'De muze herrezen' afscheidscollege van professor H. W. vonder Dunk over geschiedenis, literatuur en wetenschap; De onblusbare behoefteaan het verhaal

Met de geschiedwetenschap staat het er eigenaardig voor! Nu kan men op deze uitspraak weliswaar onmiddellijk met goede gronden laten volgen dat het er altijd eigenaardig voor heeft gestaan en dat ook in 't verleden de historici zich telkens afvroegen waar ze eigenlijk mee bezig waren en hoe ze de zin en aard van hun vak moesten definieren. Het thema is een evergreen dat zich voor elke oratie en elk afscheidscollege leent, gisteren, morgen en vandaag. Maar ik wil op dit punt even de doden hun doden laten begraven en bij de levenden blijven. Temeer om de vage begrafenisgeur die toch al om een afscheidscollege hangt niet extra te accentueren.

We horen herhaaldelijk de klacht over het teloorgaan van historisch besef. De verzuiling, heet het, hield nog een levende band met het verleden van de eigen groep in stand, doch bij de snelle veranderingen in onze technologenwereld kunnen historie en traditie helemaal niet meer in die mate gids en richtsnoer zijn als voorheen. Zonen en dochters maken zich met gemak regels en technieken eigen, waar ouderen moeite mee hebben, wat tot een verschuiving van gezagsverhoudingen moet leiden. Uit die klacht zou men kunnen opmaken dat het gemis aan historisch besef wat dat dan ook precies mag zijn als verlies wordt beschouwd. Niemand heeft nog luid geroepen: 'Oef, dat historisch besef zijn we tenminste kwijt!' Ook al sluit ik niet uit dat sommigen op bepaalde departementen en in de sectoren waar ons welzijn wordt geregeld dat in stilte denken.

Herhaaldelijk horen we daarentegen veelgelezen columnisten klagen over het falen van de historici: Ze weten het publiek niet te bereiken, ze kunnen niet schrijven en vooral, ze houden zich met futiliteiten bezig die geen mens boeien. Met de regelmaat van een klok verbaast zich een journalist die zich op een historisch onderwerp stort, dat de vakhistorici daar nog nooit aandacht aan hebben besteed. Kortom, ze bakken niet het brood waar het volk om vraagt. Die kritiek wordt dikwijls gekruid met de bekende verwijzing naar het voorgeslacht. De generaties van een Huizinga, Geyl, Romein... dat waren nog eens koninklijke cuisiniers, die waar afleverden, volgens pikante huisrecepten gebakken: geen machinale Lubrobroodjes; geen publikaties, waarvan de hoeveelheid citaten en voetnoten het gebrek aan ideeen en persoonlijkheid moet compenseren. Men zou kunnen denken dat de historici zijn ingeslapen.

Maar het merkwaardige is dat de stroom van publikaties jaarlijks aanzwelt. De universiteiten zinnen almaar op nieuwe recepten om de produktie op te voeren als gold het een winstgevende export, hoewel associaties met de Europese boterberg opkomen. Zoals de kelders van onze stadhuizen gevuld schijnen te zijn met gesubsidieerde kunstwerken, zo stapelen zich de studies en dissertaties in de bibliotheken op, het historisch bewustzijn kwijnt, de leek bijt op een houtje en de pers roept om historici die eindelijk eens de brandende kwesties behandelen.

THEORIE Oorzaak van die verwijdering lijkt mij het professionalisme, dedrang van het gilde om het vak tot een volwaardige wetenschap op te vijzelen naar analogie van de exacte wetenschappen, die 'harde' objectieve kennis levert, bestand tegen de tand des tijds. Dat betekent dat de historicus ook een persoonlijke afstand tot zijn werk moet hebben.

De gebeurtenissen worden zo ontleed, onderworpen aan een specifieke vraag en op het Procrustusbed van de theorie geperst. Daarmee veranderde de historicus van een portrettist in een rontgenoloog. Zijn gesprekspartner werd een andere rontgenoloog. Dat moest een verwijdering van de lezer met zich meebrengen, die niet bepaalde botten of zenuwknopen van het verleden wil zien maar het beeld.

