Boeken

Terwijl men in Frankrijk uitkijkt naar de toekenning van de literaire prijzen in de tweede helft van november, verschijnen nu pocketedities van romans die de afgelopen jaren zo'n prijs kregen.

Voor zijn roman Le Zebre ontving de toen 22-jarige Alexandre Jardin de Prix Femina 1988 (Folio, f. 15,95). De roman baarde veel opzien, want een zeer jonge man verdiepte zich in de angsten van een oudere man.

'Zebra' is de bijnaam van een notaris in de Franse provincie, die zich buitenissig gedraagt. Hij fantaseert steeds iets om de monotonie van het leven te doorbreken. Na vijftien jaar huwelijk met Camille raakt hij in paniek over het slijten van hun passie. Hij verzint trucs en allerlei ver doorgevoerde grappen, die zelfs na zijn plotselinge dood nog doorgaan, om hun eerste verliefdheid te heroveren.

Jardin vertelt dit burleske verhaal, waarin melancholie en hartelijkheid elkaar afwisselen, haarscherp, alsof alle details van de grappen vanzelfsprekend zijn.

De schrijver wil, lijkt het, in de persoon van de notaris zichzelf voor zijn en niet overspoeld raken door ideeen, die het gemeengoed zijn van zijn omgeving. Het motto van Chateaubriand past mooi bij het verhaal: 'Faites que la beaute reste, que la jeunesse demeure, que le coeur ne se puisse lasser...'.

Onder de titel De Zebra (f. 29,50) verscheen het boek bij de Arbeiderspers in een Nederlandse vertaling

De uit Haiti afkomstige Rene Depestra heeft zich eerst in Haiti en later in Cuba bezig gehouden met de politiek en literatuur van deze eilanden. Daarna trok hij zich terug in Frankrijk, waar kortgeleden Hadriana dans tous mes reves (Folio, f. 14,50) verscheen. De roman, bekroond met de Prix Renaudot 1988, is tegelijk een soort document over zombifacation.

Hadriana is een Haitisch-Frans meisje, dat tijdens haar plechtige huwelijksvoltrekking op het altaar in elkaar zakt en dood lijkt. Jaren later wordt ze, honden dresserend in een onheinde wilde tuin, door een groep nonnen herkend als zombie.

De verteller is gefascineerd door het verdwijnen van Hadriana, die hij als jongen aanbad. Heimelijk blijft hij op zoek naar een wonder. Het wonder geschiedt: als gastdocent aan een college vindt hij haar temidden van zijn studenten.

Het romantische verhaal heeft Despestre onopgesmukt ingepast in de beschrijving van de half-heidense, half-christelijke volksreligie van Haiti, de vaudou, sagen over de magie van wrede en surrealistische gebruiken.

Een lijstje met uitleg van Creoolse woorden is handig voor het goede begrip.

Voor La porte du fond (Livre de poche, f. 17,50) kreeg Christiane de Rochefort de Prix Medicis. Zij beschrijft hierin de ervaringen en emoties van een jong meisje, dat zich losmaakt van een vader die haar seksueel belaagt en van een moeder die daarvoor de ogen sluit.

In korte hoofdstukken met weleens cryptische titels en door snelle verschuivingen van vroeger naar nu krijgt de naamloze ik van het begin steeds meer vorm en identiteit. 'In zeven jaar strijd heb ik telkens een gevecht verloren, maar tot slot de oorlog gewonnen.'

Grappig, zwartgallig, woedend, openhartig, ijzig ingehouden de staca totaal werkt aanstekelijk, en de Rochefort maakt er een fascinerende en wonderlijke roman van. Soms ontgaat de niet-Franse lezer de betekenis van een nieuw jongerenwoord, maar dat geeft ook wel iets geheimzinnigs.

De roman is in Nederlandse vertaling uitgekomen bij uitgeverij Ambo onder de titel Achter de deur (f. 29,50).

Van Francoise Chandernagor (bekend door L'allee du roi, de gefingeerde memoires van Mme de Maintenon) is in Livre de poche verschenen La Sans Pareille (f. 26,50). Het is een roman over Christine Valbray, van wie wordt gezegd dat zij een mengsel is van bestaande en verzonnen invloedrijke Parisiennes.

Christine is vlak na de oorlog in de Franse provincie geboren als dochter van een diplomaat en een volksmeisje. Tijdens een verblijf in Rome, waar haar vader ambassadeur is, ontwikkelt zij zich en leert zij zich te gedragen. Eerst zuiver en goedgelovig, later berekenend baant zij zich in Parijs een weg naar de politieke macht van de Zijlijn. Hoe en via wie vertelt Chandernagor in het eerste deel van een trilogie, die de uitbeelding wil zijn van het sociale, culturele en politieke leven in het laatste gedeelte van de twintigste eeuw.

