Bevriend met uitstekende mensen; twee biografieen van Henry Fielding

Martin G Battestin with Ruthe R. Battestin: Henry Fielding. Uitg. Routledge,738 blz. Prijs fl. 110,65 Donald Thomas: Henry Fielding. Uitg. Weidenfeld en Nicholson, 436 blz. Prijsfl. 97,25

Hoewel Henry Fielding (1707-1754) een veel gelezen en besproken Londenaar was in zijn tijd, was er tot kort geleden maar een erkende afbeelding bekend van hem, een profiel dat William Hogarth gemaakt heeft zes jaar na zijn dood. Dat summiere portret van een man met een grote neus en een vooruitstekende kin had een bijrol in de literatuurgeschiedenis, te vergelijken met die van Droesnouts tekening van Shakespeare: gangbaar maar ongeloofwaardig.

Een van Martin Battestins verdiensten in zijn biografie is dat hij twee portretten aanbiedt die meer uitdrukken dan dat van Hogarth. Het ene is een schets toegeschreven aan Reynolds, van een zware man die het niet makkelijk heeft in zijn lichaam maar veel zou kunnen vertellen als hij in de stemming komt. Het andere is een tekening door Marcus Laroon van het gerechtshof in Bow Street waar Fielding de laatste vijf jaar van zijn leven magistraat was. Die geeft een beeld van ongedisciplineerde drukte in een zaaltje waar het publiek over andere dingen staat te praten terwijl op de voorgrond een arrestant met handgebaren (het is a Frenchman) zijn onschuld betoogt tegen een rechter die naast een tafel in een leunstoel zit met zijn linkervoet op een krukje. Volgens Laroons eigen opgave dateerde de prent van 1740. Dan moet de functionaris Fieldings voorganger zijn, maar Battestin ziet het anders. Laroon, die negentig jaar is geworden, vergiste zich vaak, en de man met de bolle buik (Fieldings waterzucht), de voet op het krukje (zijn jicht) en de aandachtige ongelovige luisterende blik: dat zou hem heel goed zelf kunnen zijn, van gezicht en van houding.

Libertijn

In ieder geval voeren Reynolds en Laroon ons tot in de buurt van Fielding, meer dan Hogarth. Daar kunnen wij zijn levensloop gaan volgen in grote en kleine bijzonderheden waarvan er veel pas door de Battestins aan het licht zijn gebracht. Een jaar of twaalf lang is Martin Battestin, van de Universiteit van Virginia, een vertrouwde verschijning geweest in de British Library, waar hij al het denkbare bronnenmateriaal las terwijl zijn vrouw archieven in en buiten Londen doorzocht. Hij had voor die tijd al veel over het oeuvre geschreven, en kritische edities verzorgd van Joseph Andrews en Tom Jones. In de geschiedenis van de Fieldingkunde is zijn naam voorlopig de grootste, en waarschijnlijk zal nooit meer iemand er zoveel gegevens aan toevoegen.

De voornaamste lijnen waren duidelijk genoeg aangegeven door de biografie van een andere Amerikaan, Wilbur Cross, in 1918. Cross was een zorgvuldige geleerde en verteller die het nodig vond de nadruk te leggen op Fieldings morele voortreffelijkheid. Sinds de biografische inleiding bij de eerste Works in 1762 door Arthur Murphy was gewoonlijk aangenomen dat Fielding, hoewel op zijn tijd een moralist, leefde als een libertijn en hoofdschuddend beoordeeld moest worden. Thackeray en Leslie Stephan waren de twee meest gezaghebbende negentiende-eeuwers die hem zo behandelden; toen kwam Cross en keerde het gebruikelijke oordeel om, volgens sommige Fieldingkenners en ook volgens Battestin.

Eigenlijk vind ik niet dat Cross zo eenzijdig Fielding mooi voorstelt als zij zeggen. Hij was dol op hem, en geneigd zijn afwijkingen van het strikte fatsoen te vergeven zo niet goed te praten; dat is een persoonlijke waardering waar de lezer die objectiviteit verlangt, makkelijk iets af kan trekken. Cross was een vriendelijke baas; maar Battestin, als de volgende ingrijpende biograaf, wil het beter doen en een minder partijdig en meer menskundig oordeel geven.

