur wordt bevochten. Daarvoor is een beweging met een minder gewelddadige inzet, met een gevoeliger strategie noodzakelijk.

Grote schoonmaak

De strategie van het Barcelonese experiment is ontworpen door de architect Oriol Bohigas, die na de eerste democratische gemeenteraadsverkiezingen in 1979 de opdracht kreeg plannen te maken voor een stedelijke politiek. Aan het hoofd van een nieuwe stedebouwkundige dienst, de Proyectos Urbanos, schetste hij naast het bestaande Plan General Metropolitano (opgezet in 1976, een jaar na de dood van Franco), waarin de speculatieve stadsontwikkeling al sterk aan banden werd gelegd, een 'nieuwe stedelijkheid', zoals hij het achter af noemde. Bohigas, van 1971 hoogleraar en van 1977 tot 1980 directeur van de invloedrijke Escuala de Arquitectura in Barcelona, kon bij zijn activiteiten beschikken over een plaatselijk rijk reservoir met gedreven, door hem zelf opgeleide ontwerptalenten, van wie velen het dictatoriale regime hadden bestreden. Het grote schoonmaakplan werd in nauwe samenwerking met de al in de laatste Franco-jaren sterk opgekomen actiegroepen uit de buurten, in de volle, vermoeide en verloederde stad uitgevoerd. Het plan had niet de gedaante van een groot, samenhangend ontwerp, zoals Constant Nieuwenhuis in 1964 de plattegrond van zijn utopisch Nieuw Babylon over de kaart van Den Haag vlijde, maar bestond uit een ongestructureerde reeks pragmatische architectonische incidenten, door een hoogwaardige ontwerpcultuur bijeen gehouden.

De tot nu toe meer dan honderd ingrepen vonden vooral plaats in de oude stad en in de perifere gebieden van de Catalaanse metropool en minder binnen de grenzen van de beroemde negentiende-eeuwse Uitbreiding (Eixample). Deze stadswijk, gebouwd op het door ingenieur Ildefonso Cerda in 1859 ontworpen 'Barcelonagrid', het schaakbordpatroon met de rechte straten, vaste huizenblokken van 113 x 113 meter met prachtige afgeschuinde hoeken, is al zo heldere en ruim, dat de stadsguerrilla er beperkt blijft tot het opnieuw plaveien van een paar straten en het herstellen en schoonmaken van de honderden schitterende monumentale huizen van de bouwmeesters van de Catalaanse Jugendstil, de Modernista.

Het Barcelonese experiment kenmerkt zich door het praktische, empirische karakter en het ontbreken van theoretische luchtfietserij. Er is geen uitleg nodig om de waarde, de kracht en de schoonheid van de meeste van de architectonische ingrepen te herkennen. Een wandeling door het Parc del Clot (ontworpen door Dani Freixes en Vicente Miranda), met opwindende restanten van een paar oude spoorweggebouwen en een sculptuur van Bryan Hunt, zegt genoeg. Een excursie naar het aan de rand van de stad gelegen Parc de la Creueta del Coll (1987, Josep Martorell, David Mackay), met de grote waterpartij, het palmenschiereiland, de luie bordessen en monumentale kunstwerken van Elsworth Kelly en Eduardo Chillida is zonder enige uitleg een hoogst bevredigende onderneming. En zo duurt de wandeling voort. Het is onwaarschijnlijk hoe hoog het gemiddelde niveau is van de ontwerpkunst waarmee het Barcelonese experiment is uitgevoerd. Oriol Bohigas noemt 'het monumentaliseren van de periferie' een van de sleutels van zijn stedelijke vernieuwing en ook een van de geheimen van zijn overtuigingskracht. Toch luchtfietserij? Om die schijn snel weg te nemen: met monumentaliseren bedoelt Bohigas de creatie van een herinnering, van een karakteristieke openbare ruimte die de omgeving een identiteit geeft en dan vooral de omgeving in de vaak treurige, anonieme periferie van de stad.

Zo leidde de eerste fase van het Barcelonese experiment tot een rijk, over de stad verspreid repertoire van nieuwe, locaal geinspireerde herinneringen die aan het malle begrip 'ruimtelijke kwaliteit' enigszins bevattelijke contouren geven.

Waterfront

In 1980 kreeg de wederopbouw van Barcelona een niewe impuls toen de stad werd genomineerd voor de Olympische Spelen in 1992. Een van de eerste zichtbare resultaten van deze bredere beweging is de Moll de la Fusta, een brede strook tussen stad en haven ontworpen door de architect Manuel de Sola-Morales. In de internationale discussies over het ideale waterfront in een tijdperk dat actieve, tegen de stad gelegen havens niet meer toestaat, wordt de vormgeving van de kuststrook van Barcelona vaak geroemd. Vooral de integratie van wegen en voetgangersgebieden, de verdiepte verkeersbaan tussen het zeer brede kadegebied dat aan wandelaars is voorbehouden en de hooggelegen promenade met een paar bescheiden, aantrekkelijk ontworpen, uiterlijk identieke restaurants.

