EEN OLIFANTENHUWELIJK IN KARTELPARADIJS

De voorgenomen fusie tussen Nationale-Nederlanden en de NMB Postbank Groep is een voorbeeld van wat onze oosterburen een olifantenhuwelijk noemen. In Duitsland worden dergelijke fusies nauwgezet gecontroleerd op eventuele concurrentiebeperkende effecten door het Bundeskartellamt. Ook in de VS en het Verenigd Koninkrijk gaan dergelijke fusies niet onopgemerkt aan mededingingspolitieke instanties voorbij. Hoe staat dat nu bij deze Nederlandse mammoetfusie? Wie beoordeelt hier of de concurrentie niet wordt beperkt en de consument uiteindelijk de rekening betaalt van een vergrote marktmacht?

In Nederland is het mededingingsbeleid de verantwoordelijkheid van het ministerie van economische zaken. Het gevoerde beleid is in het algemeen als zeer lankmoedig te kenschetsen. Niet voor niets wordt Nederland wel het kartelparadijs van Europa genoemd. Waar het fusies betreft bestaat er in het geheel geen beleid. Dit is niet zo verwonderlijk daar de Wet economische mededinging geen mogelijkheden kent om fusies te controleren.

Het ontbreken van fusiewetgeving maakt dat niets kan worden gedaan tegen het ontstaan van economische machtsposities. Slechts achteraf kan het ministerie optreden tegen misbruik van een machtspositie door bij voorbeeld voorschriften met betrekking tot de prijs te geven. Echter ook dergelijk beleid wordt nauwelijks gevoerd. De SER-fusiegedragscode, die momenteel weer veelvuldig wordt aangehaald, biedt alleen een beoordeling op procedurele gronden: zijn de vakbonden tijdig ingelicht etc.

Het ontbreken van Nederlandse fusiecontrole werd de laatste jaren nogal eens vergoeilijkt door te wijzen op onze positie in de EG. Voor een open economie als de Nederlandse zou een nationale fusiecontrole niet veel nut hebben. Om die reden maakte Nederland zich in de EG sterk om een effectieve fusiecontrole op Europees niveau tot stand te brengen.

De Europese Commissie koesterde allang de wens een eigen fusiecontrole-verordening te kunnen toevoegen aan haar mededingingspolitieke instrumentarium. Op grond van artikel 85 en 86 van het EEG-verdrag heeft zij sinds het begin van de jaren zestig uitgebreide bevoegdheden om op te treden tegen concurrentiebeperkende kartels en misbruik van dominante marktposities. Menig ondernemer vreest het strenge optreden op dit terrein. Echter een controle vooraf ontbrak.

Toen de Europese Top van Parijs in 1972 aan de Commissie vroeg een fusiecontrole-verordening op te stellen, duurde het niet lang voordat ereen voorstel aan de Raad (van ministers) kwam. Dit voorstel uit 1973, waarvan destijds werd verwacht dat het snel aangenomen zou worden, bleek een van de zwaarste en langste bevallingen van de EG-besluitvorming. Pas eind vorig jaar nam de Raad een veelvuldig aangepast voorstel unaniem aan. Pas sinds 21 september van dit jaar kan de Commissie bepaalde fusies vooraf controleren.

Dat het allemaal zo lang heeft geduurd komt door de competentiestrijd tussen de nationale overheden en de EG. Vooral Duitsland en Engeland waren niet geneigd de eigen fusiecontrole in te ruilen voor een Europese. Frankrijk maakte bezwaar omdat een strenge Europese controle haar beleid van nationale kampioenen (bedrijfstak dominerende ondernemingen) zou kunnen verbieden of bemoeilijken. Het resultaat van de politieke strijd is dat in de uiteindelijke verordening de Commissie slechts over een zeer beperkt aantal fusies zeggenschap heeft gekregen.

Om binnen de verordening te vallen moeten de bij de fusie betrokken ondernemingen samen minimaal een wereldwijde omzet hebben van 5 miljard Ecu (ongeveer 11,5 miljard gulden) en moeten ten minste twee van de fusiepartners binnen de EG meer dan 250 miljoen Ecu omzet hebben. Aan deze twee criteria voldoen NMB Postbank en Nationale-Nederlanden in ieder geval. Voor banken geldt als omzet een tiende deel van de totale activa, voor verzekeringsmaatschappijen worden de bruto premies als omzet aangemerkt. Op die manier berekend had de NMB Postbank Groep in 1989 een omzet van 7,2 miljard Ecu en Nationale-Nederlanden een omzet van 7 miljard Ecu - beide voor een groot deel in Nederland behaald.

De Commissie heeft, om de nationale beleidsambities te stillen, nog een derde criterium moeten toestaan, om vooral 'nationale' fusies buiten de verordening te houden. Indien alle betrokken ondernemingen meer dan twee derde deel van hun EG-omzet in een lidstaat behalen, valt de fusie buiten de verordening. Op basis van de jaarverslagen van de twee Nederlandse fusiepartners kan men concluderen dat de Commissie de voorgenomen krachtenbundeling niet kan controleren op mogelijke negatieve effecten. NMB Postbank behaalt zelfs meer dan 80 procent van haar totale omzet in Nederland. Nationale-Nederlanden boekt weliswaar minder dan twee derde van haar totale omzet in Nederland, maarvan haar omzet in de EG vormt het Nederlandse aandeel wel meer dan tweederde.

Noch de Nederlandse overheid, noch de Commissie zal daarom deze fusie ophaar maatschappelijke merites kunnen beoordelen.

Er rest nog een mogelijkheid: de verordening biedt de Commissie de ruimte om een fusie die buiten de verordening valt, toch te controleren als een lidstaat daarom vraagt. De controle beperkt zich dan tot de vraag of binnen het betrokken land een machtspositie ontstaat of een bestaande dominantie daar wordt versterkt. Binnen een maand - de daarvoor gestelde termijn - zullen we weten of Economische Zaken de moed heeft gehad de Commissie om een onderzoek te vragen.