'Vooral van vreemde dieren, van leeuw en tijger en beer, wileen knaap zo gaarne vernemen, en de meisjes al evenzeer'

Als een dompteur staat meester Warnies van de achtste groep voor de klas. Overal waar zijn blik langsstrijkt, wordt het rustig. Als hij zijn wenkbrauwen optrekt, voelt het kind op wie hij zijn ogen richt zich tot de orde geroepen.

Ik ben op de Amsterdamse Openluchtschool waar Sandra Hamburg (11) een spreekbeurt gaat houden over dierentuinen.

Ze is zenuwachtig heeft ze me verteld, maar dat kun je niet zien. Met een vastberaden glimlach komt ze naast meester Warnies staan, die aan een tafeltje is gaan zitten. Terwijl hij over de woelige achtste groep waakt, steekt Sandra van wal:

'Ik wil mijn spreekbeurt houden over Artis vroeger en nu. De eerste dierentuin waar mensen tegen betaling dieren konden bekijken, ontstond in 1828 in Londen. Daarvoor bestonden wel verzamelingen, maar geen echte dierentuinen. In 1750 werd de herberg Blauwe Jan opgericht, op de Kloveniersburgwal. Rond de binnenplaats stonden hokken opgesteld met leeuwen en tijgers erin en nog veel meer dieren. In 1836, acht jaar na de eerste dierentuin wilde meneer Westerman een dierentuin oprichten. Hij vroeg steun aan de koning en die kreeg hij wel, maar de burgemeester wilde geen geld geven. Toen richtte Westerman een vereniging op waar mensen geld aan konden geven. Die vereniging heette Natura Artis Magistra.'

Ik kijk naar de tafel waar Sandra's documentatie ligt. Daar zie ik een indrukwekkende stapel boeken, maar een blaadje met aantekeningen ligt er niet bij. Doet ze dit hele verhaal, met al die vreselijke jaartallen uit haar hoofd?

'Natuurlijk was de dierentuin in het begin nog niet zo groot, maar elk jaar breidde de tuin zich uit. In 1861 werden er nijlpaarden gekocht. Ze kostten twaalfduizendzeshonderd gulden. Toen moesten ze een heel bad bouwen. Het nadeel van de nijlpaarden was, dat ze na de olifanten het meeste voedsel aten. Een nijlpaard eet acht kilo krachtvoer, vijf kilo hooi, zeven kilo voederbieten en acht kilo wortelen per dag en in de zomer verse bladeren.'

Zonder een ogenblik te haperen serveert Sandra alle cijfers uit. Als ze haar verhaal onderbreekt, is het om illustraties te laten zien, zoals een afbeelding van een nijlpaard bij de tandarts.

'De tanden van het nijlpaard slijten in de dierentuin niet zo hard als in de vrije natuur, vandaar dat een nijlpaard af en toe naar de tandarts moet.'

Sandra legt het boek met de foto terzijde. Als ze weer opkijkt, kruist haar blik die van een vriendinnetje. Een blije glimlach glijdt over haar gezicht, dan gaat de spreekbeurt verder:

'Een dierentuin is goed voor kinderen, want die kunnen er dieren zien die ze in de vrije natuur niet zouden ontmoeten. Artis was in 1888 al erg leuk voor kinderen, dat blijkt uit een kindergedicht uit het Nieuws van de Dag van 7 mei 1888. Het heet Kinderhulde aan Artis en ik zal het voorlezen:

Voor honderden knapen en meisjes

Van volksschool en Godsgesticht

Wijd ik aan feestvierend Artis

Een vriendelijk lofgedicht.

Geleerden en hooggeplaatsten

Zijn huldigend voorgegaan

Nu komt bescheiden en 't laatste

De schooljeugd juichend aan.

Ze ontvangt van onderwijzeres

wel nuttig onderricht

Maar hoort ze van de dieren vertellen

Dan straalt elks aangezicht

Vooral van vreemde dieren

Van leeuw en tijger en beer

Wil een knaap zo gaarne vernemen

En de meisjes al evenzeer.

Het gedicht gaat nog een poosje door en het is niet het enige vers dat Sandra voordraagt. Na een korte verhandeling over Artis in de reclame en een foto van een leeuw die geopereerd wordt, besluit ze met een gedicht van de Schoolmeester.

Meester Warnies' lippen bewegen mee met de woorden.

Als Sandra uitgesproken is, pakt ze de grote stapel boeken op en gaat op haar plaats zitten.

Ik onderdruk de neiging te applaudiseren. Dit was een lezing, geen spreekbeurt.

Wie moet erg ver of ingewikkeld reizen om naar school te gaan? Schrijf naar Yvonne Kroonenberg, NRC-Handelsblad, Paleisstraat 1, 1012 RB Amsterdam.