MINNETJES

Als eenvoudig burger ga je niet zo gauw achter het bureau zitten om je sterke en zwakke punten eens overzichtelijk op een rijtje te zetten. Maar reken maar dat ondernemers en regeringen er druk mee in de weer zijn. Aan het begin van de jaren negentig blijken we op alle niveaus bezig met het inschatten van onze kansen om te winnen of ten minste om te overleven. De rapporten vliegen over tafel. De Harvard-professor Michael Porter liet een inmiddels beroemde studie het licht zien. Jammer genoeg was hij zo ondeugend om Nederland niet in zijn onderzoek op te nemen. Maar dat hebben vaderlandse vorsers snel goedgemaakt, door zelf alsnog zijn methode toe te passen op onze situatie. Een onderzoek dat overigens is verricht in opdracht van het ministerie van economische zaken. Het treft dat daar in de persoon van minister Andriessen een ex-top- manager/ondernemer aan het roer staat. Die kan immers vanuit zijn ervaringen als bestuurder van internationaal opererende ondernemingen (Van Leer, Elsevier) heel goed vertellen op welke punten Nederland een pluim verdient. En vooral ook waar de problemen zitten.

Dat we in een rivierendelta leven waar je met moeite het hoofd boven water houdt, is een natuurlijk gegeven. Net zo als het feit dat we op een kruispunt liggen van verbindingswegen tussen belangrijke industriegebieden. En ook die aardgasbel lag gewoon klaar. Of die factoren een plus of een min betekenen, hangt af van de reactie van de mensen op die natuurlijke omstandigheden. De strijd tegen het water heeft Nederland wereldfaam opgeleverd op het gebied van de waterbouwkunde. Een negatieve uitdaging waarvan we een pluspunt hebben gemaakt. Op dezelfde manier zijn we ons nu aan het bekwamen in milieutechnologie. Het moeten voeden van veel mensen op een klein gebiedheeft onze landbouw en de daarmee verbonden voedingsindustrie tot bloei gebracht. De kruispuntligging heeft ons tot internationale transporteurs, verzekeraars en bankiers gemaakt. Door al die zaken bij elkaar scoort ons land hoog wat zijn internationale orientatie betreft.

Aardgasverdriet

Daar staat het aardgasverdriet tegenover. Een natuurlijk pluspunt waarmee we niet echt verstandig zijn omgesprongen. Positief is dat je ermee over goedkope energie beschikt. Het is onze enige grondstof van betekenis. In eerste aanleg is het ook heel plezierig dat het een gewild exportprodukt is. Maar we hebben jaren geleden een ernstige fout gemaakt. De regering heeft destijds verzuimd de extra aardgasmiljarden te gebruiken voor de versterking van de structuur van onze economie. Die opbrengsten hadden in het onderwijs gestoken kunnen worden, of in het stimuleren van nieuwe industrieen en nieuwe technieken. De eerder genoemde Michael Porter, die Nederland niet in zijn onderzoek opnam, wijdt wel een voetnoot aan de 'Dutch disease': 'De (aardgas)meevaller werd gebruikt om een opgeblazen sociale zekerheidsstelsel te financieren, in plaats van het onderwijs, onderzoek of de infrastructuur te verbeteren, wat de produktiviteit in de toekomst had kunnen verhogen. Ten slotte bleek zelfs deze meevaller op het vlak van de natuurlijke hulpbronnen niet in staat de sociale uitgaven te financieren.'

Andriessen noemt in zijn nota 'Economie met open grenzen' twee belangrijke minpunten van onze economie op die direct met dit opgeblazensociale zekerheidsstelsel te maken hebben. Het Nederlandse belastingklimaat heeft aantrekkelijke kanten wat betreft de belasting opwinst. Maar daar daartegenover zetten de relatief hoge loonbelasting, inkomstenbelasting en sociale premies een domper op de fiscale vreugde. De beruchte 'wig' - het verschil tussen het nettoloon van een werknemer en het bedrag dat deze de werkgever kost - maakt de Nederlandse werker duur. Dat kun je dan proberen op te vangen door elke werker veel stuks produkt per uur te laten produceren, een hoge arbeidsproduktiviteit. Maar het valt niet mee die arbeidsproduktiviteit te verhogen. Zeker niet in de zo belangrijke dienstensector. Dit is een kant van de zaak.

Weinig prikkels

Maar niet alleen de hoge kosten van onze verzorgingsstaat vormen een probleem. Aan de andere kant hebben we ten opzichte van andere landen een vrij vorstelijk niveau van uitkeringen. Niemand zal ontkennen dat het een groot goed is, dat we zo'n fraai sociaal vangnet onder onze economie hebben gespannen. Je zou er onze mate van beschaving aan kunnenaflezen. Maar intussen blijken we zo beschaafd dat er in ons land tegenover elke werker met een betaalde baan een uitkeringsgerechtigde staat. In 1963 liepen we nog drie op een. Het uitkeringensysteem blijkt zo te werken dat het de niet-actieven tussen de 15 en 65 jaar weinig financiele prikkels geeft om weer een (gedeeltelijke) baan te zoeken. Onze economie wordt gedragen door een relatief smalle basis werkenden. En niet alleen het grote aantal uitkeringsgerechtigden versmalt die basis. Ook het nog altijd relatief kleine aantal vrouwen met een betaalde baan speelt een rol.

Een van de hoekstenen van het beleid van de achtereenvolgende regeringen Lubbers is het verbeteren van de werking van de arbeidsmarkt door sommige uitgeschakelde financiele prikkels weer te laten prikkelen. Dat blijkt maar heel langzaam en aarzelend te lukken. De aardgasnarcose heeft een nasleep waarvan we nog jaren last hebben.