Oranje wondertjes in het stuifzand

Enige maanden geleden ging The Runner (1986) hier in premiere, een mooie, aangrijpende film over een zwerfjongen in Abadan die zich niet neerlegt bij de onwrikbaarheid van het noodlot. In Ab, bad khak, de film die de, naar de Verenigde Staten geemigreerde, Iraanse filmmaker Amir Naderi in 1989 voltooide, wordt een analoog verhaal verteld. Opnieuw is de hoofdpersoon een ouderloze jongen en opnieuw onderscheidt dat kleine mens zich doordat hij, met een ontroerende veerkracht, weigert zich neer te leggen bij een situatie die door iedereen wordt beschouwd als uitzichtloos. De parallel wordt nog sterker doordat Naderi de rol liet vervullen door de jongen die ook de hoofdrol in The Runner speelde. Hij is nu iets ouder, met een beginnend snorretje en een wat hoekiger gezicht, maar nog steeds straalt de onschuld uit zijn vragende ogen en opnieuw wordt zijn personage gekenmerkt door een absoluut gebrek aan egoisme.

Een groot verschil tussen de twee films is dat de jongen in Ab, bad, khak ('Water, wind, stof') geen persoonlijke ontwikkeling doormaakt. Door zijn ouders werd hij in 'de stad' te werk gesteld. Braaf stuurde hij geld, maar toen zijn brieven enige tijd onbeantwoord bleven, besloot hij terug te keren naar zijn dorp. Van dat dorp staan er alleen nog wat ruines. De aanhoudende droogte en de gierende wind hebben de bewoners verdreven, ook zijn ouders, zijn broers en zijn zusjes. De jongen keert niet terug naar de stad, waar hij zal kunnen overleven, hij gaat zijn familie zoeken, op de bodem van het verdroogde meer, waar alleen verdroogde visselijken herinneren aan leven.

Ab, bad, khak bestaat uit een arbitraire opeenvolging van zijn ontmoetingen in de woestenij. Het middelpunt van zijn omtrekkende gescharrel is de enige waterput waar nog wat vocht in zit. Telkens denkt hij verder te kunnen trekken, steeds is er een reden om zo snel mogelijk terug te keren naar die put: een achtergelaten peuter, een dorstig bejaard echtpaar, een uit het stuifzand opgegraven man, een broodmagere koe. Of zelfs twee goudvisjes die spartelen in een achtergelaten bodempje water, oranje wondertjes in een grauwe wereld. Dat hij die goudvisjes vindt, is ongeloofwaardig. Bestaan ze of zijn ze een zinsbegoocheling, een uitdrukking van zijn naieve doorzettingsvermogen? Ze luiden het einde in van de jongen, die tot en met zijn eigen ondergang blijft vertrouwen op redding, als het moet in een laatste droombeeld.

Naderi heeft voor deze film afgezien van een verhaalverloop. Landschap, landschap, landschap; zand, kei, stof en af en toe een troepje sloffende figuren alles even monotoon vastgelegd. Er gebeurt wat er gebeurt, zonder lijn en altijd getoonzet op het geloei van de razende wind en soms op het geweeklaag van apathisch hun dood afwachtende vrouwen. Die aanpak levert een allengs minder boeiende film op. Medelijden met de jongen en zijn lotgenoten blijft, met zijn lijden mee-leven is de kijker niet vergund.