BANKIER VAN EUROPA; Karl Otto Pohl, Duitslands monetaire Bismarck

Hij is bekwaam, aardig, ijdel en bepaald geen tacticus. Tot twee keer toe werd Bundesbank-president Karl Otto Pohl door zijn kanselier gepasseerd. In beide gevallen ging het om de monetaire vormgeving van de Duitse eenwording. Ook bij de plannen voor de Europese monetaire eenheid slaat Kohl zijn advies in de wind. Toch laat Pohl zich niet afschrijven. Daarvoor is hij te zelfverzekerd en te deskundig. Portret van Duitslands 'monetaire Bismarck'.

Tussen de ruines van zijn geboor testad Hannover liep in mei 1945 een bijna zestienjarige jongen van zeer arme komaf. Zijn biografie zegt dat de gaten in zijn broek destijds even groot waren als de oorlogsgaten in zijn schoolopleiding. Als veel Duitsers was hij vooral een ding van plan: de oorlog vergeten en geld verdienen.

Die jongen uit Hannover was optimist en had haast. In jaren blokken voorhet einddiploma had hij geen zin: zijn carriere moest zo snel mogelijk beginnen. Hij had zich voorgenomen hard te werken en meende, zoals hij later nog eens zou zeggen, dat wie hard werkt niet aancarriereplanning hoeft te doen.

Hij moet heel hard hebben gewerkt want met zijn carriere is het buitengewoon goed gegaan: 27 jaar later werd die Hannoverse jongen, als 42-jarige, in Bonn staatssecretaris van financien, vijf jaar later vice-president en weer drie jaar later president van de Duitse Bundesbank. Hij heeft dan een nieuwe, flink wat jongere vrouw en een mooie golf-handicap van 22.

Sinds 1980 bewaakt de nu 60-jarige SPD-er Karl Otto Pohl, want om hem gaat het hier, in de City (Duits: Tsitti) van Frankfurt de stabiliteit van de sterkste Europese munt, de D-mark. Sindsdien is hij op monetair gebied onbetwist de gezaghebbendste man in Europa geworden. En dat wil hij, twee jaar geleden voor acht jaar herbenoemd, weten ook.

Pohl, als achttienjarige al lid van de SPD, is zeer actief in de publiciteit, naar de norm van zijn metier eigenlijk ongewoon actief. Met regelmaat laat hij namens zijn Zentralbankrat ernstige waarschuwingen door de Bondsrepubliek en Europa klinken. In het algemeen zijn het waarschuwingen tegen te haastige en in zijn ogen dus riskante plannen van Duitse of Europese politici op het terrein van de Europese monetaire integratie.

Dat de voltooiing van de Europese monetaire unie (EMU) zelfs maar zou worden overwogen zonder dat vooraf vaststaat of en hoe in de EG nationale economische structuurverschillen, veel te grote begrotingstekorten en sterk uiteenlopende inflatiecijfers verdwijnen - dat is Pohl een gruwel. Zoals het voor hem als eerste man van de Europese bankpresidenten een absolute 'must' is dat de volledige monetaire onafhankelijkheid van de beoogde Europese centrale bank, en een overeenkomstige vermindering van nationale monetaire soevereiniteit in de EG-landen, vooraf gegarandeerd moet zijn.

Bars

De waarschuwingen uit Frankfurt zijn vaak nogal bars, want subtiel mag Pohl ook volgens zijn vrienden niet heten. 'Hij is erg bekwaam, een heel aardige vent, maar ook wel ijdel en bepaald geen tacticus', zegt een Nederlander die hem goed kent. Op monetair en financieel-economisch terrein zijn de Bundesbank en De Nederlandsche Bank het doorgaans trouwens zeer eens, en dat geldt ook voor de ministers van financien in Bonn en Den Haag. Dat is voor een zo sterk van de Duitse economie afhankelijk land als Nederland niet alleen een kwestie van eigenbelang.

