Vrouwenstemmen

Ik had boodschappen gedaan en op weg naar huis hoorde ik achter mij, op het trottoir, twee vrouwen met elkaar praten, jonge vrouwen, registreerde mijn trommelvlies, een van hen met een klein kind. Ik luisterde, al gaande, naar hun gesprek, of gesprekje, dat over gewone dingen ging, niet de moeite waard om te onthouden, tenzij een vanhen mijn beminde zou zijn en haar woorden, hoe gewoon ook, zich in mijn geheugen zouden griffen. Wat zij tegen elkaar zeiden was al evenmin van een aard dat ik er nieuwsgierig naar werd te horen hoe hun gesprek zou verlopen, om zo mogelijk tot een verrassende ontknoping te leiden, zoals mij dat wel eens in de tram overkomt, zodat ik een halte verder meerijd dan waar ik eigenlijk zou moeten uitstappen. Om de inhoud van het gesprek was het mij dus niet te doen, die kon mij, oneerbiedig gezegd, gestolen worden, of hermetisch blijven, als een gedicht van Mallarme, of van Hans Faverey. Nee, ik genoot louter en hartgrondig van het stemgeluid van beide vrouwen, van die niet genoeg te prijzen feestelijkheid waarmee vrouwen door het simpele gebruik van haar ademtocht, haar stembanden, huig, tong, tanden en mondholte die uit duizenden geluiden en geruchten herkenbare onderbreking van de peilloze stilte van het ons omringende wereldruim bewerkstelligen. Behalve van de stemmen zelf genoot ik van het verschil tussen de stem van de een en die van de ander, de ene wat lichter of hogergestemd dan de andere, van de zich losjes en speels herhalende intonaties, de op- en neergaande toonhoogte van die jeugdige stemmen die toch al geen meisjesstemmen meer waren.

Ik liep niet vlug, ook niet langzaam, en de vrouwen hielden gelijke tred met mij, waarschijnlijk omdat ook zij niet gehaast waren en het nog te vroeg op de dag was dan dat thuis een manspersoon ongeduldig, geergerd of hunkerend en verlangend naar hun komst uitzag, of omdat zij de kleine afstand tussen hen en mij als een weliswaar verschuivend maar tegelijk vast punt in het perspectief van de straat aanvaardden en huldigden. Gelukkig maar, dacht ik, anders zouden zij mij al hebben ingehaald, en hoewel ik, zonder twijfel, nieuwsgierig was naar hoe zij er uitzagen (het oog heeft, niet minder dan het oor, zijn onvervreemdbaar recht), wilde ik het ogenblik waarop zij mij zouden voorbijgaan zo lang mogelijk uitstellen, totdat ik, bij mijn huis aangekomen, talmend met mijn sleutels, mij halverwege naar de straat zou toewenden, zoals ook anderendat vaak doen alvorens de sleutel in het slot te steken en de vertrouwdedrempel te overschrijden, alsof zij de overgang van de buitenwereld naar de binnenwereld met een achteloos ritueel onderscheiden.

Welnu, ik stond met mijn boodschappentas in de ene en mijn sleutel in de andere hand, enigszins als een standbeeld van mijzelf, en zag beide vrouwen komen, nog altijd in gesprek, gewone Hollandse vrouwen, allerminst uitblinkend door aanschijn, kleding, gang of gebaar. Eigenlijk had ik ontnuchterd moeten zijn, wanneer ik niet had geleerd te scheiden, schiften, en te berusten in de zo vaak wrede toevalligheid van tegenstellingen tussen het zichtbare en het oogverblindende, het hoorbare en het welluidende, het tastbare en het opwindende. Hoewel een lichte teleurstelling mijn deel werd, een vederlicht verdriet dat meteen vervluchtigde, ging ik mijn huis binnen met het dankbare besef op een willekeurig ogenblik op het onverwachtst te zijn verrast en begiftigd.

Het is waar dat ik, bij alles wat ik moge zijn of niet zijn, vanouds een nauwluisterende verzamelaar van vrouwenstemmen ben en een aantal vreugdewekkende exemplaren als kostbare schatten in mijn herinnering bewaar en koester. En wanneer iemand mij, met het mes op de keel, zou gebieden te kiezen tussen, bijvoorbeeld, de Gique uit de Partita nr. 1 in b grote terts van Johann Sebastian Bach en het helder opklinkende stemgeluid van twee of drie vrouwen die op een stille avond onder mijn open raam in de straat voorbijgaan, dan zou ik, vrees ik, voor het laatste kiezen.