Scholen zien fusiegolf na invoering van basisvorming

AMSTERDAM, 6 nov. Meer dan de helft van de schoolleiders in het voortgezet onderwijs vreest dat hun scholen zullen moeten fuseren als het plan van staatssecretaris Wallage (onderwijs) doorgaat om alle leerlingen in het voortgezet onderwijs twee jaar lang dezelfde vakken te geven, de zogeheten basisvorming.

De schoolleiders verwachten dat de gevolgen van die fusies ingrijpender zullen zijn dan onderdelen van de basisvorming als de invoering van heterogene klassen (leerlingen van LBO tot en met gymnasium in een klas), andere vakken zoals techniek, of het aanpassen van de vakken aan 'kerndoelen'. Dat zijn wettelijk vastgestelde omschrijvingen van wat een leerling aan het einde van de basisvorming moet weten.

Dit blijkt uit een onderzoek van de universitaire lerarenopleiding van de Vrije Universiteit in Amsterdam. Om de behoefte aan bijscholing te peilen heeft de lerarenopleiding 170 rectoren en directeuren in het algemeen voortgezet onderwijs geenqueteerd, 20 procent van de schoolleiders van scholen voor algemeen vormend onderwijs in Nederland.

Uit de enquete blijkt dat deze onderwijssector een ware fusiegolf staat te wachten. Van de scholen heeft bijna de helft plannen in die richting. Hoewel 39 procent zegt niet te willen fuseren, is het volgens de onderzoekers 'maar de vraag of bij de financiele voordelen die grote scholengemeenschappen in het vooruitzicht worden gesteld, kleine scholen kunnen overleven'. Iets meer dan 10 procent van de scholen is al gefuseerd.

Ruim 70 procent van de schoolleiders zegt de verwachte problemen na invoering van de basisvorming op te kunnen lossen als er meer middenkader komt. Hiervoor moet volgens hen extra geld en tijd beschikbaar worden gesteld. Van de problemen scoort 'personeelsbeleid' het hoogst, gevolgd door 'taakdifferentiatie' en 'veranderingsproces'.

Volgens de onderzoekers laat de enquete zien dat de schoolleiders in Nederland dringend bijscholing behoeven. 'De discrepantie tussen de mate waarin schoolleiders enerzijds en leraren anderzijds zich zorgen maken over de veranderingen ten aanzien van vakinhoud en heterogeniteit, is te groot om aan te nemen dat schoolleiders beschikken over voldoende onderwijskundig management.'