Op die neopositivistische golfstroom, die dat professionalisme doelbewust bevorderde, is de bekende reactie gevolgd. Een reactie die door de verwijdering tussen professionelen en naar geschiedschrijving verlangende lezers, zo niet bepaald dan toch beinvloed is. Geschiedenis in de vorm van een verhaal, dus als literaire bezigheid (in plaats van een aan de exacte wetenschappen verwante verslaglegging van onderzoeksresultaten naar aanleiding van specifieke hypotheses of theorieen), is sedert de jaren zeventig in elk geval theoretisch weer in de belangstelling gekomen. Er is een hele theoretische richting ontstaan die zich met het verhalende, het narratieve bezighoudt. Dit literair-verhalende element in de geschiedschrijving wordt daarbij niet meer als onwetenschappelijke verouderde aberratie beschouwd maar als tot het wezen behorend. Plotseling knopen we daardoor weer aan, ik behoef het nauwelijks te zeggen, bij de eeuwenoude traditie, waarbij geschiedschrijving de esthetisch-literaire vormgeving van het verleden betekende. Boeken als die van Le Roy Ladurie, Ginsberg, Schama, Tuchman bewijzen dat historische onderwerpen zo kunnen worden gepresenteerd dat ze tot de bestsellers behoren en het niet tegen succesvolle romans behoeven af te leggen.

Wat maakt geschiedschrijving boeiend? Als dit iets is wat we het literaire of artistieke element noemen, hoe verhoudt dit zich dan tot de wetenschappelijke pretentie?

Laat ik allereerst een paar misvattingen uit de weg ruimen die gewoonlijk het zicht vertroebelen. Daar is de gebruikelijke tegenstelling tussen geschiedvorsing en geschiedschrijving. De vorser, zo heet het dan, is zuiver wetenschappelijk bezig. Het gaat hem uitsluitend om verifieerbare kennis en inzichten, terwijl de geschiedschrijver gedwongen is met een literaire, dus taalkundige vormgeving te werken, die hem al snel haar eigen wetten oplegt en verleidt om het accent van inzicht en kennis te verleggen naar een bevallige stijl en retorische middelen.

Deze altijd weer gemaakte tegenstelling is als onhoudbaar ontmaskerd. Ze gaat op haar beurt uit van een naieve en oppervlakkige voorstelling van wetenschap en literatuur, geschiedschrijving en geschiedvorsing.

Elke historische werkzaamheid of theorievorming, elke vraagstelling gaat uit van een min of meer samenhangend beeld dat slechts door een overlevering in taal, een verhalende overlevering kon ontstaan. Iedere historicus draagt uit zijn schooltijd dergelijke beelden mee, is met het verleden voor het eerst in aanraking gekomen door een verhalende voorstelling. Hij ziet dankzij de taal iets voor zich bij woorden als 'farao', 'Romeinen', 'Karel de Grote', 'Middeleeuwen', 'Franse revolutie'.

Hij ziet ze als figuren of momenten die optreden in het doorlopende verhaal van de menselijke ontwikkeling. En al die voorstellingen zijn slechts mogelijk dankzij een beschrijving die mensen van vlees en bloed laat zien. De structuralist moet dat eerst aftrekken om een geraamte te ontwaren.

AMPUTATIE Terecht is het verhalende element het kenmerk van de geschiedwetenschap genoemd; de enige constituerende vorm; het organisatiebeginsel, juist omdat de geschiedwetenschap niet een methode, een verklaringsmodel, een concrete doelstelling kent en kan kennen. Alle pogingen van neopositivistische, marxistische of logicistische zijde om het historische bedrijf aan een zo'n theorie of methode te onderwerpen zijn een fiasco gebleken. Zij hebben tot de amputatie van het vak geleid waar zij werden toegepast of verordend en hebben nieuwe perspectieven geblokkeerd. De diepste oorzaak hiervan ligt in de onmogelijkheid van de menselijke geest om zichzelf volledig te overzien in zijn natuur om elke positie te transcenderen op grond van nieuwe ervaringen en ontwikkelingen en nooit stil te staan. Bij een bestudering van het eigen verleden wordt die neiging beslissend.

