Reis naar het eentonige landleven van Anton Pavlovitsj Tsjechov

Op een septembermiddag, op het Koersk-station in Moskou, kocht ik onlangs een retourtje Tsjechov. Bij deze stad, voorheen Lopasja, ligt Melichovo, het landgoed dat Anton Pavlovitsj op 5 maart 1892 kocht voor zichzelf en zijn familie. De Sovjet-Unie weet zijn geliefde doden te eren. We kunnen bij hen thuis op bezoek gaan. Inktstel, pen op een handschrift, half opgebrande kaars; het lijkt of we zojuist de bewoner in zijn werk hebben gestoord. De meest intieme voorwerpen krijgen we te zien, bijna genant. Doorgaans is er in zo'n museum een bevlogen rondleiding, naar mijn ervaring altijd van een vrouw. Zonder mankeren komen haar de tranen in de ogen, wanneer ze liefde, dood of ander drama ter sprake brengt.

In Tsjechovs huis in Jalta, waar hij de laatste jaren van zijn leven sleet, was ik in 1983, voor een uitgebreide literaire reportage. Ik zag zijn werkkamer waar hij De drie zusters schreef en De kersentuin. Ik zag de slaapkamers, kleren en toiletspullen van zijn ouders, broers en zuster, en van Olga Knipper, die zijn vrouw werd, drie jaar voor zijn dood. Tot op hoge leeftijd speelde deze ambitieuze dame in Tsjechovs stukken hoofdrollen van jonge vrouwen. Het Moskouse Kunsttheater is daar nog niet overheen, zoals ik onlangs ontgoocheld vaststelde. In een decor als een theemuts gaven acteurs met hoge staatsprijzen volkstoneel ten beste dat volgens het programma Tsjechovs De kersentuin was. De zaal was stampvol.

Een week eerder, op een zaterdagochtend, in een alles verkillende plensregen, stapte ik door de plassen op een binnenplaats aan de Moskouse Sadovaja-Koedrinkskajastraat en zag een bordje: 'Doktor Tsjechov'. Hier woonde de schrijver/arts van augustus 1886 tot april 1890. Een smal huis van twee verdiepingen, 'een huis als een commode', zoals hij schreef. Voor de eerste huur moest hij zijn horloge belenen. Binnen was het heerlijk warm, andere bezoekers waren er niet en ik kon rustig door de kamers dwalen, zonder dat iemand me lastig viel met een rondleiding.

Soms, zoals me overkwam in het Poesjkinhuis op de Arbat, tref je een bazige gids van wie je niet bij de groep mag achterblijven om in een vitrine te kijken. Maar hier zat in elke kamer een vriendelijke dame op een stoel en die kon je om uitleg vragen. Medische instrumenten, Tsjechovs collegekaart, zijn knijpbrilletje. Veel foto's, zoals een van Tsjechov als student, die ik nooit had gezien, handschriften, eerste drukken van eerste bundels en een geweldige verzameling humoristische tijdschriften, die verhaaltjes afdrukten van 'Antosja' of 'Tsjechonte', zoals hij aanvankelijk ondertekende.

Sommige van deze tijdschriften hadden een indrukwekkend formaat en waren schitterend geillustreerd, soms met tekeningen van Tsjechovs broers Alexander of Nikolai. Hier beleefde Tsjechov misschien de gelukkigste jaren van zijn leven. Zijn literaire roem was begonnen, hij had er nog plezier in. Hier schreef hij De steppe, het eerste van de langere verhalen, die ten onrechte veel minder bekend zijn dan zijn toneelstukken.

Memoires

De trein naar de stad Tsjechov doet er nu anderhalf uur over, een uur korter dan in Tsjechovs tijd. Melichovo ligt volgens Michail (Misja) Tsjechovs memoires, Anton Pavlovitsj' jongste broer, twaalf, dertien werst (ong. 14 km) van het station. (Rondom Tsjechov, Privedomein, 1988). De trein zal wel niet veel veranderd zijn: onverwarmd, houten banken, een paar dronken kerels, bepakte en bezakte vrouwen met hoofddoeken, mistroostige sfeer. Bij een militia-officier die tegenover me zat en een boekje met een tijd-tabel raadpleegde, informeerde ik naar de mogelijkheden voor de terugreis. 'Dat haalt u vanavond niet meer', zei hij triomfantelijk. 'Als u ook nog met de bus moet. U had 's morgens vroeg moeten gaan!'

Ik zag mezelf al op een ijskoud station de ochtend afwachten, maar in Tsjechov stelde de conductrice van bus 25 me gerust. De bus rammelde langs gevarieerde herfstbossen, berkenbossen, vergezichten, koolvelden, hooischelven, nederzettingen met kleurige huisjes van houtblokken, een koepelkerkje in de verte. Voor de verandering scheen de zon. Op een verlaten landweg stopte de bus. Hier was het. Om half vijf ging er een bus terug, stond op de halte aangegeven.

