Een aartsengel op koninginnedag

Curacao 1948. Een donkere onderwijzeres is verloofd met een blanke politie-inspecteur, maar ze voelt zich hartstochtelijk aangetrokken tot de Surinaams-Nederlandse schilder Gabriel. Niet alleen is die passie wederzijds, Gabriel koos haar, een gekleurde vrouw, ook om model te staan voor de Madonna die hij, in opdracht van de blanke geestelijkheid ter plekke, schildert in de koepel van de kerk. Er ontbrandt een ingewikkelde strijd waar de hele dorpsgemeenschap, blank en zwart, bij betrokken raakt. Jaloezie, racisme, roddel, zwarte kunst en hokjesgeest stoken het vuur aan en wanneer de inmiddels voltooide schildering door een mystiek aandoende zonnestraal een soort wonder afscheidt, komt daar ook nog godsdienstwaanzin bij. De gelovigen denken in de onderwijzeres een incarnatie van de Madonna te herkennen en des te harder slaan ze toe wanneer ze ontdekken dat deze 'Madonna' vrijt met die rare schilder. De blanke overheersers komt al die onrust niet uit, temeer daar de invloed van van de schilder ook hen persoonlijk raakt. Op instigatie van de bedrogen politiechef wordt er hardhandig ingegrepen. Er vallen slachtoffers, er vloeit bloed, er wordt gemoord. Niemand grijpt in. Alles blijft bij het oude.

Dat Felix de Rooy (origineel verhaal en regie) en Norman de Palm (scenario en produktie) het leven op wat ooit plechtig de 'Nederlandse rijksdelen over zee' werden genoemd als onderwerp van een film kiezen, valt te prijzen. Interessant en ingewikkeld lagen de verhoudingen tussen de verschillende bevolkingsroepen en wie hun film Ava en Gabriel ziet, realiseert zich pijnlijk dat er indertijd onder Nederlands bewind een verwrongen samenleving is gegroeid, waar we hier alleen in theorie weet van hebben. In dat opzicht is Ava en Gabriel dan ook geslaagd. Geholpen door het juichend kleurgevoel, de wijde lenzen en de strakke kaders van cameraman Ernest Dickerson, brengt De Rooy het dorpsleven prachtig in beeld: de wirwar van de verstikkende, door haat en nijd in stand gehouden gedragsregels van de locale bevolking, het snobisme en racisme van de Hollandse top, de vileine roddel in alle bevolkingslagen, maar ook bijvoorbeeld de vervreemding van een koninginnedag in de tropen.

Jammer genoeg blijft het daarbij. Het verhaal, dat blijkens een interview met De Rooy ook nog 'een herinterpretatie van het christendom' wil zijn, met de schilder als de aartsengel Gabriel en Ava als de te bevruchten maagd, valt al snel aan scherven. De makers konden hun ideeen niet in de hand houden en verliezen zich in allerlei bijfiguren, intermezzi en subplots, die het verhaal zonder noodzaak compliceren. De chaos wordt compleet door de abominabele acteursregie. Bijrollen zijn vervuld alsof de acteurs achter de gordijntjes van een poppenkast vandaan komen: nadrukkelijk worden de houten dialogen uitgegild, schouder vooruit, hand op de heup. Ervaren filmspelers als Geert de Jong (als een boosaardige Goeverneursvrouw) en Theu Boermans (een verlichte pastoor) slagen er in hun personages nog enigszins acceptabel te maken, maar Dolf de Vries (de bisschop) staat regelrecht voor gek.

Het meest hard komt het gebrek aan regie aan bij de hoofdrolspelers. Nashaira Desbarida en Cliff San-A-Jong laten zich in deze film met enige moeite herkennen als in potentie belangwekkende acteurs. Hun uitstraling wekt spanning, maar hun spel werd onbarmhartig gebrekkig begeleid en de personages Ava en Gabriel blijven, hoe ze ook smachten en zweten, figuren van onaangedaan karton.