Kroetz' Oblomov komedie over onwil

In een vraaggesprek naar aanleiding van zijn regie van Oblomov, een bewerking van F. X. Kroetz van Gontsjarovs gelijknamige roman, beweert regisseur Karst Woudstra meer komedies dan tragedies 'gedaan' te hebben. Wat merkwaardig, dat me dat ontgaan is! Zoals de naam Oblomov synoniem is aan lethargie, zo staat Woudstra voor zwaarmoedigheid. Hij is bij voorbeeld de voornaamste promotor geweest van de Zweedse toneelschrijver Lars Noren: alleen als men Noren een komedieschrijver wil noemen wat op zichzelf wel een grappige gedachte is heeft Woudstra gelijk.

Maar Oblomov is inderdaad een komedie. Kroetz heeft Oblomovs leven teruggebracht tot een dag. Woudstra maakt gebruik van een soortgelijk minimum aan middelen. In overeenstemming met de aard van de titelheld is de eenheid van plaats ad absurdum constant: zowel voor als na de pauze is Oblomovs bed de speelvloer. Dat corpus delicti want om minder gaat het hier niet wordt aan weerszijden geflankeerd door wonderlijke lichtwanden, die als geplooide gordijnen Oblomovs universum en zijn verlangen naar Oblomovka, het landgoed van zijn kinderjaren, begrenzen.

Een viertal figuren vertegenwoordigt de buitenwereld: een veel te vrijpostige knecht, de potsierlijke Wolkov die zijn eeuwig slapende vriend alleen maar komt wakker schudden om zijn opstandige darmen op diens closetstoel te ledigen, de overijverige Duitser Stolz en het lieftallige zangeresje Olga. Is Oblomov zelf, gespeeld door Marc de Corte, nog een enigszins realistische landhuisbewoner, de anderen zijn stripfiguren. Vooral Wolkov wedijvert in zwaarlijvigheid en gedrag met Billie Turf, met een aplomb dat niet geheel strookt met het spel van de anderen.

De komedie wordt pas echt komedie met de entree van Olga (Goele Derick), die Bellini's Casta Diva vertolkt. Zelfs Oblomov wordt op slag verliefd, ten bewijze zit hij rechtop op de bedrand. Derick heeft een ondefinieerbaar talent: iedere oogopslag wekt hilariteit. Kennelijk weet ze dat, want haar spel is ingetogen en daarom buitengewoon effectief. Vooral zij maakt van Woudstra's enscenering uiteindelijk een lyrisch en meeslepend vertoog over de onwil als oorzaak van het onvermogen. Oblomov wil niet en hij trekt zijn hele omgeving mee in de afgrond van het niets. Zelfs een wederrechtelijke kus van de inmiddels met de dorre Stolz getrouwde Olga vermag hem op het laatst niet meer tot leven te wekken. Hij is zelfs te lui om zich aan het sprookje te houden.