Een tweede misvatting hangt direct samen met die scheiding tussen geschiedvorsing en geschiedschrijving: ik bedoel de tegenstelling die dikwijls wordt gemaakt tussen theorie en verhaal als twee onverenigbare zaken.

Dat beschrijving en theorie elkaar niet uitsluiten behoeft nauwelijks te worden gezegd. Elke historicus, ook hij die een gebeurtenissen-geschiedenis in de meest strikte zin schrijft, opereert (bewust of onbewust) met theorieen op grond waarvan hij selecteert, verbanden legt en verklaart. Betekent dit, zoals de filosoof Danto beweert, dat het verhaal zelf al de verklaring is? Het hangt er maar vanaf wat ik onder verklaring versta. Er zijn immers vele niveaus en soorten van verklaringen. Een verhaal is (in tegenstelling tot de kroniek) geen opsomming van losse voorvallen, maar richt zich op een reeks gebeurtenissen die uit elkaar voortvloeien omdat menselijke intenties of algemene wetmatigheden in het spel zijn.

Niet theorie-besef als zodanig maar wel een expliciete en uitgebreide behandeling van de theoretische aspecten kan verhaal of beschrijving dooddrukken, er spanning en vaart aan ontnemen. Omgekeerd zal de diepgang van dat verhaal altijd afhankelijk blijven van de intensiteit waarmee de historicus-schrijver zich impliciet rekenschap geeft van de theoretische problemen. In de gewichtsverdeling tussen beide openbaart zich de specifieke en unieke individualiteit van elke historicus.

Nu is die synthese van theoretische reflectie en literaire uitbeelding in de loop van onze eeuw almaar moeilijker geworden en daardoor is de genoemde afstand tussen professionelen en publiek ontstaan. Al vanaf het begin van de eeuw vinden we klachten hierover, maar de kloof is almaar verbreed.

We kunnen ons er ook niet vanaf maken door die anti-literaire richting en de theorie-bezetenheid als psychische afwijking of beroepsneurose te bestempelen. Neen, we moeten er veeleer vanuit gaan dat de geschiedvoorstelling van elke tijd op een hoogst intrigerende wijze juist het karakter van die tijd onthult, dat dan in de geschiedschrijving tot uiting komt. Er is met andere woorden een relatie tussen de vorm van geschiedschrijving en de realiteitsvoorstelling.

EMPIRISCH De gesloten kosmische hierarchie, die de voorwaarde was geweestvoor een literair-esthetische geschiedschrijving, werd met het verdwijnen van de standenstaat, na Franse revolutie en Romantiek aangetast. Hoe dubieuzer de transcendente orde werd, des te meer verschoof het waarheidscriterium naar de immanente empirische werkelijkheid. Het begrip 'empirisch' drukt trouwens alweer onze verbale hulpeloosheid uit. Want wat als 'empirisch' geldt hangt nu juist af van het realiteitsbegrip en van de hele achterliggende ontologie. In elk geval werd door die verschuiving van het wereldbeeld in de diepte de reconstructie van de toedracht belangrijker. Of beter, die toedracht betekende nu meer datgene, dat wij als de reele feiten zijn gaan opvatten. God openbaarde zich in de geschiedenis. Hij stond er niet meer boven of achter. Daarom werd de negentiende eeuw de periode bij uitstek van de grote schrijvers-historici. Dat hing ook samen met het nieuwe tijds- en procesdenken dat door de stormen na 1789 was opgekomen. De weergave van het verleden als een groot doorlopend verhaal, een sequentie in de tijd, sloot bij uitstek aan bij dat nieuwe dynamische levensgevoel. Tussen literaire vorm en waarheidscriterium, en dus wetenschappelijke status van het vak, bestond nog geen spanning.

