De oude sjablonen doen het nog goed

T. E. Lawrence ('Lawrence of Arabia') meende dat hij de wedergeboorte van de Arabische natie aanschouwde. Tijdens de Eerste Wereldoorlog was hij uitgezonden om heel prozaisch het gezag van Duitslands Turkse bondgenoot in diens Arabische gewesten te ondermijnen. Maar kolonel T. E. Lawrence gaf zich snel gewonnen aan de gewelddadige, dubbelhartige en heldhaftige wereld van de bedoeienensjeiks. Zijn Londense opdrachtgevers waren slechts geinteresseerd in een guerrilla die de Turken verder moest demoraliseren, Lawrence zag een Phoenix uit zijn as herrijzen.

De Phoenix bleek uiteindelijk een koel rekenende politicus, Hussein, sherif van Mekka, die oog had voor de grenzen van het mogelijke. Uit de Turkse erfenis aanvaardde Hussein de stukken die de Britten hem toewierpen in ruil voor een blijvend Brits protectoraat. Twee dynastieen ontsproten aan het vergelijk, een in Amman en een in Bagdad. Damascus, waar de sherif aanvankelijk zijn zinnen op had gezet, moest de Britse curator aan partner Frankrijk laten, het nieuwe Irak werd tevreden gesteld met het olierijke Mosul, ten koste van Turkije. Lawrence keerde als geofferde pion terug naar zijn kille vaderland.

De idee van de Arabische natie, een echo uit vervlogen eeuwen, werd gemunt door Nasser, president van Egypte. In haar naam nationaliseerde hij het Suezkanaal, vormde hij de Verenigde Arabische Republiek samen met Syrie en Jemen en liet hij zich in 1967 verleiden tot een vergeefse poging Israel te wurgen. De daarop volgende nederlaag in de Sinai, op de Golanhoogte en op de westelijke oever van de Jordaan zond het visioen van de Arabische natie voor vele jaren terug naar het schimmenrijk van de politieke waan.

Het offensief van Nassers opvolger Sadat over het Suezkanaal in 1973 had de beperkte doelstelling het in 1967 verloren gegane Egyptische gebied terug te winnen. Dat doel was realistisch. Sadat kreeg langs diplomatieke weg wat oorlog hem niet kon verschaffen.

De idee van de Arabische natie doet, als ideologisch vehikel, dienst ten behoeve van het machtsstreven van Arabische leiders. Dat is geen nieuws. Maar deze constatering verklaart niet de aantrekkingskracht die de idee steeds weer op de Arabische massa blijkt uit te oefenen. De aantrekkingskracht lijkt voort te komen uit de diepe sociale, economische en culturele onvrede van groepen Arabieren met de toestand waarin zij leven. Die frustratie is anderzijds een bron waaruit de opportunist kan putten zodra hij de juiste formule uitspreekt.

In de tijd van Nasser was het Britse kolonialisme, of beter de restanten ervan, nog zichtbaar. Het Suezkanaal, Aden, Koeweit, het Arabische Legioen van Glubb Pasja, een karikatuur van Lawrence of Arabia, onderstreepten de Britse aanwezigheid. Nassers greep naar het Suezkanaal bracht in 1956 Britten, Fransen en Israeliers in zijn land, Iraks greep naar Koeweit in 1963 werd verijdeld door dezelfde Britten. Nasser werd op zijn wenken bediend. Hij had een vijand en hij had een slachtoffer, de Arabische natie. Maar hij had geen behoefte aan Koeweits inlijving door Irak. Zou hij in 1967 succes hebben gehad dan had hijzelf de kaart van het Midden-Oosten opnieuw getekend. Daarbij kon de hand van Bagdad worden gemist.

