De boze ruiter Thanatos; Theorieen van Karel van het Reve

Karel van het Reve: De ondergang van het morgenland. Uitg. Van Oorschot, 231 blz. Prijs fl. 29,90

Ergens in zijn nieuwe boek heeft Van het Reve het over poezie en speciaal over het geweldige effect op de lezer van onnodige toevoegingen daarin. Een geliefkoosd onderwerp van hem dus. Hij beweert dan: als Heinrich Heine over de boze ruiter Thanatos schrijft, de dood die hem komt halen, dan zegt hij onder meer: 'Ik hoor zijn hoefslag, hoor zijn draf' (Ich hor den Hufschlag, horden Trab. / Der bose Reiter holt mich ab.)

Die draf is volstrekt overbodig. Als je de hoefslag hoort, dan hoor je de draf ook, en het doet er niets toe of die ruiter nu in galop, in draf of stapvoets nadert. Maar het is juist die toevoeging 'den Trab' die je de rillingen over de rug jaagt. Zoiets als die rilling blijft ook achter na de lezing van dit boek. Het opent met een stuk over de ondergang van het Sovjetrijk, met daarin zachtjes het thema 'laat nu, o heer, uw dienstknecht gaan in vree'. En het sluit, op wat fragmenten na, meteen stuk over zijn eigen, Karel van het Reves, dood. Het is weer een boek waar je niet verder mee komt in de wereld, waar je onaangepast van wordt en waaruit je rillerig opstaat met de gedachte dat je nu zeker weer drie jaar kunt wachten, of dat het misschien wel de laatste keer was... Het doet er dus wel degelijk toe of die ruiter in galop, draf of stapvoets nadert.

Zo zijn er nog een paar Van het Reve-theorieen in dit boek die door Van het Reve zelf weerlegd worden. Een echte Van het Reve-theorie is dat het inbedden van een treffend natuurgetrouw detail in een overvloed van leugens groot effect kan hebben, vergelijkbaar dus met dat overbodige detail. Nu heeft Van het Reve zelf soms van die 'natuurgetrouwe opmerkingen' in zijn stukken, zoals wanneer hem een naam ontschoten is '(opeens weet ik hem weer: Lupardi)' of 'ik had vroeger nog meer voorbeelden ter staving van mijn theorie, maar die ben ik vergeten'. Hij is de enige schrijver in Nederland die dat doet; elke andere vult die Lupardi in of laat dat vergeten achterwege. Gewaarschuwd door de theorie zou men zich licht kunnen afvragen: bestaat de rest uit leugens? Toch heb ik daar geen last van. Als de een of andere specialist hem citeert, roept hij uit 'als ware ik iemand die ergens iets van weet.' Toch denk ik nog steeds dat Karel van het Reve veel weet.

Zo ook met de droomtheorie van Freud. Een onderdeel daarvan is het idee dat een droom zo'n beetje even lang duurt als de 'echte' gebeurtenis waar die droom naar verwijst. Om de 'snelheid' van de droom te verklaren er gaat een wekker en je droomt meteen een heel verhaal waarin dat past veronderstelt Freud dat er droomfragmenten klaarliggen die uitgezocht en razendsnel ingeschoven kunnen worden. Van het Reve vindt dat 'ouderwets'. Hij verbaast zich in het geheel niet over die snelheid van de droom. Hij is er aangewend dat een tekst van duizenden woorden in enkele seconden van computer op floppy gezet kan worden. Maar dat is toch precies hetzelfde als wat Freud beweerde? Daar staat tegenover dat Van het Reve best bereid is Freud hier en daar gelijk te geven onder hardnekkig volhouden dat de beweringen van de Weense psychiater Sigmund Freud geen enkele wetenschappelijke waarde hebben, en dat deze psychiater een bedrieger en een kwakzalver is. Dat vind ik heel plausibel.

Er zijn natuurlijk ook weer een paar prachtige nieuwe theorieen, zoals de gedachte dat in Rusland de produktiekrachten een zodanige graad van ontwikkeling bereikt hadden dat er tussen deze en de produktie verhoudingen, zeg maar het primitieve socialistische besturingssysteem, een conflict ontstond. Zo heeft men een marxistische verklaring voor de ondergang van het communisme. Of het idee dat revoluties 'de neiging hebben allerlei dingen naar zich toe te trekken: het metrieke stelsel in Frankrijk, de afschaffing der lijfeigenschap en de invoering van de ruimtevaart in Rusland. De autobanen in Duitsland. De inpoldering der Pontijnse moerassen en het op tijd rijden van de treinen in Italie. Een 'normale' regering doet dat niet.' Dat is waar.

