'Bieb op zondag' leuk voor klant, maar niet voorpersoneel

In de grotestadsbibliotheek waar ik zo'n vijfentwintig jaar geleden werd opgeleid, werd door de ouderen wel eens gesproken over de periode, lang daarvoor, dat de bibliotheek ook op zondagmiddag geopend was. Als jongeren spraken wij onze verbazing uit over bibliotheekbesturen die, geholpen door het vooroorlogse ruime arbeidsaanbod, er geen been in zagen om hun personeel zelfs een vrije zondag te ontzeggen.

Zelf maakten wij kort daarna de overgang mee van een ruime naar een krappe zaterdagopenstelling. In die periode begon tevens de geweldige opbloei van het Openbare Bibliotheekwerk, de avondopenstellingen boden voldoende compensatie en in de loop van ongeveer twintig jaar ontwikkelde zich in Nederland een stabiel patroon van bibliotheekbezoek en een zeer hoog gebruik. In de jaren tachtig kwam aan die rooskleurige situatie een eind. De ene bezuiniging volgde op de andere. Personeel werd verminderd en boekenbudgets gingen achteruit, uitleentijden werden bekort, inlichtingenbureaus bleven onbezet en hier en daar werden vestigingen gesloten. Dankzij een bijtijdse subsidiering door het ministerie van WVC verkregen de bibliotheken de aansluiting op de zich op dat moment ontwikkelende algemeen informatieve databestanden. Dat betekende een belangrijke herwaardering van hun informatieve functie. Verder was er veel achteruitgang.

Nu experimenteert de Leidse Openbare Bibliotheek met een openstelling op zondag en andere bibliotheken volgen het experiment 'met belangstelling'. Daaronder zijn bibliotheken die nog maar kort geleden de openingstijden drastisch hebben ingekrompen. Die plotselinge ommezwaai valt alleen te begrijpen in het licht van een tweetal recente, meer specifieke, ontwikkelingen in het openbare bibliotheekwezen.

Automatisering

Allereerst betreft dat de automatisering die, laat ingezet, in de Nederlandse openbare bibliotheken nu haar voorlopige voltooiing nadert. Op de budgetten van de bibliotheken zijn de kosten van de gebruikte systemen een aanzienlijke, en vaste, plaats gaan innemen. Altijd vaster dan de personeelspost, die tot schade van de dienstverlening, allengs flexibeler lijkt te worden. Arbeidsplaatsengaranties blijken in de praktijk nog maar amper bestand tegen 'reorganisatie vanwege automatisering' en 'overheidsbezuinigingen' wanneer die, zoals op het ogenblik op veel plaatsen gebeurt, in bijkans onontwarbare verstrengeling opereren. Landelijk gezien neemt het aantal arbeidsplaatsen voor bibliothecarissen af en bij verslechterende arbeidsomstandigheden ontbreekt dus veelal een alternatief. Het gediplomeerde personeel is dubbel kwetsbaar, want in toenemende mate bestaat de neiging het te vervangen door ongediplomeerde, liefst tijdelijke arbeidskrachten. Op veel plaatsen werken al jaren vrijwilligers. Het zal duidelijk zijn dat de verzwakte positie van het personeel het direkties mogelijk maakt voldoende 'vrijwillige' deelname aan de zondagopenstelling te verkrijgen.

Een andere belangrijke wijziging betreft de financiering van het openbare bibliotheekwerk. Sinds enkele jaren verloopt de subsidiering grotendeels decentraal. Het heeft de bibliotheekdirecties afhankelijk gemaakt van het spel der gemeentelijke politieke krachten. Met wisselend succes hanteren de directeuren de politieke trukendoos. Gemeentelijke public relations is belangrijker dan ooit en wat is dan prettiger dan een opmerkelijke aktie waarmee een bibliotheek landelijke publiciteit te bezorgen en vooral: in het NOS-journaal te verschijnen? Als drijfveer kiest men een voor een buitenstaander moeilijk weegbaar en voor de hand liggend 'algemeen belang' en wacht af wat er gebeurt: zelfs de rechter maant de 'woedende' vakbonden tot kalmte.

Toch is die woede van de bonden terecht. Op grond van de bij hun leden aanwezige beroepskennis kunnen zij weten dat met een zondagopenstelling geen doorslaggevend maatschappelijk belang wordt gediend. Adequate openingstijden door de week maken een zondagse openstelling overbodig. Het door de Leidse direktie aangevoerde argument, namelijk de toename van het rendement van de (niet uitleenbare) naslagcollectie, is niet reeel. Het moet hier om een wel heel marginale doelgroep gaan: bibliotheekbezoekers die nooit door de week kunnen komen, ook niet 's avonds, nooit op zaterdag, alleen maar op zondag... Daarbij komt dat de gedigitaliseerde landelijke databestanden die binnen het dure informatieve pakket vallen, op zondag niet toegankelijk zijn.

Noodzaak

Het is nu eenmaal zo dat de Nederlandse openbare bibliotheken in het algemeen diensten aanbieden die een zondagse openstelling gewoon niet nodig hebben. Anders dan in de schouwburg, anders ook dan in het museum, kan de klant van de bibliotheek het aanbod immers mee naar huis nemen om het te bekijken, te lezen of te bestuderen op het tijdstip dat hem of haar past. Van een maatschappelijke noodzaak zoals bij diensten als het openbaar vervoer of de medische zorg is natuurlijk al helemaal geen sprake.

Is het dan niet 'leuk voor de mensen' dat ze ook op zondag lekker naar 'de bieb' kunnen? Natuurlijk is het dat en de toeloop in Leiden bewijst het. Trouwens, wat zou het voor hele bevolkingsgroepen niet leuk zijn als ze op zondag altijd naar De Bijenkorf konden. Het is leuk, maar even goed niet noodzakelijk.

De vergissing die in Leiden en ook elders wordt gemaakt, is dat men op grond van een enthousiaste reactie van het Leidse publiek concludeert dat er kennelijk sprake is van een verborgen behoefte in deze branche. Maar men ziet dan de relatie met 'de vrije zondag' over het hoofd. Het is natuurlijk zo, dat zolang het grootste deel van de Nederlanders een vrije zondag heeft, iedere instelling, elk dienstverlenend bedrijf en iedere dienstenverlenende particulier die overgaat op een zondagse dienstverlening kan rekenen op een drukke dag. Dat geldt van postkantoor tot huisarts en winkelier. De aantrekkelijkheid van dat maatschappelijk novum geldt natuurlijk echter slechts tot op het moment dat iedereen dan op zondag werkt.

Waar het om gaat in deze kwestie is het afkalven van maatschappelijk aanvaarde en als prettig ervaren werk- en rusttijden en dat zonder dwingende noodzaak. Bij de acties van het warenhuispersoneel, nog maar zo kort geleden, bleek dat op veel verzet te stuiten, in het bijzonder bij de vrouwelijke werknemers. Ook het bibliotheekpersoneel bestaat, behalve op directieniveau, grotendeels uit vrouwen en velen van hen hebben een gezin. Het zal duidelijk zijn dat voor het opofferen van hun belang geen enkele maatschappelijke noodzaak bestaat. Het is tragisch om te zien met hoeveel gemak zestig jaar na de crisistijd directies in staat blijken de belangen van het vrouwelijk personeel respectievelijk de gezinsbelangen te schaden.

Taak

Met hun woedende reactie hebben de bonden laten weten die belangen wel te onderkennen en zich ervoor te willen inzetten. Het is ook bij uitstek hun taak. Het is te hopen dat ze alles in stelling weten te brengen tegen al te publiciteitsgretige directeuren en hun opportunistische beleid.