Want ook de inzichten van beide nationale banken en regeringen dekken elkaar heel vaak. In Europa is Nederland daardoor een nuttige monetaire bondgenoot voor de Bondsrepubliek. Daarbij komt nog de uitstekende persoonlijke verhouding tussen de bankpresidenten Duisenberg en Pohl, beiden in die functie benoemd in 1980. De twee sociaal-democraten kennen elkaar overigens al goed sinds de jaren zeventig, toen Wim Duisenberg minister van financien was ('73-'77) en Pohl in Bonn 'monetair'-staatssecretaris ('72-'77) onder de ministers Helmut Schmidt, Hans Apel en Werner Maihofer. Toen Schmidt in '74 plotseling Willy Brandt als kanselier opvolgde, moet hij de nieuwe en onervaren minister Apel hebben geadviseerd in voorkomende moeilijke gevallen maar bij zijn collega Duisenberg te rade te gaan. Uit recente boeken van Schmidt (het tweede deel van zijn memoires) en Apel (Abstieg) blijkt inderdaad nog steeds van hun waardering voor Duisenberg.

Pohl noemt in zijn openbare vertogen geen namen al is het in Bonn een publiek geheim dat hij politici als de Duitse liberale minister Hans-Dietrich Genscher (minister van buitenlandse zaken), die om politieke redenen heel hard trekt aan de Europese integratie, soms een gevaarlijke monetaire lichtzinnigheid verwijt. Dezelfde Nederlander van zoeven herinnert zich een kleinerende klacht die Pohl in kleine kring over Genscher uitsprak: 'Dat hij evenmin als Kohl een bal van monetaire politiek begrijpt is niet erg, maar dat hij er desondanks zoveel over praat wel'. De grote rol die Genscher speelt in de frequente Frans-Duitse politieke consultaties 'bezorgt de Bundesbank wel eens brandend maagzuur', zegt deze Nederlander met veel begrip.

Want ongeveer even kritisch wordt bij de Bundesbank in Frankfurt en bij haar monetaire bondgenoten van De Nederlandsche Bank in Amsterdam gedacht over 'Franse beroepsdevalueerders' en over de directie van de Franse nationale bank, die (ook wettelijk) 'aan de leiband' loopt van de regering in Parijs. Dat de Bondsrepubliek als toch al leidende Europese monetaire staat straks niet ook nog eens de zetel van de toekomstige Europese centrale bank kan krijgen, blijkt bij navraag in Amsterdam en Frankfurt eigenlijk net zo vast te staan als de afkeer van Parijs of enige Zuideuropese hoofdstad als vestigingsplaats voor die bank. In vertrouwelijke weddenschappen daarover doen Luxemburg en Amsterdam het aardig.

Volontair

Maar eerst nog even terug naar het verloop van Pohls fantastische carriere. Drie mensen hebben daarvoor een beslissende rol gespeeld. De eerste is de toenmalige redactiechef van de sociaal-democratische Hannoversche Presse, die de jonge en ongeduldige volontair Karl Otto in 1948 met klem aanraadt toch eerst nog maar even zijn middelbare schoolexamen te gaan doen. Hoewel hij daar weinig zin in heeft, gaat Pohl naar Wilhelmshaven waar jongelui die door de oorlogsjaren op school achterop zijn geraakt, het zogenoemde Begabtenabitur kunnen afleggen. Pohl zal er een hele generatie lotgenoten leren kennen, die hij later op hogere niveaus in Bonn en Frankfurt opnieuw zal ontmoeten. Zoals bij voorbeeld de latere minister van sociale zaken Herbert Ehrenberg, in Wilhemshaven vriend en klasgenoot.

Als de jonge abiturient in Hannover vol onverminderde dadendrang terugkeert, mag hij nog geen journalist worden. Dezelfde redactiechef bewerkt hem dan net zolang tot hij zich zuchtend ook nog voor de studie economie in Gottingen laat inschrijven (hoofdvak uiteindelijk: financiele en monetaire politiek). Pohl zegt er veel laterdankbaar over: 'Dat heeft me fantastisch geholpen, het heeft mijn leveneen andere richting gegeven'. Als die studie, in 1955, achter de rug is, gaat de jonge doctor naar Munchen waar hij een paar jaar zonder al te veel plezier werkt bij het Ifo-instituut voor wetenschappelijk onderzoek.

