Drie Nederlandse monniken op Deense eiland Bornholm; Isolement uit overtuiging

De predikante van de Nylarskirke, het oudste vestingkerkje van het Deense eiland Bornholm, ongeveer zeven uur varen van Kopenhagen, had er wel eens van gehoord, van drie Nederlandse monniken, die al jarenlang teruggetrokken leefden in de bossen bij Osterlars. Met een ietwat meewarig glimlachje voegde ze eraan toe dat de monniken dagelijks enkele missen opdroegen in een kippenhok.

De taxichauffeur was in ieder geval niet op de hoogte van hun bestaan. De meter had-ie al snel afgezet, want hij was het spoor volledig bijster. Een boer wijst ons uiteindelijk de weg naar het Myrendalklooster.

'Wat waren wij hoogmoedig', grijnst broeder Frans, 'wij dachten het allemaal even anders te doen.' De in corduroybroek en vrijetijds-shirt geklede Trappist verliet samen met zijn confraters de broeders Bas en Clemens in 1966 een grote, honderd man sterke kloostergemeenschap bij Achelsekluis op de Nederlands-Belgische grens nabij Eindhoven. 'Het was onze bedoeling de structuur te vereenvoudigen; we wilden vernieuwen, ons 'herbronnen' op het oorspronkelijke ideaal van de Benedictijnen, want op de Trappisten konden we ons niet herbronnen, die waren veel te streng. Die grote kloosters hadden volgens ons geen toekomst meer. We wilden alles eenvoudiger, kleinschaliger opzetten, geheel in de geest van de jaren zestig. Doden-officies, Maria-offers, extra hymnen, we zouden het allemaal overboord gooien. Ons denken was natuurlijk nauw verwant aan de maatschappelijke beweging uit die tijd. Als het regent in de wereld, druppelt het tenslotte in de kloosters.'

Welvaartspeil

De nieuwlichters kozen voor Scandinavie wegens het hoge welvaartspeil. Niet voor de missielanden in Afrika, want dat zou, aldus broeder Frans, een terugkeer zijn naar de Middeleeuwen. 'Kijk, een van de axioma's van onze orde is het armoedebeginsel: we willen werken voor ons levensonderhoud, en niet, zoals de Franciscaners, bedelen. Maar we moesten natuurlijk wel genoeg tijd overhouden voor bidden en studeren. Ons idee was weinig werken en veel verdienen, zodat we zuiver konden leven in ons isolement.'

Omdat een groep Amerikaanse Benedictijnen zich in Jutland vestigde verordonneerde de bisschop van Kopenhagen dat de dissidente Trappisten zich in het oostelijke deel van Denemarken moesten vestigen. Twee katholieke orden dicht bij elkaar in het overwegend lutherse Denemarken zou van wanbeleid getuigen. Het werd uiteindelijk Bornholm, omdat een inmiddels ingeschakelde makelaar een vervallen boerderij in de aanbieding had.

Het idealisme verdween als sneeuw voor de zon, toen de blote werkelijkheid zich ontvouwde. De eerste dag was nog doortrokken van een zekere romantiek. 'Met een piepklein sloepje kwamen we in R(o/)nne, het hoofdstadje van het eiland, aan. We kochten wat pannen en potten, namen een taxi, en toen we 's avonds hier aankwamen hebben we op twee koffers een plank gelegd en zijn onze eerste mis gaan lezen. De boerderij was helemaal ontruimd, maar we vonden wat stro en daarop zijn we toen gaan slapen.'

Er moest gewerkt worden. Bij enkele boeren in de omgeving kon het drietal aan de slag als knecht. 'We werden zwaar uitgebuit, we verdienden nog niet de helft van het gangbare loon. Afgepeigerd kwamen we 's avonds thuis, nauwelijks tijd om te bidden. De bevolking liet ons links liggen. Ze begrepen er niets van. Die anderhalve katholiek hier vroeg zich af: wat doen die lui hier, ze doen niets voor de parochie. En de protestanten begrepen het nog minder. Sommigen vonden ons nog slechter dan hoeren. Die werken tenminste nog aan de verlossing van de medemens, staan dichter bij het Rijk Gods, maar die monniken werken alleen maar aan de verlossing van zichzelf, dachten ze.'

