Kleuters raken van streek door incest-programma

De meeste deskundigen zijn het erover eens, dat de psychische schade ten gevolge van incest ontoelaatbaar hoog is. Preventie van incest is daarom een goede zaak, maar in het programma van Nederlandse Onderwijs Televisie (NOT) dat vorige week op scholen werd vertoond is onvoldoende gebruik gemaakt van de kennis over preventie bij jonge kinderen.

De reactie van onze vierjarige dochter Esther op dit programma bevestigt de kritiek van Wim Kohler in NRC Handelsblad en professor Van de Voort in de Volkskrant, beide van 1 november. Als ouders waren we niet ingelicht over de uitzending die de vertrouwensrelatie tussen ouders en kind kan ondermijnen, terwijl de school niet is toegerust om problemen als incest deskundig te begeleiden. Onze bezwaren tegen het incest-programma van de NOT zijn niet alleen gebaseerd op wetenschappelijke kennis van preventieprogramma's over incest maar nu ook op onze persoonlijke ervaring.

De woensdag dat het programma was uitgezonden vroegen we ons af wat er met onze dochter was gebeurd op school. Bij het ophalen zat ze dromerig in de klas; reageerde niet op aanwijzingen van de juf om haar jas aan te trekken. Normaal rent ze vrolijk naar buiten. Nu trok ze haar jas weer uit, ging tegen een muur staan en wilde niet mee, tot een van ons haar beetpakte en op de fiets zette.

'Au, je mag me niet beetpakken, dat doe je nu altijd, dat mag jij niet.' Pas 's avonds nadat we in de krant over het incest-programma op scholen hadden gelezen kon we de zaken combineren. We waren woedend. Waarom waren we niet op de hoogte gesteld, dan hadden we kunnen kijken en erover praten. De belangrijke rol van ouders bij incest-preventie is ernstig miskend bij de presentatie van het NOT-programma, terwijl in situaties waar incest sterk wordt vermoed tegenwoordig zelfs de dader wordt betrokken.

Esthers reactie bevestigde ook de visie van de NVSH (Goslinga) dat de boodschap primair negatief was. Een van de boodschappen die onze dochter oppikte is dat interesse voor een piemel van grote meneren verkeerd is, terwijl Esther met haar vier jaar en het vierde meisje in ons gezin daarin juist zeer is geinteresseerd. Haar nieuwsgierigheid is kennelijk verkeerd! Is dit nu een vorm om seksualiteit op een positieve manier te benaderen?

Effect-onderzoeken

Het begrip preventie heeft de connotatie, dat het altijd positief is, maar het effect van preventieprogramma's is lang niet altijd bemoedigend. Er zijn nogal wat prospectieve (gericht op preventie in de toekomst) programma's op het gebied van kinderen van psychiatrische patienten gedaan, waarvan de resultaten gering waren. Sommige wetenschappers, zoals Piet Vroon in de Volkskrant, stellen dat geringe resultaten op grote aantallen toch tot tevredenheid kunnen stemmen. Als het over dergelijke belangrijke onderwerpen als incest gaat, zouden wij echter graag hardere resultaten zien dan geringe percentages

In Amerika is een aantal grote effect-onderzoeken bij incest gedaan. Twee ervan zijn Spiderman van Garbarino (1985) en het programma van Binder en anderen (1987). Spiderman is een soort stripverhaal dat op grote schaal is verspreid (ruim twee miljoen kopieen). Wat betreft de vorm van voorlichting is het te vergelijken met het tv-programma van de NOT. Garbarino heeft onderzocht of een aantal kinderen de boodschap van het verhaal begreep. Uit een totaal van 191 kinderen heeft hij 73 kinderen onderzocht in de leeftijd van zes tot en met twaalf. Het onderzoek wees uit dat de meeste kinderen precies begrepen wat de boodschap van het strip-verhaal was. Vragen als 'wat deed de babysitter waar de jongen zich zorgen over maakte?' werden correct beantwoord.

Opvallend was dat zeventien tot vijftig procent van de kinderen (afhankelijk van de leeftijd) zich zorgen maakte of een beetje angstig werd door het verhaal. Deze uitkomsten zeggen niets over de preventie van incest maar geven aan dat de kinderen het verhaal begrijpen.

Workshops

Het programma van Binder bestaat uit een workshop voor kinderen, ouders en leerkrachten. Elke workshop duurt twee uur en de kinderen leren er dat seksueel misbruik vaak door bekenden wordt gepleegd zoals een familielid, een buurman, een babysitter of een leerkracht. Er wordt vooral geoefend op duidelijk nee-zeggen en op de vraag hoe je erover kunt vertellen als het is gebeurd. Kinderen doen een rollenspel over geld stelen van andere kinderen, gegrepen worden door een vreemde, een familielid dat onredelijke seksuele vragen stelt. Binder gebruikte vragenlijsten om het kennisniveau over seksueel misbruik te meten en het niveau van emotionele spanning. Achtentachtig kinderen in de leeftijd van vijf tot twaalf, zestig ouders en twaalf leerkrachten vulden de vragenlijst in, twee weken na de workshops.

