NIEUW FLINKS EN HET EINDE VAN DE KOPPELING

De nieuwe flinkheid van Kok en Woltgens is geen laat-Wiegeliaanse oprisping waarmee de PvdA-top stemmen in het politieke midden hoopt te vergaren. Hun publieke uitlatingen zijn volstrekt verklaarbaar uit de economische nood waarin het kabinet thans verkeert.

De gestaalde kaders van nieuwe vrijgestelden binnen de PvdA moeten nog steeds wennen. Sinds lijsttrekker Wim Kok de scepter op Financien zwaait, lijkt de geest van Drees weer vaardig over de partijtop. De vice-premier preekt een nieuwe soberheid. De publieke uitgaven zullen gewetensvol op doelmatigheid worden nagelopen. Noodzaak en doeltreffendheid van bestaande subsidies worden kritisch tegen het licht gehouden. Nog vandaag dient er een einde te komen aan misbruik en onbedoeld gebruik van de sociale zekerheid. Desondanks zal er volgend jaar nauwelijks ruimte zijn voor een verbetering van de vrij besteedbare particuliere inkomens.

Het afgelopen weekeinde legde PvdA-fractievoorzitter Woltgens er nog eenschepje bovenop. Hij verklaarde zich akkoord met een harde aanpak van onwillige werklozen. De uitkering van een werkloze mag wat hem betreft volledig worden stopgezet als de betrokkene weigert een aangeboden baan te aanvaarden. De sociale diensten moeten de sanctiemogelijkheden die de wet al biedt, daadwerkelijk gaan toepassen.

Sommige waarnemers zien in zulke krachttaal van vooraanstaande sociaal-democraten een onmiskenbare aanwijzing dat een Nieuw Flinkse stroming binnen de PvdA aan de winnende hand is. De voorlieden vertolkenechter opvattingen die zeker niet door de gehele actieve achterban worden gedeeld. Harde uitspraken over niet-actieven kunnen leiden tot interne verdeeldheid. Electoraal is de nieuwekoers voor de PvdA bovendien niet zonder gevaar. Echt linkse kiezers zijn geneigd iedereen met een uitkering te beschouwen als een zielepoot die het slachtoffer is geworden van ons kapitalistische produktiesysteem en van discriminatie door enghartige werkgevers.

Achter de kachel

Natuurlijk is dat een misverstand. Iemand met een uitkering zal meestal eerst uitrekenen hoeveel hij er ten opzichte van zijn uitkering op vooruitgaat wanneer hij een aangeboden baan accepteert. Vaak blijkt hij er dan op achteruit te gaan. In deze gevallen is het rationeel om werk te weigeren. Zonder dwang van de overheid blijft de uitkeringsontvanger achter de kachel zitten. Veel linkse mensen willen daar niet aan.

Wanneer het derde kabinet-Lubbers de stoere woorden van de ijzeren tandem Kok-Woltgens in nieuw-flinkse daden omzet, dreigt de PvdA daarom stemmen te verliezen aan Groen Links, zonder dat de sociaal-democraten dit verlies kunnen compenseren door stemmenwinst ten koste van het politieke centrum. De koerswijziging van Kok en Woltgens is dan ook geen laat-Wiegeliaanse oprisping waarmee de PvdA-top stemmen in het politieke midden hoopt te vergaren. Hun publieke uitlatingen zijn echter volstrekt verklaarbaar uit de economische nood waarin het kabinet thans verkeert.

Al direct na het verschijnen van de Miljoenennota 1991 zijn de ambtelijke voorbereidingen gestart voor het opmaken van een tussenbalans van de openbare financien. Deze mid term review wordt pas volgend voorjaar openbaar. Nu is echter reeds bekend dat het kabinet een financieel probleem heeft waarvan de omvang volgens behoudende schattingen ligt tussen de tien en de vijftien miljard gulden. Dit probleem wordt in belangrijke mate veroorzaakt door de aanhoudende groei van het aantal mensen met een uitkering. Met de vergrijzing valt het tot de eeuwwisseling nog wel mee, ook al groeit hetaantal ouderen gestaag. Maar het lukt niet om het aantal werklozen, zieken en arbeidsongeschikten naar beneden te krijgen.

