LAWRENCE DURRELL 1912 - 1990; Geheimschrijver

Lawrence Durrell is overleden, 78 jaar oud, in Zuid-Frankrijk waar hij de laatste dertig jaar woonde. Hij was de Durrell van The Alexandria Quartet: vier bijeen behorende romans, die hij van 1956 tot 1960 geschreven heeft. Dat werk is in Engeland vaak ongelovig bekeken, met zijn zwaar geurende, mediterrane pretenties, maar in Frankrijk werd het meteen gewaardeerd als een uitschieter in de Engelse literatuur. Tunc en Nunquam, twee romans van tien jaar later die eveneens bij elkaar horen, hebben het quartet niet van zijn ereplaats verdrongen, evenmin als een later kwintet, genoemd naar de stad Avignon; die waren even complex van verhaal en van ideeen, maar kwamen niet meer als zo'n verrassing en zij misten de geheimen van Alexandrie.

In een minder prozaische eeuw zou Durrell waarschijnlijk dichter gebleven zijn, wat zijn eerste ambitie was. Voor sommige lezers, heeft de dichter en criticus G. S. Fraser over hem geschreven, is hij in zijn proza net zo'n mythomaan als Iris Murdoch, en eigenlijk niet iemand om ernstig te nemen; en- al zou Fraser het anders stellen - ook hij vond dat de poezie een meer zorgvuldige en geloofwaardige persoonlijkheid vertolkt.

Though love is not the word I want Yet it will have to do. There is no other. Bij lezers die het zich niet moeilijk wilden maken had Durrell meer naam met zijn boeken over eilanden in de Middellandse Zee, en over zijn herinneringen aan bijbanen in de diplomatieke dienst. Hij heeft over Corfu, Rhodos en Cyprus geschreven, in een stemming die hij aanduidde als islomania - de conditie van iemand die zich het heerlijkst voelt op een eiland.

Ook zijn briefwisseling met Henry Miller, vol theorieen en inzichten en sterke verhalen, heeft aan zijn reputatie bijgedragen. Als ik zelf aan hem denk, zie ik hem ook weer voor mij in een tv-interview met de BBC van 25 jaar geleden, zittend in de arena van Nimes, waar hij toen in de buurt woonde. 'Vroeger was ik van het type dat diep in de nacht schrijft, met zwarte koffie', onthulde hij daar; 'nu ik ouder ben, doe ik het juist 's morgens vroeg.' Hij zat voor de Romeinse achtergrond met zijn ogen halfdicht tegen de zon, een geschikte, nadenkende man.

In de tijd van The Alexandria Quartet was hij, denk ik, nog een nachtschrijver. Zo klinkt die tekst, nu niet minder dan dertig jaar geleden. Wie Justine (de eerste van de vier) opslaat, en de ik-figuur aan het proza maken hoort, twijfelt of het de moeite waard zou zijn om het hele werk opnieuw te gaan lezen. Twijfel betekent niet dat het laatste woord daarmee algezegd is. Achter de figuur van Darley komen Nessim en Justine zelf, en Clea en Mountolive uit de herinnering op, en de donkere gangen in Alexandrie en de jachtpartij buiten de stad. Zij hebben meer indruk gemaakt dan het eerst leek, dus misschien hadden de Fransen gelijk. Wij zijn van Durrell nog niet af.