Pas het waarheidsrelativisme dat tegen het eind van de eeuw begon op te komen, leidde tot de scheuring tussen wetenschap en literatuur. De nieuw ontdekte ondoorzichtigheid en ongrijpbaarheid van de werkelijkheid contrasteerde merkwaardig met de almaar toenemende technisch-wetenschappelijke beheersing van de natuur. Maar zij wekte de behoefte aan theoretische bezinning in de geschiedwetenschappen. Dat werd versterkt door de ideologisering van de samenleving.

Nu is het opmerkelijke dat die ondermijning van het oude wereldbeeld en de problematiek van het waarheidsbegrip ook en juist in de moderne literatuur zichtbaar werden. De roman weerspiegelt op zijn wijze het wereldbeeld van de eigen tijd niet minder dan de wetenschappen. Of beter: hij vormt het niet minder. In de latere 19e eeuw hadden positivisme en determinisme ook grote romanschrijvers intensief beinvloed. Zoals Taine, Buckle en Lamprecht die theorieen op de geschiedenis probeerden toe te passen, zo deden Zola en Ibsen dat in hun romans of drama's. Positivisme en determinisme waren bij uitstek geschikt om de oude hierarchische kosmologie als nieuwe rotsbodem te vervangen. Terwijl vervolgens schrijvers als Joyce, Proust en Musil, elk op zijn wijze met de rechtlijnige verhaalvorm braken vanuit het besef dat de werkelijkheid daardoor versluierd en gedeformeerd werd, gaf Kafka de ongrijpbaarheid van de realiteit in zijn werk gestalte.

De triomfantelijke terugkeer van de literaire historicus correspondeert alweer met een zekere restauratie van het verhaal in de moderne literatuur; teken van de onverbrekelijke verwantschap met de geschiedschrijving, die gelegen is in het elementaire factum dat allebei, geschiedschrijving en literatuur, werkelijkheid in taal willen weergeven.

TOTALITARISME Ik zeg met opzet 'weergeven'. Over dat laatste is immers veelte doen. Het genoemde waarheidsrelativisme hing nauw samen met juist die vraag of de taal het enige instrument om werkelijkheid intellectueel communicabel te maken in staat is die werkelijkheid weer te geven. Vanaf het eind van de vorige eeuw verdwijnt immers ook het vanzelfsprekende geloof in de identiteit van woord en ding, taal en zaak, dat juist in die eeuw de vaste grondslag was geweest, waarop zowel de grote romans als de politisering van de massa's en de opkomst van de ideologieen hadden kunnen gedijen. De erosie van het geloof in die identiteit hangt eveneens samen met het verdwijnen van de oude hierarchische kosmologie met haar vaste morele maatstaven van hoog en laag, goed en fout. In onze eeuw werd die twijfel enorm versterkt en op fatale wijze bevestigd door de totalitaire regimes en de manier waarop zowel fascisme en nationaal-socialisme als marxisme-communisme hun heerschappij door middel van het woord vestigden en legitimeerden. De propaganda deed haar intrede als de desastreuze vergiftiger van de taal. Maar dat was al lang voorbereid door de moderne ideologieen.

Maar die totalitaire propaganda is slechts het extreemste voorbeeld van taalvergiftiging. Democratie met haar verkiezingsspektakel en onze consumptiesamenleving met haar reclamedwang en 'kijk-wij-eens-'mentaliteit hebben de prostitutie en inflatie van het woord eveneens krachtig bevorderd.

Het waarheidsrelativisme kortom hangt in de kern samen met het groeiende onbehagen over de taal. De taal heeft haar ijzeren wetten, waaraan iedereen zich moet onderwerpen. Wij kunnen ons alleen uitdrukken volgens vaste regels en in bestaande termen. In een geruchtmakende rede heeft Roland Barthes in 1977 de macht van de taal daarom met onderdrukking vergeleken en haar karakter als fascistisch bestempeld. Men kan zich slechts aan haar geprefabriceerde structuur onttrekken op straffe van onverstaanbaarheid en het uitslaan van wartaal.