Dan volgt alsnog een periode als (economisch) journalist, onder meer bij het huidige economische weekblad Wirtschaftswoche in Bonn. Daar begint Pohl met de publikatie van zijn zogenoemde Fuchs-Briefe, die hem binnen een paar jaar bekend maken en waarvoor hij uit vertrouwelijke informatie van politici put. De uitgesproken keynesiaans denkende journalist Pohl wordt een invloedrijk supporter van de toenmalige sociaal-democratische 'superminister' Karl Schiller, van wie trouwens wel werdverondersteld dat hij een van Pohls bronnen was. In elk geval blijkt uit volgende loopbaan-hoofdstukken hoe belangrijk de verhouding tussen deze heren was.

Want twintig jaar na die redactiechef in Hannover, wordt Schiller de tweede man die beslissend in Pohls leven ingrijpt. Hij bevrijdt hem in 1970 van een onbevredigende betrekking als woordvoerder en directielid van de vereniging van Westduitse banken die Pohl in 1968 hadaangenomen. De minister haalt hem naar Economische Zaken, waar de jonge ambtenaar zo snel naam maakt dat Willy Brandt hem al twee jaar later tot Ministerialdirektor in zijn kanselarij benoemt. Hechte vriendschap

Sterker nog, als weer even later de politicus Schiller sneuvelt na een conflict met Helmut Schmidt, zijn collega-minister op Financien, en Schmidt in 1974 kanselier wordt, voorkomt Pohls onmiskenbare vakbekwaamheid en talent dat de wantrouwende nieuwe kanselier hem de laan uitstuurt. 'Schmidt had op zichzelf wel reden om me te wantrouwen', zegt Pohl daarover later. Maar dan is allang, ondanks Pohls herhaaldelijke openlijke kritiek op sommige plannen van Schmidt (zoals op diens samen met president Giscard gelanceerde plan voor het Europees Monetaire Stelsel, in de late jaren zeventig), een hechte vriendschap ontstaan tussen de zelfverzekerde kanselier en zijn niet minder zelfverzekerde adviseur.

Zo wordt in Pohls leven Schmidt de 'derde man' die hem soms - zonder dat iemand in Bonn ervan weet - voor geheime missies op pad stuurt, bij voorbeeld naar Oost-Europa. Schmidt is ook de man die hem in 1977 vice-president en drie jaar later president van de Bundesbank maakt. Dat doet de kanselier hoewel hij weet dat hij als politicus waarschijnlijk snel met de strenge Pohl in aanvaring zal komen wegens de dan snel oplopende inflatie en staatsschuld. Schmidt trotseertbovendien stevig verzet van CSU-chef Franz Josef Strauss en CDU-voorzitter Helmut Kohl. Die vonden het - het lijkt vandaag lang geleden - een griezelig idee om een SPD-er, en dan ook nog zo'n onconventionele als Pohl, als hoogste monetaire autoriteit van het land te hebben.

Zij zullen de vriendschap niet bederven, maar de aanvaringen tussen Schmidt en Pohl volgen in de vroege jaren tachtig inderdaad snel. De president van de Notenbank trapt krachtig op de kredietrem als de inflatie begint op te lopen. Nu staat zoiets sowieso in de CAO voor bankpresidenten, maar in Duitsland is de burger helemaal uiterst gevoelig voor inflatie-risico's. De herinnering aan de hyperinflatie van de jaren twintig, toen de centrale bank veelal afhankelijk was van de regering, heeft er nog steeds traumatische waarde. En bovendien hebben ook veel 'gewone' Duitsers in de rijke Bondsrepubliek langzamerhand aanzienlijke vermogens, die straks bij voorbeeld erfenissen voor de kinderen moeten worden. Dat laatste geeft de president van de Bundesbank als het ware een extra 'politieke' reden om in volle onafhankelijkheid streng te waken over het prijspeil. Maar, zo heet het bij De Nederlandsche Bank, 'al te somber mag Pohl daarbij ook weer niet doen, want dan praat hij de rente omhoog'.