Hoempa, hoempa

Voor absurditeiten heeft Van het Reve als vanouds een fijn oor. Idiote zinnen kunnen hem in vervoering brengen. En meestal constateert hij die onder handhaving van grote mildheid. Als iemand een bij Dostojevski onduidelijk sprekende Duitser moet vertalen en die Duitser zegt 'oepa, oepa' en bedoelt opera, opera, maar de vertaler maakt er hoempa, hoempa van, dan schenkt dat Van het Reve veel vermaak. Zo ook de verklaring dat de emancipatie van de joden in de Franse revolutie begon 'na de declaratie door Jacobin France in 1791'. Van het Reve veronderstelt dat de bron van die uitlating een Engels boek is met een zin als 'In 1791 Jacobin France declared etc.'. Hij is ook dol op opsommingen en geeft een paar hele mooie. Maar hij is er zo dol op dat hij ook alle steden en stadjes waar Multatuli van 6 februari tot 15 april 1878 lezingen gaf opsomt. Dat mag overigens niet van hem, 'lezingen geven', dat vindt hij een afschuwelijke fout. Er schijnen ook mensen te zijn die denken dat 'uberhaupt' een germanisme is. Dat stemt hem dan heel somber.

Tobberig

Wat te doen als je in dit opzicht betrapt wordt? Zo zeg ik altijd incest in plaats van incest en dat vindt Van het Reve oneindig dom. Zo hou ik ook nogal van die tobberige types uit de romans van Saul Bellow en volgens Van het Reve lijken de mensen in die boeken allemaal geabonneerd op het New York Review of Books en drukken ze zich uit in de taal van de ingezonden stukken of de huwelijksadvertenties van dat blad. Verweer heb ik daar niet tegen. En je weet van tevoren dat je in het vervolg steeds als je incest zegt aan Karel van het Reve denkt. Toch is dat winst. Zoals men niet de vaat kan doen zonder begeleiding van het 'Gebruik niet het stokjesdoekje voor de rijstkommen, perebloesem' of bij enig huiselijk onrecht wel moet vragen of iemand al sinaasappelen ziet dansen. Net zoals Van het Reve zelf wanneer hij het woord 'herstel' hoort aan Peter van Amiens moet denken omdat die naam in zijn hoofd zat toen hij dat bevel van zijn muziekleraar kreeg. Die Peter van Amiens was een kluizenaar die in Frankrijk in de elfde eeuw opriep tot de eerste kruistocht ('God wil het'), die onder leiding stond van Godfried van Bouillon.

Het boek herbergt ook een groot aantal 'strong opinions'. Een vrij groot deel van de westerse intelligentsia heeft zich met betrekking tot Sovjet Rusland schuldig gemaakt aan een soort 'collaboratie zonder bezetting'. Tevredenheid met het eigen land is niet aan te bevelen en het lezen van veel eigentijdse auteurs van dat land is ronduit stom. Er behoren geen wetten te zijn die het doen van beweringen, in woord of geschrift, strafbaar stellen. Van die beweringen. Ik vermoed dat veel mensen het daar niet mee eens zijn. Mij komen ze als heel verstandig voor.

Maar het mooist vind ik die kleine dingen, die details. Voor wie er gevoelig voor is hebben ze groot effect. Ik heb me wel eens afgevraagd hoeveel stommiteiten ik ontlopen ben door het lezen van Het geloof der kameraden, voor hoeveel koeliewerk gespaard door het aanhoren van 'Het raadsel der onleesbaarheid'. Uiteindelijk heeft op mij echter die manier van lezen de grootste indruk gemaakt, dat gevoel voor detail, waarmee je eigenlijk alleen in zijn boeken in aanraking komt. 'Le bon dieu est dans le detail', zei Flaubert en Karel van het Reve herhaalt te pas en te onpas de uitspraak 'waar gaat gij heen klein knopenhaakje' omdat hij bang is dat die verloren gaat.

Met mensen is het niet anders. Als geen ander kan Van het Reve de herinnering aan bepaalde personen levend houden. In dit boek zitten prachtige portretten van Anton J. Koejemans '('Koej' voor zijn vrienden)' en Geert van Oorschoten hoe onsterfelijk zijn niet zijn stukken over Annie Romein, Jacques Presser, Sam de Wolff, Andrej Amalrik. Of die figuren van wereldfaam dan wel formaat-Betondorp zijn doet er niet toe. In het stuk 'mijn eigen dood', schrijft Van het Reve over die Kominternagent die in de jaren dertig bij de Reves thuis kwam. Meer dan dat hij Karl heette en Duitser was, heel zacht sprak en Egyptische sigaretten rookte, en in de oorlog is vermoord, weet hij niet over hem. Hij vraagt zich af: 'Wie zal als ik dood ben aan hem denken?'