Hier nu lijkt een uiterste contrapositie ten aanzien van een hierarchische kosmische orde bereikt; een radicaal democratisme en liberalisme. 'Macht' wordt hier stilzwijgend als het kwade principe gepostuleerd en vrijheid als het onbereikbare goede. De taal staat daarbij uit zichzelf al de vrijheid in de weg en daarnaast verschijnt ze als belangrijkste handlanger van de politieke macht. Het is een morele polariteit die als axioma ten grondslag ligt aan het denken sedert de jaren zestig. Men denke slechts aan het werk van Foucault en zijn invloedrijke disciplineringstheorie. Een ommekeer van 180 graden als we bedenken dat macht in het verleden even natuurlijk en vanzelfsprekend met het goddelijke werd geassocieerd en dat onder de epitheta, waarmee het hoogste wezen placht te worden aangeduid het woord 'almachtig' wel het meest centrale was.

In deze radicale ommekeer van waarden doet zich, indien ergens, de immense aanslag van het totalitarisme gelden en de diepe wonden die het in onze geestelijke integriteit heeft geslagen, waardoor de taal als onbetrouwbaar instrument, zo niet als werktuig van geestelijke onderdrukking in diskrediet is gebracht. De inflatie van het begrip 'fascisme' als symbool van macht en dus van het kwaad, of ook van het kwaad en dus van macht, is zelden krasser tot uiting gekomen dan in Barthes' rede. En men kan deze dan ook zelf een staaltje noemen van die ziekte, waartegen het betoog zich keert.

En toch is de macht van de taal een afgeleide macht. 'Whats's in a name?' heet het bij Shakespeare, 'that which we call a rose by any other name would smell as sweet.' Het grootste literaire genie uit de moderne geschiedenis gaf hier het hiaat aan tussen woord en ding, de rand van de taal als het ware, die net als de volle maan haar licht uiteindelijk geleend heeft van een aan ons oog onttrokken lichtbron, zoals ook de maan slechts kan schijnen als we de zon niet zien. Ook al lijken woorden een eigen gewicht te hebben, de taal ontleent haar magie en macht, haar bevrijdende kracht als haar vergif, altijd aan de verwijzing en wij weten het. De beelden die zij oproept zijn een uitnodiging om de werkelijkheid op een bepaalde manier te zien. Zij, de taal pretendeert niet een realiteit te scheppen doch weer te geven.

TWEELINGEN Daarom zijn geschiedschrijving en literatuur tweelingen. Devoorstelling van het verleden, die uitgangspunt en voorwaarde is voor theoretische reflectie en analytische vraagstellingen, is het produkt van in taal omgezette gebeurtenissen-reeksen, van een verhaal. En het einddoel van die reflecties en analytische vraagstellingen is altijd de verbetering en bijwerking van het verhaal. Een bijwerking die nodig is omdat het verhaal steeds weer opnieuw vanuit een nieuwe situatie moet worden verteld, aan een nieuwe generatie door een nieuwe generatie, die samen gemeenschappelijke historische ervaringen delen en elkaar verstaan binnen een gemeenschappelijke kennis- en waardenhorizon.

Dat betekent echter, zoals gezegd, per definitie een transformatie via het taalmedium waarbij de geestelijke bagage van de historicus beslissend is. De zeggingskracht, datgene wat zijn beschrijving boeiend maakt, wordt juist veroorzaakt door de toevoegingen van zijn verbeeldingskracht en zijn vermogen de zogeheten naakte feitelijkheden, die uit de bronnen kunnen worden gehaald, tot een geheel met elkaar te verbinden en in een wijder verband te plaatsen.

De herkenning, eerste voorwaarde voor een beschrijving die aanspreekt, berust op de referentielading van de gekozen woorden en metaforen. De dingen kunnen pas zichtbaar worden door de vergelijking, die impliciet aan taal is.