Vergelijking van kennis voor en na het programma laat opvallende verschillen zien in strategieen bij het omgaan met potentiele misbruik-situaties. Let wel: kinderen weten hoe ze het kunnen voorkomen maar het voorkomen zelf (de actuele situatie) is niet gemeten. De ouders waren na het programma beter in staat om met de kinderen over seksueel misbruik te praten. Zowel de ouders als de leerkrachten konden geen negatieve emoties bij de kinderen ontdekken. De kinderen vonden dat het programma hen zekerder maakte en vonden zichzelf beter in staat zich te beschermen.

Wanneer we het programma van Garbarino vergelijken met dat van Binder valt onmiddellijk op dat kinderen zich na het eerste meer zorgen maken en angstiger worden dan na het tweede. Na het programma van Binder is er geen sprake van zorgen en angst. Bovendien hebben de kinderen geleerd hoe ze moeten handelen.

Er zijn nog twee belangrijke verschillen tussen de manier van voorlichting van het Spiderman-programma en dat van Binder. Het eerste is, evenals de NOT-versie alleen op kinderen gericht, terwijl het programma van Binder voor kinderen, ouders en leerkrachten is bedoeld. Ook uit andere onderzoeken (zoals van Kolko, e.a. in 1987) blijkt dat bij preventie op meer niveaus dan alleen het kind, de emotionele schade geringer is.

Een ander verschil is de mate van activiteit die wordt vereist. Het stripverhaal en de tv-uitzending zijn gericht op passief en eventueel reproductief (meezingen) leren. Binder brengt kinderen handelingsstrategieen bij door probleem-oplossend leren en imitatie-leren.

Juist bij de leeftijdsgroep waar het NOT-programma zich op richt (vier tot zes jaar) is het leren door doen en het leren door zelf-ontdekken uitermate belangrijk.

Weerbaarheid

In het oktobernummer van The American Psychologist is een overzichtsartikel verschenen over incestpreventie van Reppucci en Haugaard waarin zij zowel de vorm als de inhoud van een groot aantal gerenommeerde preventieprogramma's onder de loupe nemen. Ze vermelden dat er enig bewijs is voor de toename van kennis na een preventieprogramma, maar dat de meeste onderzoeken een beperkte opzet hebben. De meeste programma's blijken gericht te zijn op het vergroten van de weerbaarheid van kinderen zonder dat wordt beseft hoe moeilijk het voor kinderen is zich tegen seksueel misbruik te verweren. Het kind moet namelijk kunnen onderscheiden wanneer het seksueel wordt misbruikt. Vervolgens moet het kind het geloof hebben dat het iets ertegen kan doen en ten slotte moeten kinderen de vaardigheden hebben om er daadwerkelijk iets tegen te doen.

De auteurs vinden dat er vooral bij jonge kinderen veel te weinig rekening wordt gehouden met hun cognitieve en emotionele ontwikkeling.

Het artikel bevat interessante gegevens over de eisen waaraan een preventieprogramma moet voldoen om effect te hebben: er moetenduidelijke, algemene regels zijn en kinderen moeten weten wat van hen wordt verwacht er moeten rollenspelen in wordenverwerkt. De hierin opgedane kennis blijft langer bestaan. er moet een vervolg-training zijn.

Een programma dat aan dergelijke voorwaarden voldoet is pas geschikt voor kinderen ouder dan zeven jaar, die concreet kunnen denken (cognitieve fase van Piaget) en niet meer magisch denken (zoals kleuters doen).

Het NOT-preventieprogramma voor incest heeft als belangrijkste tekortkoming dat het niet is gericht op drie niveaus (kinderen, ouders en leerkrachten), waardoor de kinderen angstig kunnen worden en last kunnen krijgen van schuldgevoelens. Voorts is het programma onvoldoende afgestemd op het cognitieve en emotionele niveau van kinderen en op hun seksualiteitsontwikkeling. Zoals het nu wordt gedaan, heeft het incestpreventie-programma voor kleuters eerder een negatief effect dan het beoogde preventie-effect.

Onderkenning van incest en stopzetten daarvan bij kleuters is belangrijk. Maar juist volwassenen (leerkrachten) hebben daarin een taak. Zij moeten geschoold zijn in signalering en verwijzing. Weerbaarheidstrainingen zijn alleen geschikt voor oudere kinderen en dan geldt dat ook ouders en leerkrachten moeten worden ingeschakeld.