Stijging olieprijzen bezorgt Indonesie hoofdbrekens

JAKARTA, 6 nov. Indonesie, het belangrijkste OPEC-lid van Azie, is bezig flink te profiteren van de Golfcrisis. Er vloeien de laatste maanden aanzienlijk meer oliedollars in de staatskas dan voorzien.

Volgens conservatieve schattingen zal de post 'olie- en gasinkomsten' op de begroting 1990-'91 met 2,2 miljard dollar worden overschreden. Een fikse meevaller, die de regering naast extra middelen ook onverwachte hoofdbrekens oplevert. Met de parlementsverkiezingen van 1992 in het vooruitzicht, neemt de politieke druk toe om de 'oliewinsten' op een populaire manier te besteden. Deskundigen vrezen echter dat de meevaller een illusie zal blijken en dat overhaaste besteding een nieuwe impuls zal geven aan de toch al zorgelijk hoge inflatie.

Bij de opstelling van de begroting 1990-'91 ging de Indonesische regering nog uit van een gemiddelde olieprijs van 16,5 dollar per vat. Sinds de Iraakse inval in Koeweit is de olieprijs praktisch verdubbeld. In oktober betaalde Japan voor een vat 'Minas', de standaardkwaliteit Indonesische ruwe olie die wordt gewonnen in de olievelden van Oost-Sumatra, de recordprijs van 35,29 dollar per vat. Op de spotmarkten ging een vat Minas toen al van de hand voor 39,29 dollar. Tijdens de laatste piek in de oliemarkt, die van 1981-'82, deed een vat Minas op de spotmarkten precies 39 dollar.

Tijdens het jongste overleg met de parlementscommissie voor begrotingszaken, begin oktober, meldde minister van financien J. B. Sumarlin dat de olie-inkomsten tijdens het eerste semester van het fiscale jaar 1990-'91 (april tot en met september) uitkwamen op een gemiddelde prijs per vat van 18,45 dollar, twee dollar boven de in het budget gehanteerde maatstaf. Dr. Hadi Soesastro, economisch adviseur van de regering, verwacht tijdens het tweede semester een prijsfluctuering rond de 25 dollar per vat. Uitgaande van die prijs zal de meevaller voor Indonesie aan het einde van het lopende begrotingsjaar (31 maart 1991) 2,2 miljard dollar bedragen.

Nu de omvang van de 'oliewinst' zich begint af te tekenen, melden tal van pressiegroepen zich met hun verlanglijstjes. Zo meent de Vereniging van Indonesische Projectontwikkelaars (REI) dat de extra olie-dollars moeten worden besteed aan het nationale huisvestingsprogramma. Ook het parlement mengt zich in de discussie. Tijdens het mondelinge overleg met de Kamer van Volksafgevaardigden (DPR), werd minister Sumarlin geconfronteerd met een kamerbreed pleidooi voor een verhoging van de ambtenarensalarissen en militaire weddes met 10 tot 20 procent. Vanuit electoraal oogpunt de parlementsverkiezingen van 1992 komen snel naderbij een populair voorstel, maar ook uit sociaal oogpunt alleszins te verdedigen.

Indonesie telt 3,7 miljoen ambtenaren en militairen, die schrikbarend weinig verdienen in vergelijking met het particuliere bedrijfsleven. Een pas afgestudeerde doctorandus in overheidsdienst verdient gemiddeld een zesde van het salaris van zijn collega in de particuliere sector. Grote ondernemingen betalen afgestudeerden al gauw tien maal meer dan de staat. De minister beseft dat verhoging van de ambtenarensalarissen goed in de markt ligt en beloofde de DPR het voorstel 'serieus te bestuderen'.

Regeringsfunctionarissen en economische experts waarschuwen dat de veelbesproken meevaller uiteindelijk een illusie kan blijken te zijn. Als de hoge olieprijs een recessie veroorzaakt in de geindustrialiseerde wereld, kan dat een negatieve invloed hebben op de export van Indonesische goederen en diensten buiten de energiesector. Daar staat tegenover dat Indonesie minder kwetsbaar voor mondiale recessieverschijnselen is dan andere Aziatische exporteurs. Exportinkomsten maken slechts 25 procent uit van het Indonesische BNP. Ter vergelijking: Maleisie, de tweede olie-exporteur van Azie, verdient liefst 75 procent van zijn BNP met uitvoer.

Een tweede reden voor een terughoudend bestedingsbeleid zijn de oplopende kosten van binnenlandse energiesubsidies, die weer het gevolg zijn van de stijgende olieprijs. In het kader van de deregulering zijn de binnenlandse energieprijzen per 1 mei met 15 procent verhoogd, wat voor de meeste huishoudens een zware aanslag betekende op het budget. In september liet president Soeharto weten dat er binnenkort geen nieuwe prijsverhoging te verwachten is. Om binnenlandse onrust af te kopen, doet de regering dus een deel van de 'oliewinst' teniet.

Ten slotte zijn de inkomsten uit de olie-export bepaald niet waardevast. Omdat de olie in dollars wordt betaald, zijn de opbrengsten gevoelig voor koersfluctuaties van de Amerikaanse munt. De recente val van de dollar in verhouding tot de Japanse yen en andere valuta knaagt ook aan de Indonesische koopkracht.

Dat de Indonesische regering tot dusverre zeer behoedzaam omgaat met de onverwachte meevaller, hangt vooral samen met haar zorgen over de snel oplopende inflatie. In de eerste negen maanden van dit jaar is het prijsniveau al met 8,11 procent gestegen, terwijl de inflatie over heel 1989 slechts 5,9 procent bedroeg.