De zeggingskracht van een historische beschrijving blijft afhankelijk van de literaire middelen en er bestaat een geheime wisselwerking tussen deze middelen en de intensiteit waarmee de historicus zijn stof met de eigen denk- en belevingswereld doordringt. Die stof moet als het ware door zijn wezen zijn gehaald zoals een lap door een pot met verf. Uit een kleurloos wezen zal ook een kleurloos stuk stof te voorschijn komen. Wat de grote historici-vertellers maakt tot wat ze zijn, is dan ook juist niet het puur ambachtelijke, al is dat uiteraard onmisbaar. Het is de ruimte, die zij weten te scheppen rondom het directe feitelijke onderwerp.

Historische beeldvorming stijgt dus bij grote historici altijd ver uit, boven de beschreven uit de bronnen destilleerbare gebeurtenissen en handelingen. Maar zij mag er nooit apert mee in strijd zijn. Hier ligt natuurlijk het kardinale verschil met de puur literaire vrije verbeelding. Hier ligt ook een, zij het meer gradueel verschil met de veel besproken historische roman. Wanneer het om een historische roman gaat, waarbij de schrijver grondig historisch speurwerk heeft verricht of in elk geval zich zo consientieus mogelijk aan de overgeleverde feiten wil houden, ligt het verschil in de discretie.

De schrijver is verplicht tot indiscretie. Hij beschrijft de gevoelens en gedachten van zijn personen, hij leest in hun hart, kruipt in hun huid, schildert minutieus uiterlijkheden en details door de bril van zijn helden gezien, waar de historicus halt moet houden omdat hij weet dat deze intense vereenzelviging onmogelijk is.

TERUGKEER De terugkeer van de vertellende literaire historicus botst nietmet strenge wetenschappelijke eisen en normen en met de legitimatie van het vak, omdat de voorstelling van het verleden altijd het domein van objectieve en verifieerbare kennis achter zich laat. De inzichten die door moderne analytische studies en vraagstellingen en door theoretische reflectie zijn verworven, moeten daarbij echter worden verwerkt, wil de verteller niet de aansluiting aan nieuwe interpretaties van mens en wereld missen. Bij de uitgebreidheid van het gigantische vorsingsbedrijf en bij de overweldigende en bijkans versuffende informatielawine, waaronder wij dagelijks worden bedolven, krijgt de geschiedschrijver die de professionalistische kennis en inzichten verwerkt en die een brug slaat tussen het gilde en het publiek, tussen actualiteit en verleden, een speciale functie.

Ik geloof allerminst dat er van een kwijnen van historische belangstelling sprake is. In tegendeel. Het is opmerkelijk hoeveel niet-professionelen zich met geschiedenis bezighouden, juist omdat die iedereen aangaat en juist omdat de snelle veranderingen een extra stimulans zijn om naar continuiteiten te vragen. De professionelen mogen daaraan alleen niet de conclusie verbinden dat zij uitsluitend met elkaar behoeven te communiceren. Zij moeten verhinderen dat er een kloof ontstaat tussen hun concepties en bevindingen en die van het grote publiek. Het van boven opgelegde wetenschapsbeleid, dat van een voor de geschiedwetenschap verkeerd model uitgaat, en de bureaucratisering drijven hen echter alsnog de verkeerde richting op.

Maar het moet van twee kanten komen. Hier ligt ook voor de media een belangrijke en boeiende taak. Voorwaarde is dan echter wel dat het nog te verbreide vlotte-jongens-amateurisme, juist hier in Nederland, op dat gebied verdwijnt. Dat er wordt afgerekend met de mening dat wat serieus is kijkers en luisteraars verjaagt, alsmede met de gewoonte om de deskundigen voor radio en TV te halen, uitsluitend om ze dingen te laten zeggen die iedereen al weet; dus als een soort kwaliteitsstempel op cliche-voorstellingen.

Al met al onthult de terugkeer van het verhaal een onblusbare behoefte. Een behoefte niet slechts om het verleden te leren kennen als voorwaarde voor onze orientatie, maar in laatste aanleg een behoefte om zich dankzij een in taal vertaalde, getransponeerde en geordende werkelijkheid boven die werkelijkheid te kunnen verheffen en de machten te imiteren die ons ondoorzichtige bestaan beheersen.