Het waren zware jaren. De bittere armoede nam af toen broeder Frans een opleiding als boekbinder afrondde en de varkensstal omgetoverd werd tot een boekbinderij. We schuifelen tussen gerestaureerde bijbeltjes, ingebonden tijdschriften en wereldse romans door. 'Opdrachten genoeg', meldt broeder Frans. 'Een enkele eilandbewoner weigert wel eens om zijn boeken door ons te laten restaureren, maar dat is een uitzondering.'

De klok luidt. Het is tijd voor de mis, een van de vijf dagelijkse. Broeder Frans trekt zijn pij aan en gaat voor. Tot mijn verbazing is er van een kippenhok niets meer te bespeuren. De witgepleisterde wanden en de betegelde vloer van de kapel hebben het verleden weggewist. Er wordt gebeden in het Deens.

In een klein keukentje staat broeder Bas te koken. Ik word uitgenodigd voor de lunch (aardappels, sla, scholletjes). Aan tafel wordt gesproken noch gebeden. Broeder Frans schuift een cassette in de recorder. Een Deense vrouwenstem vult de stilte.

'Het ging over een man die gediscrimineerd werd vanwege zijn rode haar', zegt hij later. 'Het zijn tafellezingen die de innerlijke rust moeten verhogen. Tijdens de lunch en na de laatste mis om acht uur 's avonds spreken we niet meer onderling. Enkele jaren geleden nog spraken we helemaal niet met elkaar. Dat is trouwens ook een kenmerk van de Trappistenorde. We communiceerden alleen voor korte mededelingen door middel van tekenspraak, een soort doventaal, die trouwens ook door de monniken is ontwikkeld. Enkele jaren geleden hebben we gezamenlijk besloten dat regime te verlichten, het werd te zwaar. Toen we hier kwamen gooiden we alle ballast overboord, we leefden zo sober mogelijk, dat was de 'verenkeling', maar na verloop van tijd voer je zulke zaken weer in. Na al die jaren doen we het niet anders meer dan in ons moederklooster in Achelse kluis. Nee, achteraf bezien, was het natuurlijk niet nodig om Nederland te verlaten. Maar ja, het was de Sturm und Drang he.'

Vriendschap

Voordat de broeders naar Bornholm vertrokken werden ze gewaarschuwd dat zo'n isolement zou leiden tot zeer persoonlijke verhoudingen, die de vriendschap zwaar op de proef zouden stellen. Het tegendeel is gebeurd, volgens broeder Frans. 'De vriendschap is sterker geworden. Hoewel... het woord vriendschap klinkt zo onsmakelijk.'

Hij kijkt bedenkelijk. 'Als ik tegen broeder Clemens zou zeggen: je bent mijn vriend, zou hij... ', en hij spuugt vervolgens op de grond. 'Geen denken aan, he. Wij zijn aan elkaar gebonden door trouw. Dat gaat veel dieper.'

Soms zegt hij spijt te hebben van de stap die ze een kwart eeuw geleden zetten. 'Maar ach, wat maakt het uit, we begrijpen toch niets van dit bestaan.'

We lopen over de oprijlaan tussen druipend struikgewas naar de vijver. Het motregent. Flarden nevel hangen boven het water. 'Een uitstekend klimaat voort rollen', lacht hij. We hebben het over de Denen en hun geloof. 'De religieuze ziel van de Deen komt pas 's avonds laat tot leven, als hij gedronken heeft. 's Morgens is hij heel praktisch, denkt in de verste verte niet aan God. Ze zijn vriendelijk, rond en genoeglijk, maar bijten zich nergens in vast, de Deense ziel bijt nergens in. Soms heb ik daar wel eens moeite mee en ergert me dat. Maar ach, wat maakt het uit. Ik voel me nergens thuis, ik ben ontworteld.'