Ondanks zijn mislukking is de figuur Nasser een inspiratie en een alibi gebleven. Lang na zijn dood hebben Palestijnen en een enkele Libanese factie zich op hem beroepen hoewel vooral de Palestijnen Nassers gelag betalen hun Gazastrook en 'Westbank' staan sinds 1967 onder Israelisch militair gezag. Thans kijken de Palestijnen op naar Saddam Hussein als hun mogelijke redder. De Iraakse leider heeft zich op een gegeven ogenblik uitgeroepen tot woordvoerder en beschermer van de Arabische natie en is daarmee ogenschijnlijk in Nassers spoor getreden. De Egyptenaar kon een zekere consistentie niet worden ontzegd, de heerser van Bagdad heeft totdusver een ratjetoe van gewelddadige probeersels laten zien.

Iraks aanval op Iran in 1980 werd door Bagdad weliswaar uitgelegd als een vurige poging het onrecht dat de Perzen in de loop der eeuwen de Arabieren zouden hebben aangedaan uit te wissen, maar in werkelijkheid werd op grote schaal misbruik gemaakt van de ernstige verzwakking van een buurland. Dat de ayatollahs hun volk zojuist hadden bevrijd uit de klemmende greep van een handlanger van het Amerikaanse imperialisme (een gangbare voorstelling van zaken in die tijd), maakte op Saddam Hussein geen enkele indruk. Van een islamitische broederschap over etnische grenzen heen wilde hij niets weten, evenmin van een Arabische prioriteit in nasseristische zin. Van links en rechts accepteerde hij de militaire technologie die Iraks numerieke achterstand moest compenseren. De oliesjeiks behandelde hij voor de gelegenheid als suikeroompjes die voor de gevolgen van de wilde avonturen van hun Iraakse neef wel de geldbuidel wilden trekken.

De recente uitleg in Bagdad dat het nu eindelijk tijd werd de sjeiks uit de weg te ruimen en hun kapitalen onder het Arabische volk te verdelen ja, dat daartoe zelfs de gehate Perzen mochten worden gepaaid was alleen te verkopen aan mensen die bereid zijn alles te geloven. De overval deze zomer op Koeweit had met veel te maken, behalve met de bevordering van sociale rechtvaardigheid in de Arabische wereld. Bankroet als hij was, kraakte Saddam Hussein de kluis in de villa van de buren, in de hoop dat de rest van de wereld wat anders had te doen en er niet al te zeer van zou opkijken. Een geanimeerd gesprek met Amerika's diplomatieke vertegenwoordigster had hem enkele uren tevoren op dat punt voorzover nodig gerustgesteld.

Wat daarop volgde waren praatjes voor de vaak. De zogenaamde revolutie in Koeweit, de beweerde historische terugkeer van Koeweit in de schoot van Irak, de verguizing van de feodale vorsten als rijke uitbuiters, als lieden die Arabie uitleveren aan vreemde belangen, de haatcampagne tegen de Egyptische president Mubarak, de oproep aan Israel en Syrie hun legers terug te trekken, de beloftes aan natie en godsdienst, het waren evenzovele maskerades die de werkelijke aard en de bedoelingen van het regime in Bagdad aan het oog moesten onttrekken. De tragiek van de situatie is dat het er allemaal niet toe doet. Waar het op aankomt is dat sjablonen nog steeds met succes worden gebruikt.

President Bush heeft gezegd dat er kansen liggen om een nieuwe wereldorde te scheppen. Wat hij bedoelt is dat we ons, nu de Koude Oorlog voorbij is, eindelijk kunnen houden aan de orde zoals die in 1945 met het Handvest van de Verenigde Naties is ingesteld. Iraks schending van Koeweit is een gerede aanleiding om met de handhaving van die orde een begin te maken. Maar met woorden alleen wordt geen nieuwe kwaliteit geschapen. De achterblijvers in de wereld hebben geen behoefte aan orde, aan stabiliteit. Zij willen verandering of desnoods de suggestie van verandering. Zij zullen de orde van het Handvest pas willen aanvaarden, als die orde de impasse waarin zij verkeren helpt doorbreken. Daarop is geen zicht en daarom vindt Saddam Hussein hun gehoor.