HET VIERDAAGSE-OFFENSIEF

Wordt de vierdaagse werkweek de marsorder voor een nieuw vakbondsoffensief? Dat staat nog lang niet vast. De vakcentrale FNV wil erover discussieren met de leden en heeft een werkgroep ingesteld die de zaak nader moet bestuderen. De Dienstenbond, de Vervoers- en Voedingsbond lopen ver voor de troep uit. Zij willen de vierdaagse al voor de CAO-onderhandelingen van 1991 op de agenda zetten.

Martin Spanjer die als de geestelijke vader van het plan mag worden beschouwd en die het CAO-beleid van de Dienstenbond coordineert, ziet het als een alternatief voor de arbeidstijdverkorting. De werknemers zijn op dat streven zo langzamerhand wel uitgekeken. Ze hebben er weinig anders van ondervondendan stijgende werkdruk en moeilijk hanteerbare werkroosters, terwijl de in het vooruitzicht gestelde banen er nauwelijks bij zijngekomen.

Met dit nieuwe plan gaat het de vakbonden om iets anders, eerder om aangenamere werkomstandigheden dan om meer werk. De leus 'Vier dagen werken, drie dagen vrij' moet de werknemers toch aanspreken. Ze kunnen dan immers langer achter elkaar van hun vrije tijd genieten dan met de verbrokkelde ATV-dagen. De ATV, zegt Spanjer, was defensief beleid. Met de vierdaagse gaan we in de aanval.

Of we een echte sociale vernieuwing en een nieuw vakbonds-elan mogen meemaken, valt nog te bezien. Het idee slaat nog niet bij alle bonden aan, vooral niet bij de AbvaKabo, de Industriebond, de Grafische Bond en de Bouw- en Houtbond. Hun grootste bezwaar is dat een kortere werkweek langere werkdagen betekent. De werkgevers laten waarschuwende geluiden horen. Ze wijzen erop dat de effectieve werktijd in ons land internationaal gezien al erg kort is. Het wegvallen van een volle arbeidsdag zou daarom grote risico's met zich meebrengen.

De economische goeroe van het CDA, Jelle Zijlstra, sprak er zijn banvloek over uit. Hij waarschuwde dat deze vorm van arbeidstijdverkorting een ramp voor het land wordt en herinnerde daarbij aan de invoering van de vrije zaterdag in 1960/61. Sommige van de toen heersende omstandigheden zijn vergelijkbaar met nu. De vrije zaterdag die mogelijk werd door de invoering van vijf werkdagen van negen uur, had een onweerstaanbare aantrekkingskracht. Vooral dank zij de toen heersende krapte op de arbeidsmarkt kostte het de vakbonden weinig moeite met de werkgevers in vele bedrijfstakken overeenstemming te bereiken. Al in 1961 was de 45-urige werkweek in ons land de norm geworden, veel eerder dan de regering had bedoeld. Het sneeuwbalproces bij de verkorting van de werkweek droeg bij tot een stijging van de arbeidskosten met vijf procent, een tijdelijke daling van de industriele produktie en een vermindering van de uitvoer. Toch kon moeilijk van een nationale ramp worden gesproken. De tijdelijke nadelen konden al spoedig door de snel groeiende economie worden verwerkt.

Het plan voor de vierdaagse roept ook herinneringen op aan de eis voor een vrije vrijdagmiddag die de legendarische voorzitter van de Industriebond FNV, Arie Groenevelt, in 1978 stelde. De Industriebond nam toen het voortouw en week daarmee af van de strategische lijn van de vakcentrale die door middel van arbeidsplaatsenovereenkomsten de strijd om de werkgelegenheid wilde voeren. Het moment waarop de gedachte van een vierdaagse werkweek wordt gelanceerd, lijkt al even slecht gekozen: namelijk aan de vooravond van een nieuwe economische inzinking. Daarom geloof ik ook niet dat de vierdaagse werkweek net zo vlot over de hele linie zal worden ingevoerd als destijds de vijfdaagse. In sommige bedrijven zal de weerstand van de werkgevers niet groot zijn, vooral niet waar het hen beter uitkomt het machinepark langer per dag bezet te houden. Dat zijn kapitaal-intensieve bedrijven die met ploegensystemen werken. In andere sectoren zal het minder gemakkelijk gaan, niet overal kunnen immers ploegenstelsels worden opgezet, zeker niet in middelgrote en kleine bedrijven.

Tegenstanders zullen zeker betogen dat we onze concurrentiepositie ondermijnen, omdat we met een kortere werkweek uit de pas gaan lopen met het buitenland. Dat effect kan meevallen als de invoering zich beperkt tot bedrijven en sectoren die de gevolgen kunnen dragen. Bedenkelijker wordt het als zich het sneeuwbaleffect voordoet waarvoor vooral Zijlstra zo bang is.

Met uitzondering van de minister van economische zaken, Andriessen, staat het kabinet niet onwelwillend tegenover het idee. Het is de vraag of de mening van het kabinet wel zoveel ter zake doet. Dertig jaar geleden dacht de regering de vijfdaagse werkweek geforceerd ingevoerd te krijgen. Hoewel ze toen veel meer invloed op het arbeidsvoorwaardenbeleid kon uitoefenen dan in deze tijd van vrije, gedecentraliseerde CAO-onderhandelingen, hield ze de ontwikkeling die bij Philips was begonnen, niet in de hand. Toch is het land er niet aan ten gronde gegaan. De vierdaagse werkweek zal evenmin een ramp worden, maar of het een zegen voor iedereen zal zijn is ook nog niet zo zeker.