Creatieve angst

Een jaar geleden, toen het communistische wereldrijk voor onze ogen ineenstortte, werd het in Nederland heel verkeerd gevonden de vraag te stellen: wie heeft de koude oorlog gewonnen? Voor velen immers was die vraag te pijnlijk. En bovendien: haar alleen al te stellen getuigde van triomfalisme, en dat mocht ook niet.

De bekende Britse historicus Eric Hobsbawm, die communist van oude datum is, is minder preuts. In een essay dat De Groene Amsterdammer in zijn nummer van 31 oktober publiceerde, is hij niet bang te stellen dat 'de oude 'ontwikkelde wereld' van de OECD-landen, dat wil zeggen: voornamelijk West-Europa, Canada en de Verenigde Staten' de winnaars zijn. En de verliezers? De 'ooit reeel bestaande socialistische regimes'.

Dat is tenminste duidelijke taal. Hobsbawm aanvaardt zijn verlies zonder uitvluchten. Hij is zelfs royaal tegenover het kapitalisme: dit heeft 'bewezen dat het de meest dynamische kracht is gebleven in de ontwikkelingvan de wereld', omdat het zich na de Tweede Wereldoorlog heeft weten tehervormen.

En waarom heeft het zich hervormd? Niet uit vrije wil, maar uit angst voor het communisme. 'Alles wat het voor de bevolking waard maakte te leven in een Westerse democratie sociale zekerheid, de verzorgingsstaat, een hoog inkomen en, als gevolg daarvan, vermindering van sociale ongelijkheid en ongelijkheid in levenskansen was het gevolg van angst.' Je zou dus kunnen zeggen 'dat de belangrijkste prestatie van de Oktoberrevolutie is geweest dat zij de 'ontwikkelde wereld' weer veilig heeft gesteld voor de'bourgeois democratie' ' door de angst die zij wekte.

Die angst is nu verdwenen. Voor het communisme hoeft het Westen niet bang meer te zijn, en van het uiteenvallende Sovjet-rijk hoeft het ook geen agressie of expansie te vrezen. 'Waarom zouden de rijken zich nu nog druk maken om iemand anders dan zichzelf? Wat voor politieke afstraffing zouden ze moeten vrezen als ze de welvaart en de bescherming van hen die dat nodig hebben laten wegkwijnen?' Met andere woorden: behalve de 'ooit bestaande reeel bestaande socialistische regimes', is de Derde wereld als we die sterk simplificerende term mogen gebruiken de grote verliezer van de koude oorlog.

Tegen die analyse valt niet veel in te brengen. Nederland en Scandinavie mogen ontwikkelingssamenwerking vooral uit ideele motieven bedrijven, in andere landen spelen politieke, zo niet machtspolitieke, redenen een veel grotere rol. Die redenen hebben, met het einde van de koude oorlog, veel aan kracht verloren. De ontwikkelingslanden zullen dit merken. Oost-Europa, waar het Westen niet staat te springen om te investeren, ook? Wat Europa betreft, voor ziet Hobsbawm een periode van instabiliteit. Je hoeft geen communist te zijn om dat te doen en ook niet om de koude oorlog, die zo verketterd werd door iedereen die zich links noemde, althans te waarderen als een periode van betrekkelijk grote stabiliteit.

Betekent het einde van de koude oorlog het einde van de geschiedenis? Hobsbawm eindigt zijn artikel met een gratuite en ongerechtvaardigde schimpscheut aan het adres van de Amerikaan Francis Fukuyama, wiens essay over 'Het einde der geschiedenis?' (met vraagteken!) vorig jaar zo'n stof deed opwaaien. De periode van instabiliteit die ons nu te wachten staat, logenstraft Fukuyama's profetie, zegt Hobsbawm.

Daarmee doet hij Fukuyama onrecht, want nog afgezien van dat vraagteken (dat van zijn 'profetie' op z'n hoogst een hypothese maakt), beweert Fukuyama niet dat de geschiedenis, in de zin van een reeks van gebeurtenissen, aan haar eind is gekomen. Hij ontkent dit zelfs met zoveel woorden.

Nee, hij vraagt zich alleen maar af of er niet, met de universalisering van de Westerse vorm van democratie, een eind is gekomen aan de 'ideologische ontwikkeling van de mensheid'. Zijn hypothese is dus dat, slechts in zoverre als er, met het wegvallen van de ideologische tegenstander, een eind is gekomen aan het ideologische debat, er ook een eind is gekomen aan de geschiedenis.

We hoeven het niet met deze hypothese eens te zijn om haar toch met meer respect te bejegenen dan Hobsbawm doet. Die hypothese is daarom al kwestieus omdat het ideologische vacuum dat de ineenstorting van het communisme heeft veroorzaakt, waarschijnlijk spoedig zal worden opgevuld door 's mensen onuitroeibare verlangen naar het absolute en volmaakte, een verlangen dat, als het geen uitweg vindt in het geloof in een hiernamaals, altijd zal proberen het 'koninkrijk der hemelen' op aarde te vestigen met gruwelijke gevolgen.

Hobsbawm, die de toekomst van de geschiedenis slechts ziet als een reeks 'nationalistische conflicten en rivaliteiten', heeft blijkbaar het geloof in het communisme, en dus in het ideologische debat, verloren. Dat brengt hem dichter tot Fukuyama dan hijzelf schijnt te beseffen (maar hij heeft hem dan ook kennelijk slecht gelezen).

Iemand die dat geloof niet verloren heeft, is Erich Honecker, die in een interview The European (2-4 november) zegt: 'De communistische beweging heeft zeker een nederlaag geleden, maar zal herstellen'. Hij zou nog wel eens, gegeven dat onuitroeibare verlangen naar het 'koninkrijk der hemelen' op aarde, gelijk kunnen krijgen, al zal dan eerst de collectieve herinnering aan het 'reeel bestaande socialisme' verflauwd moeten zijn. Maar dat kan al over een jaar of dertig, wanneer nog ongeboren generaties aan bod komen, het geval zijn.

    • J. L. Heldring