Bevoegdheid premier 'behoorlijk probleem'

DEN HAAG, 9 nov. Even had het er vorige week op geleken dat premier Lubbers en minister Van den Broek hun, door uitgelekte brieven aan het lichtgekomen, controverse wilden wegmasseren. Maar gisteren draaiden ze er tijdens een debat in de Tweede Kamer niet meer omheen. Niet op dit moment, maar voor de langere termijn ligt er 'een behoorlijk probleem' met betrekking tot de bevoegdheden van de premier op het terrein van buitenlands beleid. D66-leider Van Mierlo gebruikte die term, Van den Broek zei het ermee eens te zijn en Lubbers zweeg instemmend.

Lubbers was voor zijn doen ook tamelijk ondubbelzinnig met de uitspraak dat 'je als lid van de Europese Raad alleen goed kunt functioneren als de andere leden echt je collega's zijn'. Van den Broek maakte duidelijk dat bij het maken van nieuwe afspraken voor hem alles afhangt van de vraag of hij zijn 'individuele politieke verantwoordelijkheid en coordinerende functie' voldoende kan blijven vervullen. 'Zodra ik het gevoel zou krijgen dat dit niet meer het geval is, moet deze minister zich beraden.' Vertaald in normaal Nederlands betekent dit dat de minister op termijn met aftreden dreigt.

Van den Broek was gespannen en hij sprak op een voor hem in Kamerdebatten ongebruikelijk hoge toonhoogte. Aan zijn hele gedrag was het besef af te lezen dat het hier ging om een aanval op zijn positie als coordinator van het buitenlands beleid. Wat van elkaar afgewend zaten ze achter de regeringstafel, elkaar geen moment aankijkend, de blik demonstratief op neutraal. Het gezamenlijk koffiedrinken, woensdagochtend in het Torentje van de premier, had niet echt bevrijdend gewerkt.

Voor de goede verstaander waren er in het debat harde uitspraken te noteren en af en toe zat er zelfs iets dreigends in de woorden van de minister-president. Diverse keren haalde hij bijvoorbeeld de woorden van VVD-leider Bolkestein aan dat Europees beleid binnenlands beleid is geworden. 'Misschien wordt straks gezegd dat het buitenlands beleid zich uitstrekt buiten de Europese Gemeenschap, want daarbinnen is het binnenland aan het worden', voegde hij er luchtigjes aan toe. Er klonk iets in door van: Europa is straks niet meer van de minister van buitenlandse zaken maar van de minister voor algemene Europese zaken.

Lubbers zei dat laatste uiteraard niet. Hij schetste zichzelf als coordinator van het kabinetsbeleid, als eerst aangewezen uitvoerder van de opdracht in de grondwet dat de ministerraad voor eenheid van beleid zorgt. In de systematiek van de coordinatie in de ministerraad, aldus Lubbers, is een 'dubbelfiguur' ingebouwd: naast voorzitter van de gehele ministerraad is de premier voorzitter van de deelraden, die zich bijvoorbeeld met de Europese Samenwerking of met het milieubeleid bezighouden. De minister-president mag de ministers niet voor de voeten lopen, maar anderzijds is hij als eerste gehouden om het beleid 'in beweging te houden, in zijn samenhang duidelijk te maken en om het beleid ook in zijn samenhang gerealiseerd te krijgen, niet alleen binnenlands, maar ook over de grenzen heen'.

Dat alles was een onderbouwing van de stelling die hij niet gisteren, maar in een uitgelekte brief had opgeschreven, dat hij de 'gegroeide praktijk' wil vastleggen dat hij ten minste op Europees terrein 'complementair' moet kunnen werken op het gebied van de minister van buitenlandse zaken. En daarbij mag hij in vergelijking met collega's in het buitenland 'niet gehandicapt worden in informatie, contacten, presentie, status, etc.'.

Minister Van den Broek, van zijn kant, deed af en toe, halfgrappig gepresenteerd, een uithaal naar de premier. Bijvoorbeeld toen hij de praktijk schetste dat bij de EG-topconferentie de regeringsleiders formeel worden vergezeld van de ministers van buitenlandse zaken. 'Als de minister-president daarna 's avonds met collega's aan een copieus diner van gedachten wisselt, zijn alleen de regeringsleiders en het staatshoofd aanwezig, omdat de ministers van buitenlandse zaken in het zaaltje ernaast de verklaringen moeten opstellen die de volgende dag door de regeringsleiders worden afgezegeld. Niemand zal er toch aan twijfelen dat wat hij daar te zeggen heeft, niet op een briefje staat dat hem door de minister van buitenlandse zaken is meegegeven?'

De minister verdedigde in de Kamer de stelling uit zijn brief zonder die rechtstreeks te noemen dat hier sprake is van 'sluipende verschuivingen' naar een punt dat niet meer door de grondwet wordt gedekt. Als de premier bevoegdheden wil, moet dat via de weg van een grondwetswijziging. Wat Van den Broek niet zei, maar wat iedereen weet, is dat hij er van uit gaat dat dit zo lang duurt dat hij en Lubbers tezijnertijd waarschijnlijk al lang een andere functie bekleden. Een discussie over een grondwetswijziging kan hij niet echt willen, want elke wijziging, hoe gering ook, in de summiere opdracht aan de minister-president, van wie nu alleen wordt vastgesteld dat hij voorzitter van de ministerraad is, is altijd in zijn nadeel.

De fractievoorzitters maakten echter gisteren in meerderheid duidelijk dat er over grondwetswijzigingen pas zal worden gesproken bij de discussie over de staatkundige vernieuwing, waarvoor de commissie-Deetman nu een nota voorbereidt. Bovendien vinden ze ten aanzien van de bevoegdheden van premier Lubbers op Europees terrein dat het kabinet die zelf maar moet uitzoeken. In dat opzicht kiezen ze voor de weg die Lubbers wil gaan: afspraken binnen de ministerraad.

Van den Broek kon de conclusie trekken dat hij er in de komende discussie over bestuurlijke vernieuwing in elk geval niet geheel zonder kleerscheuren zal afkomen. Europa wordt binnenland en dat schept consequenties voor de bevoegdheden. Voor grondwetswijzigingen op dit punt is echter geen meerderheid in de Kamer.