Zentralbankrat

In Nederland en de Bondsrepubliek zijn de onafhankelijkheid van de centrale banken en hun presidenten wel enigszins, maar niet helemaal, met elkaar te vergelijken. In Nederland geeft de Bankwet de minister van financien het recht om in geval van meningsverschil de bankpresident 'een aanwijzing' te geven, waartegen De Nederlandsche Bank bij het voltallige kabinet in beroep kan gaan. Van dat recht op aanwijzing is nooit gebruik gemaakt, al werkt het natuurlijk wel als een soort permanente consensus-verplichting tussen het Korte Voorhout in Den Haag en het Frederiksplein in Amsterdam.

In de Bondsrepubliek met haar federale structuur wordt de op zichzelf grote monetaire onafhankelijkheid van de bankpresident nogal beinvloed door de samenstelling van de Zentralbankrat. De ministers van financien en van economische zaken kunnen de vergaderingen van dit hoogste monetaire orgaan bijwonen, maar hebben er geen stemrecht. Dat hebben in de tweewekelijkse vergaderingen alleen de zeven directie-leden van de Bundesbank (voorop Pohl en zijn plaatsvervanger Schlesinger, een CDU-er die het niet altijd met hem eens is) en de, nu nog elf, vertegenwoordigers der Landeszentralbanken die door de politieke meerderheid in de deelstaten worden benoemd.

Dit model lijkt, niet toevallig, op de opzet in de Verenigde Staten. Daar doen behalve de zeven gouverneurs van de Federal Reserve Board de elf regionale bankdirecteuren mee aan de nationale monetaire besluitvorming in het Federal Open Market Committee (FMOC). Zij het met een belangrijk verschil: alleen de FED-president uit New York heeft in de FMOC altijd stemrecht, van zijn tien collega's hebben er sinds een paar jaar bij toerbeurt maar vier stemrecht. In de VS kan FED-chef Alan Greenspan dus niet meer gebeuren wat Pohl en zijn directie-leden in hun finale besluitvorming steeds kan overkomen: overstemd worden door deelstaatvertegenwoordigers. In het comite van EG-bankpresidenten moet de om zijn gezag en onafhankelijke positie door veel collega's benijde Pohl daardoor regelmatig de uiteindelijke instemming van de Zentralbankrat als voorbehoud aanmelden.

Dat is geen theorie. De financiering van het recente zogenoemde Fonds voor de Duitse eenheid (115 miljard D-mark) gaf daarvan een voorbeeld tezien. De directie van de Bundesbank had daarvoor graag meer besparingen van minister Waigel in Bonn en een belastingoffer gezien. Maar Waigel kon of wilde voor de korte termijn niet meer dan twintig miljard bezuinigingen beloven en ving bot bij de deelstaten toen hij die iets afhandig wilde maken van hun eigen aandeel in de BTW-opbrengst. De Landesbankpresidenten in de deelstaten dachten niet anders en zo moest Pohl ermee instemmen, als te doen gebruikelijk hoorbaar knarsetandend, dat 95 miljard voor het eenheidsfonds op de kapitaalmarkt zou worden gezocht.

Nu er vorige maand vijf nieuwe (Oostduitse) deelstaten zijn bijgekomen, en het aantal Landesbankpresidenten dus naar het onpraktischgrote aantal van zestien 'dreigt' te stijgen, is Pohl dan ook bezig met een ingrijpend voorstel dat hij binnenkort aan de politici in Bonn wil voorleggen. Bij De Nederlandsche Bank meent men te weten dat Pohl een verandering naar Amerikaanse voorbeeld voorbereidt: hij wil in zijn centrale bankraad voortaan slechts een (roulerend) stemrecht voor zeven van de zestien presidenten der Landeszentralbanken.