Het valt hem niet mee, omdat wij van sommige van Fieldings tijdsbestedingen weinig afweten. Wat hij uithaalde in Covent Garden in de tijd toen dat de rosse buurt van Londen was, kunnen wij verzinnen maar is niet in detail overgeleverd, zodat wij geen recht hebben op een oordeel. Zijn politieke activiteiten zijn beter bekend, want grotendeels vastgelegd in de pamfletten en journalistieke artikelen die hij zijn leven lang schreef, maar in de achttiende-eeuwse Engelse politiek ging het zo vaak om belangen en zo zelden om principes dat het twintigste-eeuwse morele oordeel er weinig vat opkrijgt.

Zijn geldgebrek, daar is iets mee te doen, en Battestin heeft er veel gegevens over. Fieldings inkomsten uit toneelstukken (die hij tot 1737 voornamelijk schreef) en uit romans en journalistiek waren bescheiden vergeleken bij wat twintigste-eeuwers met zo'n succes als hij verdienen, maar niet armzalig. Als hij er minder onnadenkend mee was omgegaan had hij niet telkens in geldnood hoeven verkeren. In zijn jonge jaren gaf hij te veel uit aan het nachtleven. Later toen hij gelukkig getrouwd was werd het minder, maar het geld ging toch vlug op. Hij gaf het uit of hij gaf het weg, en als hij leende hield hij zich niet altijd aan de afspraak voor terugbetaling. Toen hij een stuk van het landbezit van zijn moeders familie erfde ging hij er wonen maar moest het al spoedig verkopen en even later was er van de opbrengst niets over. Wat hij verdiende als advocaat na 1740 en als magistraat na 1750 was niet bij benadering genoeg voor zijn behoeften. Hij hoopte iets te krijgen bij de dood van zijn vader, de generaal Edmund Fielding, maar die bleek ook haast geen geld meer gehad te hebben, en het weinige dat er was moest naar een nieuwe vrouw met wie hij kort tevoren getrouwd was.

De geldnood was voor een deel pech en voor een deel eigen schuld, en voor een deel misschien de nonchalance van een jongetje dat met geld opgegroeid was en verwachtte dat het altijd weer ergens vandaan zou komen. Een ondeugd kon zijn financiele onbekwaamheid niet genoemd worden; wel bleek eruit dat deze schrijver geen oppassende man was, en natuurlijk werd hij lastig voor zijn omgeving als hij weer eens omhoog zat.

Hij werd bij voorbeeld lastig gevonden toen hij in 1749 een lening niet afbetaalde aan James Harris in Salisbury, met wie hij sinds jaren een vriendschappelijke correspondentie voerde. De brieven waaruit diens ergernis spreekt, dat wil zeggen niet zijn eigen brieven maar de verlate antwoorden met excuses van Fielding, waren nog niet eerder openbaar gemaakt. De originelen bezit Lord Malmesbury, een afstammeling van Harris; dat was bekend, maar niemand had ze mogen raadplegen totdat Battestin er toestemming voorkreeg.

Hartelijk

Er bestaan weinig brieven van Fielding, en die aan Harris zijn van belang niet alleen voor de illustratie van zijn geldzorgen maar vooral omdat ze zijn toon in de vriendschap laten horen. Al was hij niet fatsoenlijk genoeg om aan de eisen van de negentiende-eeuwse literatuurhistorici te voldoen, dat hij een hartelijke vriendschappelijke man was en het met veel mensen goed kon vinden moesten ook zij uit de beschikbare gegevens opmaken; hoe hij met die mensen omging bleef bij gebrek aan correspondentie en aan anekdotes over hem onbekend.

De vriendschap met Hogarth bij voorbeeld, door Cross en anderen als vaststaand behandeld, wat was daar de inhoud van? Er is wel eens geopperd dat zij elkaar eigenlijk nauwelijks kenden en alleen nogal wat op hadden met elkaars werk. Battestin schrijft weer alsof zij grote vrienden waren, maar hij heeft geen enkele brief en geen beschrijving van een ontmoeting: alleen twee schetsjes van Hogarth, en een paar opmerkingen in geschriften van Fielding.