Hoewel door het krachtige economische herstel de werkgelegenheid sinds het midden van de jaren tachtig met ruim een half miljoen arbeidsplaatsen is toegenomen, daalde het aantal werkloosheidsuitkeringen sinds 1985 slechts met 125.000. De spectaculaire banengroei trok de afgelopen periode honderdduizenden mensen naar de arbeidsmarkt die zich nooit eerder als werkzoekende hadden laten registreren. Dit waren voor een belangrijk deel gehuwde vrouwen die weer gingen werken. Door al deze nieuwkomers op de arbeidsmarkt liep de geregistreerde werkloosheid veel minder snel terug dan beleidsmakers hadden gehoopt.

De afgelopen zes jaar steeg het volume van ziekteverzuim en arbeidsongeschiktheid (AAW/WAO) bovendien met 150.000 uitkeringsjaren. Het beroep op de Ziektewet, de AAW/WAO en de werkloosheidsregelingen samen nam sinds 1985 per saldo dus nog met 25.000 toe tot ruim 1,6 miljoen uitkeringsjaren. Deze ontwikkeling maakt de sociale zekerheid op den duur onbetaalbaar.

Om de uitgaven voor de sociale zekerheid beter te beheersen, kan het kabinet beslissen de uitkeringen te laten achterblijven bij de rest van de inkomens (ontkoppeling). De PvdA wijst deze optie af. Dan resteert de enige andere mogelijkheid: beperking van het aantal uitkeringsontvangers. Nu zich internationaal een recessie aftekent, die door een blijvend hogere olieprijs mogelijk zal verergeren, vreest de PvdA-top dat de koppeling van de uitkeringen aan de CAO-lonen in groot gevaar komt, zelfs wanneer de vakbeweging haar looneisen zou matigen. Dus moet het aantal mensen met een uitkering omlaag. Werklozen dienen aangeboden werk te accepteren. Nieuw Flinks maakt zich sterk om de koppeling betaalbaar te houden. Daartoe dient ook de onrustbarende groei van het aantal arbeidsongeschikten te worden afgekapt. Daarover zijn bij het Najaarsoverleg - overigens boterzachte - afspraken met de sociale partners gemaakt.

Het grootste probleem van de jaren negentig is dat in Nederland in verhouding weinig mensen zijn ingeschakeld bij de voortbrenging van de nationale produktie. Ondanks de daling van de werkloosheid is er een omvangrijke harde kern van langdurig en slechtgeschoolde werklozen die heel moeilijk aan de slag komt. Heeft aanscherping van de sollicitatieplicht voor deze groep wel zin? Er is immers nog altijd een tekort aan arbeidsplaatsen? Dat is grotendeels een drogredenering.

Illegalen

Om te beginnen kent Nederland een verborgen werkgelegenheid van vijftig-tot honderdduizend banen die door illegaal hier verblijvende vreemdelingen worden bezet. Uit het Jaarverslag 1989 van de Dienst Inspectie Arbeidsverhoudingen blijkt dat deze omvangrijke verborgen werkgelegenheid is geconcentreerd in de kassen van bloemen- en groententelers, klandestiene confectie-ateliers, bij schoonmaakbedrijven, in de horeca en in metaalbedrijfjes. Die honderdduizend plaatsen kunnen door uitkeringsontvangers worden bezet. Bovendien stonden in het voorjaar van 1990 bij particuliere bedrijven 135.000 vacatures open. Het gaat hierbij vaak om werk waarvoor een betrekkelijk geringe scholing voldoende is. Door een veel striktere toepassing van sancties en verruiming van het begrip passende arbeid kan een aanzienlijk deel van de werklozen naar de beschikbare banen worden bemiddeld.

In Den Haag kunnen daarvoor allerlei fraaie blauwdrukken worden opgesteld, maar het zijn de mensen aan de loketten van de gemeentelijke sociale diensten die de regels toepassen en interpreteren. Het toezicht vanuit Den Haag (via consulenten) is onvoldoende. Scherper toezicht staat haaks op het beleden ideaal van een meer terughoudende opstelling van de centrale overheid.

