Kamer: macht premier in grondwet niet aanpassen

DEN HAAG, 8 nov. - De overgrote meerderheid van de Tweede Kamer vindt een grondwetswijziging ten behoeve van het verlenen van meer bevoegdheden aan de minister-president op het terrein van buitenlandse politiek niet nodig. Minister Van den Broek en premier Lubbers moeten op dit punt binnen en in overleg met het kabinet zelf voor een goede samenwerking en coordinatie zorgen.

Tijdens een debat hierover vanmorgen werd bevestigd dat er op dit punt fundamentele verschillen van mening bestaan tussen minister Van den Broek en premier Lubbers. Van den Broek bevestigde de stelling van de premier dat er geen acute problemen bestaan, die hun samenwerking in gevaar brengt. Hij voegde er echter aan toe dat deze problemen wel kunnen ontstaan. Afhankelijk van de wijze waarop de vraag naar een wijziging van de bevoegdheden van de premier met betrekking tot zijn functioneren in de Europese Raad (van regeringsleiders) in de toekomst wordt gesteld, zo formuleerde Van den Broek het, zou 'ik mij dan op mijn positie moeten beraden'.

Het debat van de fractievoorzitters met Lubbers en Van den Broek vond plaats op verzoek van D66-leider Van Mierlo, die bang was voor onduidelijkheid over het Nederlandse beleid naar aanleiding van de uitgelekte briefwisseling tussen de beide bewindslieden over de bevoegdheden van de premier. In een van die brieven had Van den Broek een 'niet aanvaardbaar' uitgesproken over wijzigingen op dit punt van de bevoegdheden, zonder dat daaraan een grondwetswijziging ten grondslag zou liggen.

Die strenge opvatting nuanceerde hij vanmorgen door te zeggen dat het voor hem 'nog niet vaststond' of een dergelijke verandering zonder formele wijzigingen van de grondwet zou kunnen. Dat zou afhangen van wat er precies werd gevraagd. Van den Broek zei ook dat 'hier een verschil van standpunt' tussen hem en de premier ligt.

Premier Lubbers, die er regelmatig de nadruk op legde dat hier geen sprake van een 'groot probleem' was, zette uiteen dat met de grondwetswijziging van 1983 de positie van de ministerraad is versterkt met de toevoeging dat de minister-president zorg draagt voor de eenheid van het beleid. 'Daarmee is ook de positie van de voorzitter van die raad versterkt', aldus Lubbers. Zonder die beleidsbepaling door de ministerraad kunnen hij noch de minister van buitenlandse zaken opereren.

De fractievoorzitters beperkten zich tot algemene opmerkingen, omdat het functioneren van de minister-president in algemene zin later dit jaar aan de orde komt bij de behandeling van de binnenkort verschijnende nota van de commissie-Deetman over de bestuurlijke vernieuwing. Niettemin bleken de meeste fractieleiders het specifieke punt van meer bevoegdheden van premier Lubbers in de Europese Raad en in algemene zin bij de Europese integratie geen probleem te vinden. De voorwaarde is dat Lubbers' optreden goed wordt gecoordineerd met Van den Broek en deel uitmaakt van een door Van den Broek voorbereid en gecoordineerd en in de ministerraad vastgesteld buitenlands beleid.

Van Mierlo was de enige die de indruk wekte de grondwet op dit punt te willen wijzigen, hetgeen in overeenstemming is met het streven van D66 naar een gekozen minister-president. Woltgens (PvdA) vond dat er binnen het huidig staatsbestel voldoende ruimte is voor de premier in het buitenland, maar dat er wel een fundamentele discussie nodig wordt nu steeds meer buitenlands beleid binnenlands beleid wordt. Brinkman (CDA): 'De minister-president is veel meer dan voorzitter van de ministerraad, maar hij moet ook zijn grenzen kennen.' Bolkestein (VVD) constateerde dat de polsstok waarmee de premier kan springen net zo lang is als de ministerraad wil.

foto: DEN HAAG - Premier Lubbers en minister Van den Broek vanmorgen tijdens een debat in de Tweede Kamer over hun bevoegdheden op buitenlands terrein. (Foto NRC Handelsblad/Chris de Jongh) Pagina 3: Kamer tegen aanpassen macht van premier in de grondwet