Ik zakte weg in de modder, zag een vervallen bouwsel dat een winkel was geweest, liep soppend langs een koe, kwam een vrouw tegen met een melkbus op een houten kar, sloeg een zijpad in en daar was, op een sokkel, Anton Pavlovitsj' lieve gezicht. Daarna was het nog een eindje lopen. Op het land waren mensen aan het werk. Een appelboomgaard, een mooie bloementuin en daar was ook het huis met bijgebouwen, voorraadschuren, pomp en de bijkeuken waar Tsjechov en zijn zuster aan tafel boerenkindertjes lezen leerden, het badhuis en het houten huis, dat Tsjechov liet bouwen als gastenverblijf maar waar hij zelf de gasten ontvluchtte om De meeuw te schrijven. Het woonhuis kon ik zo binnenstappen, een heerlijke warmte kwam me tegemoet.

Misja Tsjechov heeft beschreven hoe de familie hier leefde. De eerste zomer stonden ze om vier uur 's ochtends op en werkten als paarden om huis en tuin op te knappen. Hier en daar, in de kamers, op de veranda en in de tuin tref je bordjes met citaten. Bij de ingang van het huis een zin uit een brief die Tsjechov na die slopende zomer, op 10 oktober 1892 aan zijn uitgever Soevorin schreef: 'Melichovo is voor ons onherkenbaar geworden en komt ons buitengewoon gezellig en mooi voor.' In werkelijkheid voegde hij daaraan toe: 'Hoewel er misschien eigenlijk geen moer aan is.'

Ook andere citaten blijken achteraf aangepast in positieve zin. Over het eentonige leven op Melichovo, met zijn ouders en zuster, liet Tsjechov zich veelal korzelig uit. Hij was dan ook veel op reis. In Antons slaapkamertje stond zijn kast half open, met keurige stapeltjes linnengoed. De Tsjechovs sliepen in akelig smalle, ijzeren bedjes met overdag een witte kanten sprei erover. In Jalta stond er voor Olga ook een, in een apart vertrekje.

Kwekken

In de muziekkamer van de Tsjechovs zaten twee vrouwen aan een stuk door te kwekken, maar dat deed aan de sfeer geen afbreuk. Het huis was altijd vol rumoerige gasten. Tsjechov klaagde daarover steen en been maar hij kon niet buiten mensen om zich heen. Dromerig stond ik in de gang de eetkamer in te kijken. De tafel was gedekt voor vijf personen: wit servies met blauwe bloemetjes, karaffen voor wijn en water, een olie- en azijnstel. Nog meer borden in de servieskast. 'Je gaat de gezellige eetkamer binnen en je ziet lieve, begroetende gezichten; je voelt je direct op je gemak', verzekert een tijdgenoot, M. F. Drozdov op een bordje aan de deurpost. En daar 'wacht ons het warme eten'. Sinds de ochtend had ik niet meer gegeten of gedronken, en ik ging informeren of er misschien een kopje thee te krijgen was. Nee hoor en ook nergens in de buurt.

Intussen kwam er toch een groep binnen, patienten, hoorde ik, van een nabijgelegen 'sanatorium'. En nu was er ook een gids voor de rondleiding. Een jonge vrouw met een lieve stem. We stonden in Tsjechovs werkkamer, met uitzicht op de moestuin en de appelboomgaard. Buiten liepen mensen paddestoelen te zoeken. De kozijnen zijn zo laag, dat bij sneeuw de hazen rechtop tegen het kozijn stonden en naar binnen keken. De gids vertelde hoe Anton Pavlovitsj gratis de boeren medische hulp gaf, dat hij postzegels verzamelde, dat hij het altijd vreselijk druk had, over zijn vrienden (Levitan, Tsjaikovski), hoeveel hij van zijn familie hield en hoeveel van muziek. 'Dit was de mooiste kamer. Hij begon al vroeg boeken te verzamelen. Kijkt u naar zijn bibliotheek.' Op zijn bureau zijn pen bij het handschrift van Kruisbessen en enkele voorwerpen, zoals een weegschaaltje, zijn knijpbrilletje en in een zilveren lijstje een foto van Lydia Mizinova, 'de mooie Lika', met wie hij niet kon besluiten te trouwen en die hij later portretteerde in De meeuw.

Het liep tegen vier uur. Voor de zekerheid nam ik afscheid en liep vast naar de bushalte, want de bus van half vijf mocht ik in geen geval missen. Eenzaam, lichtelijk euforisch, stond ik in het boerenland, dat in de namiddagzon een romantische lieflijkheid had. Maar de zon verdween en in geen velden of wegen was een bus te bekennen. De gids kwam aanlopen en groette vriendelijk. 'Nu moet ik aardappelen rooien', zei ze lachend. 'Het is altijd maar rabota, rabota, rabota, werk, werk, werk.' Weg was ze. Tegen half zes reed een bus 25 de andere kant op. Dat gaf nieuwe hoop. Een half uur later kreeg ik gezelschap bij de halte. De bus moest aardappelen laden in de kolchoz, hoorde ik. Dat kon wel even ophouden. Kleumend wachtten we.

Tsjechovs geboortehuis in Taganrog

Anton Pavlovitsj Tsjechov met Olga Knipper in de periode 1901-1904

    • Lisette Lewin