Hoe dat ook zij, momenteel biedt de marktsector onvoldoende banen voor alle werklozen. Het blijft een onverteerbare paradox dat in Nederland mensen met een uitkering thuis zitten, terwijl zij uitstekend kunnen worden ingeschakeld bij allerlei vormen van dienstverlening waaraan een grote maatschappelijke behoefte bestaat. Denk aan het schoner en veiliger maken van straten en pleinen, het bewaken van fietsen en auto's en bestrijding van vandalisme. Oudere werkzoekenden kunnen worden ingeschakeld bij boodschappendiensten voor hoogbejaarden. De overheid zou de nu met uitkeringen gemoeide middelen kunnen gebruiken om het loon van deze nieuwe werkers te betalen. Werken voor je uitkering levert op korte termijn geen bezuiniging op voor de schatkist. Maar de deelnemers aan zulke 'workfare'-projecten doen wel arbeidservaring op, waardoor hun kansen op de reguliere arbeidsmarkt toenemen.

Bij de vermindering van het ziekteverzuim kunnen spectaculaire resultaten worden bereikt. Dat bleek op een recent symposium over 'Verzuimbeheersing'. Ondernemingen met veel verzuim kunnen dat terugdringen door werksfeer en arbeidsomstandigheden te verbeteren. Ook een veel intensievere controle op veelverzuimers en het meer betrekken van werknemers bij het bedrijf zijn effectieve instrumenten. Tijdens het symposium werden resultaten gepresenteerd van het verzuimproject van De Hoop Tilburg, een fabriek voor kartonnen verpakkingen met tweehonderd werknemers. Het verzuimpercentage binnen dit bedrijf is door een combinatie van de genoemde maatregelen in een jaar tijd gehalveerd van gemiddeld zestien tot nog geen acht procent.

Die uitkomst staat haaks op de landelijke trend van weer oplopende verzuimpercentages. Net als bij de wetsuitvoering door de sociale diensten hangt ook hier veel af van de individuele daadkracht en visie binnen afzonderlijke ondernemingen. Pogingen tot management by speech vanuit Den Haag zullen niets uithalen. Werkgevers dienen bereid te zijn de hand in eigen boezem te steken, een betere verzuimregistratie op te zetten en veelverzuimers strenger aan te pakken. Niet elke chef en controlerende arts is daaraan toe.

Vooral de groei van het aantal arbeidsongeschikten baart Haagse beleidsmakers zorgen. Wanneer het ziekteverzuim kan worden teruggedrongen, zal echter ook de toeloop naar de WAO verminderen. De Ziektewet is immers het voorportaal van de WAO. Opnieuw hangt het succes van het beleid vooral af van de mentaliteit en de inzet van werkgevers, werknemers en de organisaties die de sociale verzekeringen uitvoeren. Nog steeds wordt de WAO op grote schaalgebruikt om mensen te laten afvloeien die het werktempo en vernieuwingen in het produktieproces niet kunnen bijbenen of die om andere redenen minder goed functioneren. Om een halt toe te roepen aan de oprukkende medicalisering van arbeidsconflicten en persoonlijke problemen is een andere instelling van alle betrokkenen vereist. Die kan niet vanuit Den Haag worden afgedwongen.

Daarnaast ligt aanpassing van de bestaande wetgeving voor de hand. Zo valt te overwegen bij de WAO een opbouwstelsel in te voeren, zoals we dat sinds 1987 bij de werkloosheidsverzekering kennen. De hoogte van de uitkering hangt hierbij af van het aantal jaren dat premie is betaald. Verder zouden bepaalde risico's, zoals arbeidsongeschiktheid door sportblessures, niet langer door de WAO moeten worden gedekt maar via aanvullende particuliere verzekeringen. Het terugdringen van het beroep op uitkeringsregelingen bij ziekte, werkloosheid en arbeidsongeschiktheid is een moeizaam proces. Haagse politici moeten niet denken dat de gewenste uitkomsten van bovenaf kunnen worden gedecreteerd. De strijd van Kok en Woltgens voor het behoud van de koppeling door beperking van het aantal uitkeringsontvangers is adembenemend, maar lijkt tot mislukken gedoemd.