Voor de Moll de la Fusta geldt hetzelfde, alleen op iets grotere schaal, als voor de parken en de pleinen. De ruimte heeft alle voorrang gekregen en ook hier zijn het de details, die aan het geheel een stijlvolle, verzorgde indruk geven, de lantaarnpalen vijf witte bollen op een negentiende-eeuwse steel, zoals het hoort langs de mediterrane kust eenvoudige teakhouten tuinbanken, palmbomen in een klinkertjes-plaveisel, blauw betegelde borstweringen die door de tegels aan Gaudi doen denken (op de Nieuwmarkt in Amsterdam hebben verlichte geesten onlangs ook een rare, schots en scheef betegelde Gaudi-bank misplaatst, naast een even potsierlijke reuzenstoel), en eenvoudig meubilair op de brede boulevard terrassen, waar je heerlijk oesters kunt eten. Met de Amsterdamse IJ-oevers en de donder-en-bliksem plannen die daar voor bestaan hup, laten we het hoofdkantoor van de ABN Amro er ook maar op neerpoten heeft het delicate stadslandschap van de Moll de la Fusta niets te maken.

De brede streek van de stadsvernieuwing werd nog eens dikker, toen in 1987 bekend werd dat Barcelona voor de Olympische Spelen 1992 was uitverkoren.

Hoewel de stad nu in de periferie op vier verschillende plekken geweldig overhoop ligt, zijn de Olympische plannen, te oordelen naar de ontwerpen en deal gerealiseerde bouwwerken zoals het Sportpaleis Sant Jodi van de Japanse architect A. Isozaki, groots maar niet onbescheiden. Te beginnen bij de infrastructuur heeft de stad van de buitenkans verstandig gebruik gemaakt om een paar grote randstedelijke probleemgebieden te renoveren, of zelfs geheel opnieuw van de grond af op te bouwen, zoals het Olympisch kustdorp in Poble Nou. De huizen van het dorp zullen na afloop van de Spelen gewoon als gesubsidieerde huurwoningen en normaal geprijsde koophuizen in de roulatie komen. Zelfs het 'Olympisch Spook' lijkt Barcelona zo te hebben afgericht, dat het als een toegewijd ontwerper meehelpt om het finale stadium van de stedelijke vernieuwing te voltooien.

Paradijs

Hoe is het mogelijk dat Barcelona zich over de hele linie heeft kunnen ontwikkelen tot het paradijs van stadsvernieuwing en architectonische cultuur, terwijl, bijvoorbeeld in Amsterdam, zelfs een gloedvol en voorbeeldig pleinplan van Aldo van Eyck voor het gebied voor het Hilton Hotel, door een ongevoelige stadsdeelraad plompverloren naar de prullenmand wordt verwezen? Wat zijn wij voor wildemannen, dat we weliswaar het begrip ruimtelijke kwaliteit op het puntje van de tong dragen, maar de creatie van herinneringen onmogelijk maken?

Het is niet toevallig dat ik mezelf deze vragen stel in het Parc Joan Miro, een opnieuw ingerichte versie van El Parc de l'Escorxador, met een heel mooi, pas voltooid paviljoen-achtig bouwwerk dat onderdak biedt aan de openbare Bibliotheek Joan Miro (ontworpen door Beth Gali, Marius Quintana en Antoni Solanas). Het anderhalve verdieping hoge, langgerekte gebouw doet onmiddellijk denken aan het een paar kilometer verderop gelegen Duitse paviljoen dat Mies van der Rohe ontwierp voor de Wereldtentoonstelling 1929 en dat in 1986 op een bewonderingswaardig zorgvuldige manier op dezelfde plaats werd gereconstrueerd. De bibliotheek, gesloten naar de stad en met glaswanden geheel open naar het park, wordt net als het paviljoen van Mies van der Rohe nog mooier door de weerspiegeling van het gebouw in de vijvers eromheen. Weer een uitbreiding van het repertoire van nieuwe Barcelonese herinneringen.

's Avonds in het hotel, dat op de monumentenlijst staat van de Moderniste architectuur, lees ik in een van die op de Architectuurnota preluderende publikaties die ik heb meegenomen, een passage over het architectuurbeleid in Barcelona: 'Karakteristiek voor de huidige situatie in Barcelona is dat vrijwel alle sleutelposten van de dienst stadsontwikkeling bezet worden door architecten en stedebouwkundigen. Zo is Maragal, de burgemeester, planoloog en Jordi Parpal, wethouder van stadsontwikkeling, architect. Wellicht dat die omstandigheid bijdraagt aan het opmerkelijke feit dat ingrepen in de openbare ruimten van Barcelona talrijk en van hoge kwaliteit zijn.'

Dat is het geheim. In Barcelona hebben ze begrepen dat architectuur een vak is.