Des te meer belang hebben de brieven aan Harris, waar vertrouwelijke opmerkingen en grappen en uitnodigingen in staan. Aan de hand daarvan kunnen wij ons proberen voor te stellen hoe Fielding zich gedroeg. Was hij een uitbundige overdonderende man, die na een onvergetelijke avond een jaar lang uit het zicht bleef en dan ineens weer een warme aardige brief schreef, met aan heel goede vrienden een verzoek om een lening? Een overtuigend levendbeeld is het nog niet. Bij gebrek aan informatie van anderen blijft het moeilijk om een beschrijving te ontwerpen van zijn verschijning, en Battestin waagt er zich niet aan. Wij hebben genoeg, zou hij misschien zeggen, aan de wetenschap dat Fielding vriendschappelijke relaties onderhield met allerlei uitstekende mensen, en dat zijn talenten en zijn generositeit meer goed hebben gedaan dan zijn ondeugden kwaad; wij gaan buiten ons boekje als wij denkbeeldige gedaanten van hem oproepen.

En uit de brieven aan Harris blijkt dat de vriendschap zich herstelt van de verkoeling door de onbetaalde schuld: dat bewijst ook alweer iets.

Battestin heeft zoveel te vertellen dat het niemand zou passen om te klagen over wat er in zijn biografie ontbreekt. Ik zou met meer aandacht gelezen hebben als ik er een gezicht van Fielding in had kunnen onderscheiden, maar het boek is ook zonder gezicht, behalve dat door Reynolds, bewonderenswaardig en onmisbaar.

Wat mij verbaasde is dat de romans, Joseph Andrews en Tom Jones en Amelia, kort worden afgehandeld. Nauwelijks zijn wij begonnen erover te lezen of het is weer uit en wij keren terug naar de levensloop van de auteur. Vond Battestin dat hij over die boeken genoeg geschreven heeft in artikelen en inleidingen; was hij in reactie tegen Cross, die voor Tom Jones alleen al meer dan honderd pagina's nodig had; en vond hij misschien dat het daar niet omgaat in een biografie, en was hij bang dat zijn boek te lang werd?

Wat hij ook vond, er is iets tegen in te brengen, namelijk dat zich in de romans het karakter van Fielding heeft uitgedrukt, niet alleen zijn talent en een aantal semi-biografische gegevens, maar de stijl en de toon van de man. Het bestaan is er overzichtelijker dan in de historische werkelijkheid, en minder afmattend; wij zouden ons vergissen als wij dachten dat de schrijver zelf in zo'n wereld leefde, maar een hoofdstuk zonder beslommeringen nu en dan zou het verhaal van die woelige carriere goed doen.

Wie in een biografie een figuur uit het verleden hoopt te zien oprijzen zou ik niet naar Battestin sturen. Wel moet iedereen die wil meepraten over de ene grondlegger van de Engelse romantraditie (de andere was Richardson) voortaan dit boek hebben. Het is een beetje duur, maar dan ook voorbeeldig uitgevoerd, bestemd om ons allen te overleven, net als het onderwerp.

Kortaf

Wie iets van Fieldings levende persoonlijkheid wil kunnen onderscheiden heeft meer aan Donald Thomas. Ook hij is een academicus, van de universiteit van Wales, maar niet zo'n gespecialiseerde als Battestin. Hij heeft romans en poezie geschreven, en biografieen van schrijvers en militairen. Waarom nu juist Fielding, voordat de inkt van Battestins boek droog is, en zonder een herdenkingsjaar in de buurt? Het kan hem onmogelijk ontgaan zijn dat dat andere werk in de maak was. Misschien werd hij geprikkeld door de gedachte aan de vele Amerikanen die de Engelsen het werk aan hun literatuur uit handen nemen. Hij schrijft kortaf over Wilbur Cross en diens geldstroom, en in zijn voorwoord nog korter afwijzend over Battestin.

Erkend moet worden dat hij vertrouwelijker omgaat met het achttiendde-eeuwse Engeland dan de Amerikanen, en al heeft hij niet zoveel eigen onderzoek gedaan, hij is belezen genoeg om twijfelaars het zwijgen op te leggen. Daarbij voldoet hij aan het verlangen naar meer aandacht voor de romans als delen van de biografie; en wij zien bij hem beter hoe de beheerste en de onbeheerste eigenschappen van Fielding elkaar pasten.

In zijn temperament staat Donald Thomas als schrijver dichter bij zijn onderwerp dan Battestin. Dat is een voordeel, maar overwonnen wordt de afstand niet, en de verbeelding van de academische onderzoeker heeft ook zijn bekoring. Er moet nog meer gedaan worden op dit terrein voordat wij ons kunnen verbeelden dat wij de ware biografie voor ons hebben; bij het afwachten is het alvast indrukwekkend dat er twee zulke boeken verschijnen binnen een jaar.