Als Pohls eigen stem bij een zeven-zevenverhouding dan ook nog beslissend wordt, zou een eensgezinde Bundesbank-directie niet meer overstemd kunnen worden. Zo begrijpelijk als dat voorstel op zichzelf ook moge zijn, als zoiets dadelijk publiek wordt zou de Bondsrepubliek wel eens op haar federatieve grondvesten kunnen schudden. Als de deelstaten over alle politieke grenzen heen iets echt niet willen, is het immers enige aantasting van hun vergaande bevoegdheden en zelfstandigheid.

Gezag aangetast

Voor bankpresident Karl Otto Pohl is het jaar 1990 niet eenvoudig geweest. Hij is in zwaarwegende kwesties enkele keren eenvoudig 'overruled' door kanselier Kohl en zijn coalitie in Bonn. Dramatisch voorbeeld daarvan bood begin dit jaar die februari-dag waarop Pohl en zijn DDR-collega Kaminsky op een persconferentie in Oost-Berlijn uitlegden dat het grote economische verschil tussen Oost- en West-Duitsland een snelle monetaire unie ongewenst, ja, eigenlijk onmogelijk, maakte. Op diezelfde dag kondigde Kohl, onder grote druk van de enorme stroom Oostduitse vluchtelingen, juist die monetaire unie aan.

Een paar maanden later was het weer raak. Toen doorkruisten Kohl en Waigel, opnieuw wegens knellende politieke opportuniteit, Pohls advies over de wisselkoersverhouding tussen Ost-Mark en D-mark (een advies waarmee Waigel nota bene in de Zentralbankraad kort daarvoor nog had ingestemd). 'Pohl kon er niets aan doen maar door deze gebeurtenissen heeft zijn gezag natuurlijk wel wat geleden', zegt oud-minister Onno Ruding ('82-'89) daarover desgevraagd.

Anderhalve week geleden, op de EG-top in Rome, ging Kohl weer tegen het advies van Pohl in. Namelijk toen hij ondanks diens herhaalde openbare waarschuwingen tegen het ingaan van de volgende fase van de Europese monetaire unie zonder voorafgaande monetaire en budgettaire harmonisering binnen de Gemeenschap, toch akkoord ging met 1januari 1994 als ingangsdatum van die tweede EMU-fase. Kohl kon trouwensin het jaar van de Duitse eenwording moeilijk anders, heen en weer getrokken als hij wordt door de begrijpelijke Europese integratie-wensenvan zijn buren enerzijds en het verstandige monetaire eisenpakket uit Frankfurt anderzijds.

Maar dat Pohl in Rome echt al een beslissende nederlaag op het EMU-veld zou hebben geleden, gelooft nog niemand. Volgende week al (12 november) zullen de twaalf centrale-bankpresidenten uit de EG waarschijnlijk hun unanieme voorstellen presenteren voor de toekomstige Europese centrale bank.

Bij De Nederlandsche Bank heette het vorige week dat het werkstuk een tamelijk onversneden weergave zal zijn van de opvattingen van Pohl (en Duisenberg). Behalve regels en tijdschema's inzake monetaire overgangsregelingen voor economisch zwakkere broeders (die in Zuid-Europa, later ook die in Oost-Europa) zal het voor vergaande taken en bevoegdheden van een Europese centrale bank als onafhankelijk bewaakster van stabiele prijzen met een gegarandeerd overeenkomstig besluitvormingsmechanisme (minder invloed van nationale regeringen) pleiten.

De tijdige verankering van deze positie in de Europese verdragen (inclusief parlementaire ratificatie voor begin '94), die ook wordt aanbevolen, wordt waarschijnlijk voor de Mitterrands, Andreotti's en Lubbersen van Europa de cruciaalste kwestie. Voor Karl Otto Bismarck, zoals Pohl wel wordt betiteld, lijkt het Europese monetaire gevecht eigenlijk nu pas goed begonnen.