Chandernagor vuurt het ene verhaal na het andere af. Allerlei modieus gedrag wordt scherpzinnig op de korrel genomen. Zij gaat nog verder en legt verbanden met wat in vorige eeuwen en andere landen mensen in vergelijkbare situaties overkwam. Zij etaleert daarbij wel eens te veel boekenwijsheid en denkt alles met elkaar te kunnen combineren. Dat koorstachtig niet kunnen ophouden met praten en schrijven blijkt op bijna elke bladzijde, als zij weer een inval of grapje tussen gedachtenstreepjes toevoegt.

Laatst verscheen La statue interieure (Folio, f. 22, -) door Francois Jacob, waarvan de Nederlandse vertaling al een tijd geleden is uitgekomen: Beeld van binnen (Van Oorschot, f. 49, -).

De biochemist Jacob ontving in 1965 de Nobelprijs voor geneeskunde. Ruim twintig jaar later schreef hij een autobiografie, waarin hij vertelt over zijn leven als wetenschapsman, die de wereld afreisde van congres naar congres, gasthoogleraarschappen vervulde en ondertussen bezig was de goede formules voor zijn ontdekkingen te vinden. 'Grote wetenschapsmensen zijn vooral zij, die les bons problemes au bon moment weten te onderkennen'. Ook vertelt Jacob over zijn persoonlijke ontwikkeling van jongetje in de provincie tot student en later soldaat tijdens de oorlog in Noord-Afrika. Zo vormen zich de lagen, die leven en dromen om de kern, la statue interieure, heenleggen.

In de memoires staan interessante beschrijvingen van collega's met wie hij al pratend en zoekend tot vondsten komt en van zijn tegenstanders, die naar het idee van Jacob problemen in een verkeerde stijl te lijf gaan.

Het zijn intensief beleefde, soms wat zoetsappige herinneringen in een zeer woordrijke trant geschreven, misschien als compensatie voor het leven met formules in een laboratorim.

In Condorcet un intellectuel en politique (Livre de poche, f. 26,50) hebben Elisabeth en Robert Badinter het leven van deze Franse filosoof, mathematicus en homme politique beschreven.

Condorcet (1743-1794) behoorde tot de Encyclopedisten. Hij schreef al in de jaren voor de Franse Revolutie (1789) verhandelingen, waarin hij de slavernij veroordeelde en vocht voor gelijke rechten voor protestanten en joden en voor gelijkstelling van alle vrouwen. In de tijd van zijn lidmaatschap van de nationale Assemblee ontwierp hij een plan voor onderwijs voor iedereen. Dan pas zou de Revolutie slagen en de democratie vorm krijgen.

Tijdens de Terreur werd hij ter dood veroordeeld. Hij verborg zich eerst in Parijs, maar vluchtte later naar de provincie om zijn familie niet in gevaar te brengen. Hij werd opgepakt. Een paar dagen later trof men hem dood in zijn cel aan. Of hij vergif had ingenomen of dat hij door uitputting was overleden, staat volgens de biografen niet vast.

Als een rode draad loopt door Condorcets leven de tegenstrijdigheid in zijn persoon: aan de ene kant een grote goedheid en naiviteit, die hem geliefd maakt bij vrienden en vriendinnen; aan de andere kant een niets ontziendefelheid uit naam van de rechtvaardigheid. Die uitte zich vooral in zijn geschriften. Tijdens de zittingen van de Assemblee lukte het hem niet zijn standpunt overtuigingskracht te geven. Zijn stem was te zacht en zijn optreden te onzeker.

Fragmenten uit Condorcets artikelen en commentaren, die soms dagelijks in Parijse kranten verschenen zijn schokkende en spannende lectuur, zoals bijvoorbeeld over de vergaderingen, waarin Lodewijk de Zestiende ter dood veroordeeld werd (waar Condorcet tegen was). Door de niet allemaal even interessante details komt het boek slecht op gang, maar naarmate de persoon van Condorcet en de periode, die hij voor een deel meebepaalde, meer verstrengeld raken, wordt het lezen meeslepend.

Elisabeth Badinter heeft Condorcet vooral beschreven als een jonge man die zich in de wereld begeeft: Robert de homme politique, op zoek naar een rechtvaardigere maatschappij. Zij doen het zonder bravoure en zonder hun eigen ideeen te pousseren, met precieze kennis van zaken.